Pacificatiepolitiek

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Pacificatiepolitiek of consociationalisme is een politiek waarbij ondanks grote tegenstellingen tussen zuilen uiteindelijk tot consensus gekomen wordt. Ondanks de verzuiling kan hierdoor politieke stabiliteit bereikt worden. De nadruk ligt hierbij bij het afbouwen van conflicten en niet bij het oplossen van problemen. De tegenstellingen worden hierbij opgelost buiten de politiek door commissies. Het kan hierbij voorkomen dat er lange tijd geen beslissing wordt genomen.

Een pacificatiepolitiek vereist een zakelijke benadering van de partijen waarbij de ideologische verschillen gerespecteerd en gewaarborgd worden. Het is hierbij noodzakelijk dat er volstrekte geheimhouding is en de achterban buiten de besluitvorming wordt gehouden. De parlementaire democratie komt hierbij onder druk te staan.

Sinds het werk van Lembruch is er veel aandacht voor het pacificatiebeleid. Lorwin deelde Nederland, België, Luxemburg en Oostenrijk in als sterk verzuilde landen. Middelmatig verzuild waren Italië, Duitsland, Frankrijk, Zwitserland en de Verenigde Staten. Bij Nederland, België, Zwitserland (Konkordanzdemokratie) en Oostenrijk (Proporzdemokratie) werd hierbij een pacificatiepolitiek toegepast. Waar de tegenstellingen voor de Eerste Wereldoorlog in deze landen voor de nodige conflicten had gezorgd, kon vooral na de Tweede Wereldoorlog samengewerkt worden dankzij de pacificatie.

Dit corporatisme is tegenwoordig bekend als het poldermodel.

Nederland[bewerken]

Lijphart bestempelde de politiek in Nederland van 1918-1973 als pacificatiepolitiek. Na de Pacificatie van 1917 werkten de leiders van de zuilen samen, zonder daar de achterban bij te betrekken. De grote tegenstellingen die de periode hadden gekenmerkt — de schoolstrijd, de uitbreiding van het kiesrecht en de verbetering van de sociale omstandigheden van de arbeiders — konden met het streven naar consensus beteugeld worden. Hierdoor kon Nederland zich tot een stabiele samenleving ontwikkelen.

Bezwaren tegen de pacificatiepolitiek zoals de beperkte invloed van de kiezers en economische tegenslag zorgden in de jaren zeventig voor een toenemende polarisatie, waarmee een einde kwam aan deze politiek.

België[bewerken]

Voor België is de pacificatiepolitiek nooit dé kenmerkende factor geweest, het was slechts een van de gebruikte methoden, zoals ook particratie en neocorporatisme. Naast de levensbeschouwelijke tegenstellingen is er ook sprake van een antithese tussen het patronaat en de arbeidersklasse en die tussen de Vlamingen en de Franse Gemeenschap. Er zijn een aantal belangrijke momenten van pacificatie aan te wijzen. Zo werd in 1950 de koningskwestie door middel van pacificatie opgelost en werd met het Schoolpact in 1958 een einde gemaakt aan de lange schoolstrijd. In 1960 werd de onafhankelijkheid van Congo bereikt en werd in 1977 het Egmontpact afgesloten. Ook de staatshervorming van 1988-1989 en het daaropvolgende Sint-Michielsakkoord kwamen op deze manier tot stand.

Literatuur[bewerken]

  • Deth, J.W. van; Vis, J.C.P.M. (2006): Regeren in Nederland: het politieke en bestuurlijke bestel in vergelijkend perspectief, Van Gorcum,
  • Dewachter, W. (2001): De mythe van de parlementaire democratie: een Belgische analyse, Acco,
  • Lembruch, G. (1967): Proporzdemokratie: Politische System und Politische Kultur in der Schweiz und Österreich, Tubingen, Mohr,
  • Lijphart (1968): Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek, Becht,
  • Lorwin, V.R. (1970): Verzuiling: levensbeschouwelijke scheidingen en politieke samenhang. De Maand, nr. 7, blz. 3-25.