Creolen (Suriname)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Creolen
Henck Arron, voormalig premier van Suriname
Henck Arron, voormalig premier van Suriname
Verspreiding Vlag van Suriname Suriname
  84.933 (2012)

Vlag van Nederland Nederland
  38.900 (2008)

Taal Surinaams-Nederlands, Sranantongo
Verwante groepen Marrons van Suriname
Portaal  Portaalicoon   Landen & Volken

De Creolen zijn een Surinaamse bevolkingsgroep die afstamt van vrijgelaten, vrijgekochte of bij de afschaffing van de slavernij in 1863 vrijgemaakte Afrikaanse slaven. Dit in contrast tot de nazaten van weggelopen slaven, de Marrons.

Bij de volkstelling van 2012 identificeerden 84.933 mensen zich als creool. Daarnaast waren er ook nog 72.340 mensen van gemengde afkomst. Ook van hen is een aantal van (deels) creoolse afkomst. Door migratie bestaan er ook grotere groepen creolen buiten Suriname. Hun aantal in Nederland wordt op 38.900 geschat.

Naamgeving[bewerken]

Etymologie[bewerken]

Het woord creool is een ontlening (mogelijk via het Frans) van het Portugese crioulo, dat is afgeleid van criar ("kweken"). Het woord betekende oorspronkelijk een in de koloniën geboren persoon, onafhankelijk van de huidskleur. (Vandaar dat men in België blanke kolonisten uit Congo creolen noemt.) In vele landen werd het woord na verloop van tijd voor blanke in de koloniën geboren personen gebruikt. Deze evolutie vond aanvankelijk ook in Suriname plaats, maar daarna nam het woord de betekenis aan van een persoon van gemengd zwart en blank bloed en van daar de huidige betekenis.[1]

Controverse[bewerken]

In 2002 was er discussie over de vraag of de woorden neger en creool moesten worden geschrapt uit de Grote Van Dale. Een uitspraak van de Commissie gelijke behandeling (CGB) naar aanleiding van een klacht van de Stichting Eer en Herstel Betalingen Slachtoffers van Slavernij in Suriname zorgde er uiteindelijk voor dat beide woorden werden gehandhaafd. De stichting stelde dat de betreffende woorden Afrikaans-Surinaamse Nederlanders aan de koloniale onderdrukking herinneren en zodoende pijn bij hen teweegbrengen. De CGB oordeelde echter dat "de functie van een woordenboek niet meer is dan het registreren van de betekenis van woorden in overeenstemming met het feitelijk woordgebruik".

Geschiedenis[bewerken]

Slavernij[bewerken]

Engelse tijd[bewerken]

Al vanaf het begin van de Europese kolonisatie van Suriname werd aan slavernij gedaan. De eerste succesvolle expeditie die Francis Willoughby vanaf Barbados naar Suriname uitzond bestond uit ongeveer honderd kolonisten. Zij hadden het doel suikerriet te verbouwen, waarvoor veel arbeidskrachten nodig zijn, en hadden daarom zo'n 600 slaven bij zich. De kolonie was al gauw erg welvarend.[2]

In 1664 heroverden de Fransen Cayenne (Frans-Guyana), waardoor de Joodse planters daar gedwongen werden te vertrekken. Onder David Nassy vertrok een grote groep van hen naar Suriname en nam hun slaven mee.[2]

In totaal woonden bij de verovering van Suriname door admiraal Crijnssen zo'n vierduizend blanken en slaven in Suriname, verdeeld over ongeveer 180 plantages.[2] Niet alle slaven kwamen uit Afrika; ook de Surinaamse indianen werden in die tijd tot slaaf gemaakt.[3] Hieraan kwam pas een einde nadat gouverneur van Sommelsdijck met hen vredesverdragen sloot.[4]

Sociëteitsbestuur[bewerken]

Nadat Suriname in 1674 officieel Nederlands werd, vertrokken meer dan 1.200 Engelsen om zich op Jamaica te vestigen.[4] Meer dan de helft van de plantages werd verlaten. Zij namen hun slaven (en andere bezittingen) mee. Ook vernietigden ze hun suikermolens alvorens te vertrekken.[2]

Door deze exodus, de bijhorende welvaartsafname en een toenemend aantal aanvallen van inheemsen en weggelopen slaven werd de kolonie een bron van zorgen waar haar eigenaars (de Staten van Zeeland en de Staten-Generaal) liefst van af wilden. Ze verkochten haar voor 260.000 gulden aan de West-Indische Compagnie.[4]

Bij deze verkoop verleende de Staten-Generaal een tienjarig octrooi aan de WIC. De Compagnie kreeg een monopolie op de slavenhandel naar de kolonie, maar verplichtte zich "aen de geseyde Colonie jaerlijck te leveren sodanigen aental slaven als aldaer sullen wesen gerequireert."[4]

In totaal werden tussen de 400.000 en 500.000 mensen als slaven naar Suriname verhandeld. Door de, zelfs vergeleken met andere slavenkoloniën, zeer slechte behandeling overleefden slechts weinigen van hen.[5]

Napoleontische tijd[bewerken]

Na het uitroepen van de Bataafse Republiek (een Franse vazalstaat in Nederland) in 1795 veroverden de Britten in 1799 Suriname. De kolonie werd met de vrede van Amiens (1802) teruggegeven aan Nederland, maar twee jaar later al weer heroverd. Ze bleef hierop onder Brits bestuur tot de vrede van Parijs (1815).

De Britten lieten de slavernij voortbestaan. Het revolutionaire Frankrijk schaftte deze echter af doorheen heel het Franse koloniale rijk, onder andere in het aan Suriname grenzende Cayenne (Frans-Guyana), af. Een groot aantal slavenhouders werd uit de kolonie verbannen en vond asiel in Suriname. Tegelijk ontstond een slechts met grote moeite in te dammen vluchtbeweging van slaven naar Cayenne, waar zij vrij waren.[6]

Dit betekend echter niet dat de Britten positief stonden tegenover slavernij, en zeker niet tegenover de manier waarop deze in de Nederlandse koloniën bedreven werd. Britse officieren toonden zich regelmatig verontwaardigd over de Nederlandse praktijken, zoals het gebruik slaven in Fort Zeelandia met Spaanse bokken te laten tuchtigen. Ook probeerden zij de slavenhanden in te dammen. In 1806 werd bepaald dat per honderd al in de kolonie aanwezige slaven jaarlijks slechts maximaal drie nieuwe slaven mochten worden ingevoerd. In 1808 werd de slavenhandel volledig afgeschaft. Hierop ontstond een grootschalige slavensmokkel.[6]

Vrije kleurlingen voor de emancipatie[bewerken]

Al tijdens de slaventijd bestond er een groep van vrije kleurlingen in Suriname. Ze bestond uit vrijgelaten of vrijgekochte slaven en hun vrije nazaten en groeide sterk tussen 1800 en 1863. Bij de afschaffing van de slavernij was 65% van de niet-blanke bevolking van Paramaribo al vrij.[7]

Deze groep had het veelal goed en was niet, zoals vaak wordt gedacht, overwegend arm. Velen van hen waren ambachtsleden, waarnaar een grote vraag was in Suriname, en werden dus goed betaald. Ook hechtten zij een groot belang aan een goede opleiding - sommigen sloten zelfs een universitaire opleiding af in Nederland[8] - en onderhielden veelal actieve banden met hun voormalige meesters, die hen regelmatig vermeldden in hun testament.[7]

Aantal[bewerken]

Bij de volkstelling van 2012 identificeerden 84.933 mensen zich als creool. Zij vormen hiermee 15,7% van de totale Surinaamse bevolking en zijn de derde grootste bevolkingsgroep in Suriname, na de Hindoestanen (27,4%) en Marrons (21,7%). In 2004 identificeerden nog 87.202 mensen (17,7% van de toenmalige Surinaamse bevolking) zich als creool. Hun aantal neemt dus af.[9]

Daarnaast waren er ook nog 72.340 mensen van gemengde afkomst. Ook van hen is een aantal van (deels) creoolse afkomst. Creolen komen voor in alle districten van Suriname en in alle ressorten behalve Wan Hatti en Galibi.[9]

Het precieze aantal creolen in Nederland is niet exact gekend, aangezien het Centraal Bureau voor de Statistiek enkel het land van herkomst bijhoud, niet de etniciteit. Een studie gebaseerd op achternamen vond dat er in september 2008 ongeveer 38.900 creolen in Nederland waren. Zij wonen vooral in Amsterdam en Rotterdam. Daarnaast leven ook grote aantallen van hen in Almere en Lelystad.[10]

Cultuur[bewerken]

De creoolse cultuur is een versmelting van verschillende culturen: die van de slavenhouders (vooral Engelsen, Zeeuwen, Hollanders en Joden), die van de verscheidene Afrikaanse stammen waartoe de voorouders van de creolen behoorden en die van de indianen, die in de begintijd ook als "rode slaven" op de plantages gebruikt werden.[11]

Er bestaat een cultureel onderscheid tussen de verschillende sociale lagen ("culturele ambivalentie"). De cultuur van de elite en middenklasse gaat grotendeels terug naar de cultuur van de vrije kleurlingen tijdens de periode van slavernij. Deze mensen onderhielden intensief contact met de blanken en identificeerden zich ook sterk met hen[12] (velen hadden immers blanke voorouders.[11]) Zij hebben hierdoor al tijdens de slaventijd meer van de westerse cultuur overgenomen en deze assimilatie heeft zich voortgezet. De acculturatiepolitiek van het gouvernement op het einde van de 19de en begin van de 20ste eeuw richtte zich vooral op het onderwijs, waaraan de kinderen van de midden- en bovenklasse meer deelnamen.[11]

De lagere klassen, daarentegen, werd de westerse cultuur actief onthouden. Men vreesde immers dat de slaven opstandig zouden worden als zij te veel kennis zouden hebben. De kerstening van de slaven heeft daarom lange tijd geduurd en onderwijs aan slavenkinderen werd pas in 1844 toegestaan. Ook zij zijn later beïnvloed door de acculturatiepolitiek, maar de laag westerse cultuur is bij hen veelal nog dun.[11]

De traditionele kleding van vrouwelijke creolen in Suriname is de koto in combinatie met de angisa (op speciale manier gebonden hoofddoek). Deze klederdracht wordt nog steeds gedragen op feestelijke gelegenheden.

De religie van de bovenklassen is veelal het christendom. Vooral de Evangelische Broedergemeente en de Rooms-Katholieke Kerk hebben veel leden. De traditionele religie, waarvan veel rituelen nog vooral door de lagere klassen gevolgd worden, is winti, een versmelting van meerdere Afrikaanse religies waarbij het geloof in een veeltal geesten ("winti's") centraal staat.[11] Een kleine groep creolen in Nederland heeft zich, analoog aan de Amerikaanse organisatie Nation of Islam, tot de Islam bekeerd. Zij zoeken steun in status in deze religie, die historisch egalitairer was tegenover zwarten.[13]