Spaanse bok

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De Spaanse bok

De Spaanse bok (Sranan: pansboko) was de in Suriname gebruikelijk benaming voor een zware marteling van tot slaaf gemaakten.

Bij deze marteling bond men de handen van de slaaf samen, daarna wrong men de knieën tussen de samengebonden handen heen en stak dan een stok tussen de handen en de opgetrokken knieën. De stok werd stevig in de grond bevestigd en de opzichter (bastiaan) van de slaven, of de politieagent, sloeg daarop met een bundel tamarinderoeden, een zeer hard knoestig hout, op de bovenliggende zijde van het slachtoffer. Als de ene kant rauw geslagen was, werd het slachtoffer omgekeerd om op de andere zijde dezelfde straffen te ontvangen. De wreedheid ging zover dat men tot slaaf gemaakten soms veroordeelde tot de zevenvoudige Spaanse bok. De tuchtiging werd dan achtereenvolgens herhaald op zeven verschillende hoeken van de straten van Paramaribo.

Per plantagereglement van 1784 werd de gevreesde Spaanse bok officieel afgeschaft, maar deze geseling werd nog ruim vijftig jaar gehandhaafd.

De publieke strafplaats, piket genaamd, was een houten gebouw in Paramaribo, gelegen tussen de Gravenstraat (nu Henck Arronstraat) en de Wagenwegstraat op de hoek tegenover van het toenmalige militair hospitaal. Voor en achter strekten zich twee pleinen uit. Op het plein aan de Wagenwegstraat zag men reeds op een afstand, te midden van enkele woningen van de politie en gevangenishokken, twee roodgeverfde palen boven de schuttingen uitsteken. Daar was de plaats van de officiële bestraffing door de Surinaamse politie.

Literatuur[bewerken]

  • N. Govers, 45 jaren onder de tropenzon. Joh. Roosenboom, Heerlen 1946.
  • Anton de Kom, Wij slaven van Suriname. Uitgeverij Contact, Amsterdam 1934; hoofdstuk 'Het Hof van Politie en Criminele Justitie'.