Zoutwaterneger

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een zoutwaterneger is een niet in de kolonie geboren, maar van overzee aangevoerde slaaf, in tegenstelling tot een creool. Quassie van Timotibo en Asikan Sylvester behoorden tot deze groep. Het begrip verkreeg in Nederland de grootste bekendheid in de kolonie Suriname in combinatie met de trans-Atlantische slavenhandel.

Zoutwaternegers vormden een moeilijke groep voor slavenhouders (die vaak plantage-eigenaars waren). Hun overlevingskans lag veel lager dan bij creolen en ze vluchtten sneller, daar ze vaak weigerden te moeten leven als slaaf. In de 18e eeuw vluchtte in Nederlands-Guiana bijvoorbeeld 10% van de slaven. De behandeling van slaven in Suriname was berucht; werken van Voltaire (1759) en John Gabriël Stedman (1796) schetsten een beeld van een harde samenleving. Met name het graven van de irrigatiekanalen voor de suikerplantages – door de dikke klei – eiste zijn tol. Op plantages die dichter bij de oerwouden lagen en waar de ontsnappingskansen dus hoger waren, vond meer repressie plaats dan op verder van de woudrand gelegen plantages.[1] In Suriname vormden weggelopen slaven, de 'bosnegers' (bussinengre) of Marrons, eigen gemeenschappen in de oerwouden, die soms aanvallen uitvoerden op plantages.

In 1814 schafte Nederland de slavenhandel overzee af, alleen binnen de koloniën bleef die nog tot 1863 toegestaan. Hiermee verdwenen de 'zoutwaternegers'.