Surinaams-Nederlands

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nederlands wereldwijd
Vlag van België Vlag van Nederland Vlag van Suriname Vlag van Aruba Vlag van Curaçao Vlag van Sint Maarten
Dutchspeakersworldwide.png

Nederlands:

Nederlandse creoolse talen:

Portaal  Portaalicoon  Nederlands

In Suriname wordt een eigen variëteit van het Nederlands gesproken, het Surinaams-Nederlands. Surinaams-Nederlands is dus geen gebrekkig Standaardnederlands, maar een variant, zoals ook het Belgisch-Nederlands en het Nederlands-Nederlands dat zijn. Het wordt gekenmerkt doordat het qua uitspraak, woordenschat en zelfs grammatica werd (en wordt) beïnvloed door de andere in Suriname gesproken talen. Het heeft echter ook afgezien daarvan enkele eigenheden. Ook moet opgemerkt worden dat er niet echt sprake is van één Surinaams-Nederlands. Het Surinaams-Nederlands is eerder een continuüm, met aan de ene kant een zeer sterk door andere talen beïnvloede vorm en aan de andere kant een zeer dicht bij het Standaardnederlands liggende vorm.[1]

Status[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Nederlands in Suriname voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Nederlands is de officiële taal van Suriname, Suriname hoort sinds 2005 bij de Nederlandse Taalunie. Door deze gebeurtenis zijn veel Surinaams-Nederlandse woorden toegevoegd aan het Groene Boekje. In Suriname is het Nederlands de taal van het bestuur, de rechtspraak en het onderwijs. Volgens onderzoek van de Nederlandse Taalunie is het Nederlands de moedertaal van meer dan 60% van de Surinaamse bevolking. Hoe officiëler de zaak is hoe meer de Surinaamse vorm bij het Standaardnederlands ligt. Het Surinaams-Nederlands ligt ook niet ver van het Standaardnederlands en is goed verstaanbaar voor Nederlandstaligen uit andere landen.

Woordenschat[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook Lijst van verschillen tussen het Nederlands in Nederland, Suriname en Vlaanderen

Het Surinaams-Nederlands heeft veel leenwoorden en leenvertalingen opgenomen uit de andere talen die door de Surinaamse bevolking worden (of werden) gesproken, vooral uit het Sranang. Voorbeelden zijn zwamp ("moeras")[2], slijsen ("in plakjes snijden")[1] en zoetolie ("slaolie" van sweet oil)[1] uit het Engels, massen ("stampen")[1], lontai ("piment")[1] en alesi ("rijst")[1] uit het Sranang en bacove ("banaan"[noot 1])[3] uit het Portugees. Daarnaast kent het Surinaams-Nederlands enkele eigen creaties, zoals kousenband (als aanduiding voor de boonsoort Vigna unguiculata), slaappak ("pyjama") en verhaalboek ("roman") en heeft sommige woorden bewaard die in het Europees Nederlands verloren zijn gegaan, zoals wied ("onkruid")[4], bekken ("wasteil") en schaften ("lunchpauze houden").[1]

Door de immigratie van grote aantallen Surinamers naar Nederland zijn enkele woorden uit het Surinaams-Nederlands opgenomen in het Nederlands in Nederland of althans vertrouwd geworden voor veel Nederlanders. Enkele voorbeelden kouseband, buitenvrouw, roti (een gerecht) en schaafijs (een soort consumptie-ijs). Ook zijn veel woorden in de straattaal en het Murks opgenomen.

In 1989 werd het "Woordenboek van het Surinaams-Nederlands" opgesteld door J. van Donselaar. Hierin worden woorden aangetroffen als geslagen vijanden ("gezworen vijanden"), getrouwde vrouw ("wettige echtgenoot"), schoonbroer ("zwager", ook in Vlaanderen en (als skoonbroer) in Zuid-Afrika en Namibië gebruikelijk) en voeteren ("lopen").

Grammatica[bewerken]

De afwijkende woordenschat is het best gekende aspect van het Surinaams-Nederlands en ook dat waar het meeste onderzoek naar verricht is. Het Surinaams-Nederlands verschilt echter ook qua grammatica van het Standaardnederlands, onder andere door ander gebruik van lidwoorden en voornaamwoorden, ander gebruik van hulpwerkwoorden en soms zelfs een afwijkende woordvolgorde.

"kleine woorden"[bewerken]

Het lidwoord de wordt in het Surinaams-Nederlands vaak vervangen door die ("Ik kom zo Rudy, zet die melk op het vuur."). Dit is een oud fenomeen; het werd al in 1765 door Pieter van Dyk vermeld. Ook worden lidwoorden wel eens weggelaten in het Surinaams-Nederlands, bijvoorbeeld: "Luister, voordat ik kans mis je te zeggen."[5]

Kleine, niet strikt noodzakelijke woorden (zoals het, dat of er) worden in het algemeen nog al eens weggelaten in het Surinaams-Nederlands, hoewel zeker niet altijd. Men zegt bijvoorbeeld "Ik weet niet." i.p.v. "Ik weet het niet.", of "Ik heb geen zin in." i.p.v. "Ik heb er geen zin in."[5] Ook wederkerende voornaamwoorden worden soms weggelaten. Men zegt bijvoorbeeld "Hij verbeeldt dat hij kan voetballen" i.p.v. "Hij verbeeldt zich dat hij kan voetballen."[1] Het zijn echter niet uitsluitend verwijswoorden die wegvallen. Het woord heen in "Waar ga je heen?" valt ook wel eens weg. Men zegt dan "Waar ga je?"[5]

Ook het woord dat dat een bijzin inleidt wordt soms weggelaten ("Ik geloof hij hoorde het al"), maar ook soms toegevoegd wanneer een bijzin wordt ingeleid door een vraagwoord ("die plaats waar dat hij is gaan schuilen").[5]

Daarnaast bestaan in het Surinaams-Nederlands twee eigen voornaamwoorden: dat ding voor "dat, het" en die mannen voor "zij, ze". Deze constructies kunnen dus ook naar abstracte ideeën verwijzen en niet enkel naar een ding of bepaalde mannen, zoals in het Standaardnederlands. Daarnaast wordt die... van gebruikt in plaats van een bezittelijk voornaamwoord zoals me of haar. Men zegt dus "die vrouw van me" i.p.v. "mijn vrouw", of "die jongens en meisjes van haar" i.p.v. "haar kinderen".[5]

Daarnaast gebruikt het Surinaams-Nederlands op sommige plaatsen de beklemtoonde versie van een voornaamwoord (bv: mij, jou) waar het Standaardnederlands een onbeklemtoonde vorm (bv: me, je) zou gebruiken. Zo zegt men bijvoorbeeld "Was jou!" i.p.v. "Was je."[5]

werkwoorden[bewerken]

Het werkwoord gaan wordt in het Surinaams-Nederlands als hulpwerkwoord voor de toekomende tijd gebruikt. Dat kan ook in het Standaardnederlands, maar dan in een veel beperktere context: gaan kan deze functie enkel hebben als er sprake is van een bewuste intentie ("Hij gaat zijn examen leren.") In Suriname heeft het woord veel meer de functie van een echt hulpwerkwoord. Men gebruikt bijvoorbeeld zinnen zoals "U gaat het niet vinden." en het wordt zelfs gebruikt in combinatie met andere hulpwerkwoorden, zoals kunnen of moeten ("Ik ga kijken wat ik fo je ga kunnen doen.") Zo wordt bijvoorbeeld het feit dat een handeling langere tijd duurt, uitgedrukt met gaan staan, bijvoorbeeld: "Nadat hij was gaan staan boomschudden."[5]

Ook wordt het woord gaan in het Surinaams-Nederlands vaak gebruikt ter vervanging van de passieve zin. Men zegt bijvoorbeeld "Het kind gaat dopen." i.p.v. "Het kind wordt gedoopt."[5]

Naast gaan wordt ook komen op een andere manier gebruikt dan in het Standaardnederlands, bijvoorbeeld in zinnen als "Wanneer regen zich liet komen vallen."[5]

Het Surinaams-Nederlands gebruikt daarnaast soms intransitieve werkwoorden op een transitieve manier. Men zegt "iemand schreeuwen" i.p.v. "tegen iemand schreeuwen."[1]

woordvolgorde[bewerken]

In een bijzin behoud het Surinaams-Nederlands meestal de woordvolgorde van de hoofdzin i.p.v. ze aan te passen. Men zegt dus "Ik begrijp niet waarom is die huisdeur zo smal." i.p.v. "Ik begrijp niet waarom die huisdeur zo smal is.", of "Ik geloof hij hoorde het al" i.p.v. "Ik geloof dat hij het al hoorde."[5]

Zie ook[bewerken]