Lidwoord

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een lidwoord of artikel is in de taalkundige benoeming een functiewoord dat wordt verbonden met een ander woord. Dit andere woord is meestal een zelfstandig naamwoord, maar in bepaalde constructies kan het ook om andere woordsoorten gaan.

Het lidwoord heeft als voornaamste functie de bepaaldheid van het woord waar het bij hoort aan te duiden. Bij bepaalde lidwoorden wordt verwezen naar iets dat eerder is vastgesteld. Zo is in de zin "Heb jij de kat gevonden?" eerder vastgesteld om welke of wat voor kat het gaat, terwijl het in de zin "Heb jij een kat gevonden?" gaat om een kat in het algemeen.[1] Daarnaast kan het lidwoord ook andere informatie verschaffen over het betreffende hoofdwoord, bijvoorbeeld over het geslacht (in geval van een zelfstandig naamwoord) of de syntactische functie ervan.

Algemene kenmerken en evolutie[bewerken]

Lang niet alle talen kennen lidwoorden. Ook in de Indo-Europese talen was het lidwoord oorspronkelijk niet aanwezig, totdat zich in een aantal subfamilies – waaronder de Germaanse en Romaanse talen – uit de afgezwakte vormen van het aanwijzend voornaamwoord het bepaalde lidwoord ontwikkelde. Het Oudgrieks kende zes bepaalde lidwoorden (drie voor het enkelvoud en drie voor het meervoud). Het onbepaalde lidwoord ontwikkelde zich uit het telwoord één. Vermoedelijk gebeurde dit in de periode van het Frankische Rijk. Vanuit deze talen werd het gebruik van lidwoorden vervolgens overgenomen door een aantal andere talen die in Europa gesproken werden, zoals het Albanees, het Hongaars en de Keltische talen. In het oostelijker deel van Europa drong deze taalvernieuwing niet door, vandaar dat bijvoorbeeld het Russisch nooit een lidwoord heeft ontwikkeld.[2]

Lidwoorden worden echter ook aangetroffen in andere taalfamilies dan de Indo-Europese, bijvoorbeeld in Semitische en Polynesische talen.

Het lidwoord staat vaak voor het zelfstandig naamwoord, maar soms ook erachter (bijvoorbeeld in het Albanees). Soms gedraagt het lidwoord zich als een cliticum, waarbij het aan het zelfstandig naamwoord is "vastgehecht" en niet als afzonderlijk woord voorkomt.

Het lidwoord in verschillende talen[bewerken]

Nederlands[bewerken]

Bepaalde lidwoorden[bewerken]

Het Nederlands kent twee bepaalde (of bepalende) lidwoorden:

  • de, mannelijk of vrouwelijk (overkoepelend ook wel "zijdig" genoemd)
  • het, onzijdig. In gesproken taal vaak klemtoonloos uitgesproken als 't.

Het wordt enkel gebruikt voor een enkelvoudig onzijdig woord. Om een meervoud aan te duiden wordt altijd de gebruikt. Voorbeelden:

  • de sleutel (mannelijk enkelvoud, dus de)
  • de vakantie (vrouwelijk enkelvoud, dus de)
  • het gebouw (onzijdig enkelvoud, dus het)
  • de bomen (meervoud, dus de)
  • de bossen (meervoud, dus de, hoewel in het enkelvoud onzijdig het bos)

Onbepaald lidwoord[bewerken]

Het Nederlands kent slechts één onbepaald (of onbepalend) lidwoord:

  • een, in gesproken taal vaak uitgesproken als 'n.

Het onbepaalde lidwoord een wordt in het Nederlands alleen gebruikt voor een enkelvoud, om een onbepaald meervoud aan te duiden wordt simpelweg géén lidwoord gebruikt. Voorbeeld:

  • Daar staat een huis (onbepaald enkelvoud, dus een)
  • Daar staan huizen (onbepaald meervoud, dus geen lidwoord)

De zuidelijke dialecten van het Nederlands kennen drie onbepaalde lidwoorden:

  • ne of nen voor een onbepaald mannelijk enkelvoud (ne man)
  • een voor een onbepaald vrouwelijk enkelvoud (een vrouw)
  • e voor een onbepaald onzijdig enkelvoud (e kind)

Ontkennend lidwoord[bewerken]

Het ontkennend lidwoord geen duidt op de afwezigheid van iets of op een ontkenning:

  • We hebben geen kaas meer (duidt op de afwezigheid van kaas)
  • Dat is geen goede grap (Dat is niet een goede grap)

Verbuiging lidwoorden[bewerken]

Daarnaast kent het Nederlands nog enkele oudere verbuigingsvormen die gedicteerd worden door de verschillende naamvallen. In principe worden de bezittelijke voornaamwoorden (mijn, jouw, zijn, haar, ons, uw, jullie en hun) en het ontkennend lidwoord geen vervoegd zoals het onbepaalde lidwoord een, bijvoorbeeld: Dat is zijns inziens een slecht idee (eens inziens). In het meervoud bestaat er geen onbepaald lidwoord in het Nederlands, daarom is in het schema het woord geen gebruikt.

lidwoorden[3]
enkelvoud meervoud
mannelijk vrouwelijk onzijdig alle geslachten
bepaald onbepaald bepaald onbepaald bepaald onbepaald bepaald onbepaald ontkennend
nominatief de een de een (ene) het een de - geen (gene)
genitief des eens der ener des eens der - gener
datief de(n) een (enen) de(r) een (ener) het (den) een (enen) de(n) - geen (genen)
accusatief de (den) een (enen) de een (ene) het een de - geen (gene)


Verbogen lidwoorden (ene, ener, enes/des, der, den) worden nauwelijks nog gebruikt (daarom staan de oorspronkelijke verbuigingen tussen haakjes in het schema). Sinds de jaren tachtig is bijvoorbeeld commissaris van de Koning(in) gangbaarder dan commissaris der Koningin of des Konings (CdK). Bij procureur des Konings is echter alles bij het oude gebleven, net als in bepaalde namen en staande uitdrukkingen:

Lidwoord voor een bezittelijk voornaamwoord[bewerken]

Bij een aantal (zelfstandig gebruikte) bezittelijke voornaamwoorden, waaronder mijne, jouwe, zijne, hare, onze en hunne, kunnen ook lidwoorden staan.

  • Dat huis is het mijne.
  • Mijn zus is groter dan de jouwe.

Lidwoorden in andere talen[bewerken]

Lidwoorden in talen in (en ten zuiden van) Europa

██ onbepaalde en bepaalde lidwoorden

██ alleen bepaalde lidwoorden

██ onbepaalde en aangehechte bepaalde lidwoorden

██ alleen aangehechte bepaalde lidwoorden

██ geen lidwoorden

Aangehechte lidwoorden[bewerken]

In de Noord-Germaanse talen wordt een bepaald lidwoord doorgaans gehecht aan het zelfstandig naamwoord in kwestie:

  • in het Zweeds: granatträdetde granaatappelboom (maar: ett granatträd – een granaatappelboom).
  • in het Deens: kirkegårdende begraafplaats (maar: en kirkegård – een begraafplaats).
  • in het Noors: lyktestolpende lantaarnpaal (maar: en lyktestolpeeen lantaarnpaal).
  • in het Faeröers: hushet huis (maar: eitt hus – een huis).
  • in het IJslands: glugginnhet raam (maar: gluggi – een raam [het IJslands kent geen onbepaalde lidwoorden]).

De talen beperken zich echter niet tot aangehechte lidwoorden. Zodra er een bijvoeglijk naamwoord in het spel komt, komt er ook een niet-aangehecht bepaald lidwoord bij. Soms vervalt in dat geval de aanhechting.

  • in het Zweeds: Det friska granatträdetde gezonde granaatappelboom.
  • in het Deens: Den dystre kirkegårdende sombere begraafplaats.
  • in het Noors: Den grå lyktestolpende grijze lantaarnpaal.

Aangehechte lidwoorden komen ook in andere talen voor:

Lidwoorden waar het Nederlands die niet gebruikt[bewerken]

Weer andere talen gebruiken een lidwoord waar in het Nederlands geen lidwoord staat, zoals in het Frans en Duits.

Frans
  • Le pain – het brood (het ding)
  • Du pain – brood (als stofnaam)
  • Des maisons – huizen (om een onbepaald meervoud aan te duiden)
  • Il mange du fromage – hij eet kaas (dit is een derde soort lidwoord, het article partitif)
Duits
  • Aber da läuft der Karl! – Maar daar rent Karl!
  • Du kennst doch die Marie. – Je kent Marie toch.

Wanneer men in het Duits over een bekende spreekt, kan het bepaald lidwoord toegevoegd worden dat past bij het geslacht van diegene. In sommige Nederlandse dialecten komt dit ook voor, althans wanneer het om mannen gaat.

Talen zonder lidwoorden[bewerken]

Voorbeelden van talen zonder lidwoorden zijn het Latijn, het Russisch en het Fins. Andere talen, waaronder het Iers, kennen alleen een bepaald lidwoord.

Ook het Nederlands kende oorspronkelijk geen lidwoorden[bron?]. In het Oudnederlands ontbraken ze nog, het Middelnederlands kende ze echter al wel.

Generiek en categoraal[bewerken]

Voorts worden nog generische/generieke en categor(i)ale lidwoorden onderscheiden.

Een generisch lidwoord ziet eruit als een gewoon bepaald lidwoord, maar het is niet specifiek voor het woord waar het bij staat.

  • De mens is sterfelijk

Het spreekt vanzelf dat we hier niet een specifiek iemand op het oog hebben, maar bedoelen dat sterfelijkheid een kenmerk van alle mensen is, van de mens in het algemeen.

Een categoriaal lidwoord is een onbepaald lidwoord dat betrekking heeft op een hele categorie.

  • Hij is niet bang voor een slang

Uiteraard slaat dit niet op één specifieke slang, maar op de hele slangencategorie (Hij is niet bang voor slangen).

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Begrippenlijst
  2. Nicoline van der Sijs, Dialectatlas van het Nederlands, Amsterdam 2011, elfde druk, p. 73
  3. H. Coppé: Nederlandsche spraakkunst in drie leergangen voor de middelbare scholen, colleges, athenea en normaalscholen, Brugge 1920, achtste druk, p. 14 en 15.