Geslacht (Nederlands)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zie het artikel Dit artikel gaat over woordgeslacht in de Nederlandse taal. Voor een algemene bespreking van het taalkundige geslacht, zie Geslacht (taalkunde).

Het taalkundige geslacht (ook wel woordgeslacht genoemd, of met een Latijnse term genus, meervoud genera) kan worden gedefinieerd als de eigenschap van een naamwoord om bijbehorende woorden in de zin te beïnvloeden. Zulke beïnvloedende woorden die geslacht kennen, worden hierna als "hoofdwoord" genoemd. In het Nederlands zijn het zelfstandige naamwoorden en persoonlijke voornaamwoorden.

Achtergrond[bewerken]

Het Nederlands kent van oudsher een driegenerasysteem, dat wil zeggen drie grammaticale geslachten. Het paradigma van de bepaalde lidwoorden bestaat uit twee vormen, de en het, waarvan de eerste voorkomt bij woorden die traditioneel 'mannelijk' en 'vrouwelijk' genoemd worden (de man/vrouw), en de tweede bij woorden van het onzijdige geslacht (het kind).

  • de dienst is mannelijk: De dienst heeft zijn nut ruimschoots bewezen. De bijbehorende persoonlijke voornaamwoorden zijn hij (onderwerpsvorm) en hem (voorwerpsvorm).
  • de overkapping is vrouwelijk: De overkapping heeft haar nut ruimschoots bewezen. De bijbehorende persoonlijke voornaamwoorden zijn zij (onderwerpsvorm) en haar (voorwerpsvorm).
  • Bij onzijdige woorden hoort, net als mannelijke woorden, het bezittelijk voornaamwoord zijn, naast het persoonlijk voornaamwoord het: Het project loopt op zijn einde.

Met name het Noord-Nederlands vertoont thans echter kenmerken van een common gender, waarin mannelijk en vrouwelijk neigen tot samenvallen. Er wordt dan wel gesproken van commuun geslacht of commuun genus:

  • de overdaad is commuun: De overdaad heeft zijn / haar negatieve uitwerking op de kinderen natuurlijk niet gemist. Dit soort woorden wordt veelal eenvoudig aangeduid als de-woorden of commuun woorden.

In het Nederlands geeft de geslachtsbepaling dan ook geregeld aanleiding tot verwarring en twist. Moedertaalsprekers uit het noorden van het Nederlandse taalgebied – in tegenstelling tot sprekers uit het zuiden van het taalgebied – herkennen de geslachten vaak niet, ook als er een regel is dat een woord tot hetzij het vrouwelijk, hetzij het mannelijk genus behoort. Die regels moeten door de taalgebruikers dus uit het hoofd worden geleerd of worden opgezocht; anders kunnen de taalgebruikers ze niet toepassen. Vaak wordt ook een woordenboek of het Groene Boekje geraadpleegd. Spontane beheersing valt evenmin te verwachten als bij het gebruik van een vreemde taal, en in het gesproken Nederlands worden al helemaal andere spreekgewoonten aangetroffen.

Naast deze tegenstelling tussen noordelijk en zuidelijk Nederlands speelt ook die tussen spreek- en schrijftaal. In het noorden van het Nederlandse taalgebied hadden in de spreektaal eerder alleen overduidelijk vrouwelijke naamwoorden nog haar als bezittelijk voornaamwoord, in het zuiden hebben meer naamwoorden dat. In de Noord-Nederlandse schrijftaal wordt verder, op grond van voorschriften zoals die in het Groene Boekje, strakker vastgehouden aan de geslachtsindeling dan het geval is in de spreektaal. Bij commuun woorden kan in de schrijftaal vrij worden gekozen; de Nnl. spreektaal gebruikt in dit geval z'n, de Znl. haar, maar ook wel z'n.

Mensen die het Nederlands pas op latere leeftijd als tweede taal leren, ondervinden nog grotere moeite met het bepalen van het onderscheid tussen de geslachten.

In de geschiedenis van de Nederlandse taalkunde is lange tijd geprobeerd het onderscheid tussen het mannelijk en het vrouwelijk geslacht, dat in de informele spreektaal niet overal langer bestond, overeind te houden. Het op papier vastleggen van de Nederlandse woordenschat in de 19e eeuw (het Woordenboek der Nederlandse Taal of WNT) en de standaardisering van de spelling brachten met zich mee dat vastgesteld moest worden welk geslacht de zelfstandige naamwoorden in het Nederlands hadden (in de voorgestelde spelling van De Vries en Te Winkel werd het bepaalde lidwoord bij een 'mannelijk' object.[noten 1] als den en bij een 'vrouwelijk' object als de geschreven). Zo werd de geslachtskwestie een belangrijk element in de spellingstrijd die leidde tot de spellingswijziging van 1947. In woordenboeken wordt ook nu nog per woord aangegeven of het mannelijk en/of vrouwelijk en/of onzijdig is, waarbij wordt vastgehouden aan de door de Taalunie voorgeschreven richtlijnen die beschreven staan in het Groene Boekje.

1rightarrow blue.svg Zie verder #Nieuwe ontwikkelingen

Typologie in het Nederlands[bewerken]

Uit het bovenstaande volgt dat de regel dat een zelfstandig naamwoord of als zodanig gebruikt woord mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is dan wel meerdere geslachten heeft, het beste als volgt kan worden geïnterpreteerd: "Volgens de voorschriften van grammatici is dit woord in de schrijftaal vrouwelijk (of ... )" Die voorschriften volgen hieronder.

Woorden van het commuun geslacht[bewerken]

Tot de woorden die zowel vrouwelijk als mannelijk zijn behoren de volgende categorieën:

  • De meeste namen van tastbare voorwerpen die oorspronkelijk uitsluitend vrouwelijk waren: bank, kast, naald, pijp, brug.[noten 2] In het Noord-Nederlands verbindt men bij deze categorie in de regel mannelijke verwijswoorden aan bijvoorbeeld "de bank", terwijl men in het zuiden iets vaker haar, ze zegt en schrijft: Staat de bank in de weg? Schuif ze (Zuid-Nederlands) / hem (Noord-Nederlands) dan maar even opzij.
  • Algemene aardrijkskundige aanduidingen (behoudens namen van individuele steden enz.; zie hieronder): stad, rivier
  • Namen van hemellichamen: planeet, maan, ster.
  • Persoonsnamen die voor mannen en vrouwen kunnen worden gebruikt: baby, deugniet, arts, babbelkous. Hieronder vallen ook zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoorden en voltooide deelwoorden: zieke, blinde, betrokkene, gewonde

Woorden van het vrouwelijk geslacht[bewerken]

Een aantal naamwoorden in het Nederlands zijn, ongeacht de invloed van een streektaal, in de verzorgde geschreven taal altijd vrouwelijk. Tot deze woorden behoren de volgende categorieën:

  • Woorden met de inheemse achtervoegsels
-heid, -nis, -schap: waarheid, kennis, beterschap (woorden op -schap kunnen ook onzijdig zijn);
-de, -te: "liefde, diepte";
-ij, -erij, -arij, -enij en -ernij: voogdij, bedriegerij, rijmelarij, artsenij, razernij;
-ing, -st achter een werkwoordstam: beschaving, wandeling, winst, kunst, komst (dienst en angst zijn echter mannelijk).
  • Woorden met de uitheemse achtervoegsels of elementen
-ie, -tie, -logie, -sofie, -agogie: familie, politie, biologie, filosofie, demagogie (maar kanarie is van een andere orde en dus mannelijk);
-iek, -ica: muziek, logica (maar lambiek is mannelijk; geen uitgang op -iek);
-theek, -teit, -iteit: discotheek, puberteit, subtiliteit;
-tuur, -suur: natuur, censuur;
-ade, -ide, -ode, -ude: tirade, planetoïde, periode, amplitude;
-age, -ine, -se: tuigage, discipline, analyse;
-sis, -xis, -tis: crisis, syntaxis, bronchitis.
  • Aanduidingen van vrouwelijke personen en dieren: tante, nicht, merrie, teef, kip. Het biologische geslacht van datgene waaraan wordt gerefereerd is doorgaans gelijk aan het grammaticaal geslacht.
    • Soms worden aanduidingen van mannelijke personen vrouwelijk gemaakt (gemoveerd) door middel van een suffix: dievegge, verpleegster, koningin.
    • Er zijn binnen deze groep enkele uitzonderingen die onzijdig zijn. Dit zijn veelal woorden met een bepaalde connotatie: wijf, vrouwmens, meisje.

Woorden van het mannelijk geslacht[bewerken]

Een aantal woorden is ongeacht de streek mannelijk. Tot deze woorden behoren de volgende categorieën:

  • Woorden met de achtervoegsels -aar, -aard, -er, -erd: leugenaar, dronkaard, bakker, engerd (baker behoort tot niet deze klasse en is vrouwelijk);
  • Zelfstandig gebruikte werkwoordstammen: bloei, dank, groei, schrik, slaap, raad
  • Enkele woorden met het achtervoegsel -dom die niet onzijdig zijn: rijkdom, ouderdom
  • Aanduidingen van mannelijke personen en dieren: oom, neef, dief, verpleger, hengst, reu, haan;
  • Namen van dagdelen (dus ochtend, middag enz. en het woord dag zelf)
  • Alle boomnamen, behalve linde en tamarinde.
  • Een groep losse woorden waarbij de TU alleen de duiding m geeft; hiervoor bestaan geen vaste regels.

Onzijdige woorden[bewerken]

Tot de onzijdige woorden behoren de volgende categorieën:

  • Alle verkleinwoorden: briefje, bloempje, lammetje
  • Werkwoordstammen met de voorvoegsels be-, ge- en ont-: beraad, gedoe, ontslag
  • Gesubstantiveerde werkwoorden : het zwemmen, het denken, het eten
  • Afleidingen van het type ge- + ... + -te: gebergte, gehemelte
  • De meeste namen van bedrijven die als zelfstandig naamwoord zijn gebruikt:
    Het noodlijdende Vitality bv moest zijn divisie Apparatuur afstoten.
  • De meeste geografische namen, dus namen van werelddelen, eilanden, landen, steden etc., en geografische entiteiten die een bestuurlijke eenheid vormen of vormden: Europa, Ambon, Engeland, Brussel, Lombardije. Enkele uitzonderingen op deze regel: de Verenigde Staten, de Nederlanden (dit zijn twee pluralia tantum), de Sovjet-Unie.
  • Woorden met de achtervoegsels -isme, -asme, -gram (niet kilogram), -ment, -sel, -um (uitgezonderd de datum, de patrolium); het boeddhisme, het orgasme, het monogram, het segment, het omhulsel, het continuüm
  • De meeste woorden met de achtervoegsels -dom en -schap: mensdom, christendom, genootschap, landschap, meesterschap
  • Werkwoorden die worden gebruikt als zelfstandig naamwoord: "het lopen, het waterdragen"
  • Een aantal losse woorden en bijbehorende afleidingen (bijvoorbeeld internet)
  • Namen van talen: het Frans, het Engels, het Duits enz.
  • Namen van windrichtingen: het noorden, het zuiden, het oosten, het westen
  • Namen van sporten: het voetbal, het handbal

De en het[bewerken]

Sommige woorden kunnen optreden als het-woord, maar ook als de-woord, al dan niet met verschil in betekenis: het/de eigendom, het/de subsidie, het/de soort het/de bocht.

Letterwoorden[bewerken]

Bij het bepalen van het geslacht van samenstellingen en letterwoorden geldt het geslacht van het kernwoord als basis. In bijvoorbeeld Partij van de Arbeid", ""Europese Unie", "Vereenigde Oostindische Compagnie" zijn de kernwoorden vrouwelijk, daarom worden de afkortingen PvdA, EU en VOC eveneens als vrouwelijk behandeld. "Verenigde Staten" is een plurale tantum, dus is de afkorting VS dat volgens de regels ook.

Biologisch en taalkundig geslacht[bewerken]

Indien een woord op grond van zijn betekenis noodzakelijkerwijs een bepaald biologisch geslacht aangeeft, is het grammaticale geslacht daarmee veelal in overeenstemming. Dit geldt specifiek voor namen van mensen en dieren. Noodzakelijk vrouwelijk zijn woorden als

  • vrouw, moeder, tante, dochter
  • teef, koe, ooi

Noodzakelijk mannelijk zijn bijvoorbeeld:

  • man, vader, oom, zoon
  • reu, stier, ram

Daarbij komt nog een groep woorden die op grond van hun vorm een vrouwelijke markering bezitten: lerares, directrice, waardin, dievegge. Daar staan ongemarkeerde woorden tegenover – leraar, directeur, waard, dief –, die traditioneel mannelijk zijn, maar juist door hun ongemarkeerdheid zowel personen van het vrouwelijk als van het mannelijk geslacht kunnen aanduiden, en zich ook grammaticaal voegen naar het aangeduide geslacht: De directeur ligt nu al maanden overhoop met zijn / haar staf. Om eventuele verwarring of de indruk van een fout gebruik te voorkomen, kan men de gemarkeerde vrouwelijke versies van deze woorden gebruiken: lerares, directrice, waardin, dievegge.

Persoons- en dieraanduidingen kunnen echter ook onzijdig zijn. Dit komt vooral voor als de aangeduide persoon wordt ervaren als klein:, en indien er voor een dier een mannelijke, een vrouwelijke, maar daarnaast ook een "overkoepelende" term bestaat:

  • meisje, jongetje, ventje, dochtertje (alle verkleinwoorden)
  • kind, wicht
  • schaap (naast ooi v. en ram m.), rund

Betreft het hier personen, dan richten het persoonlijk en het bezittelijk voornaamwoord zich naar het biologisch geslacht:

  • Het meisje had haar knie geschaafd, maar ze was er niet van onder de indruk.
  • Dat mispunt denkt dat hij maar alles kan doen waar hij zin in heeft.

Persoon in het algemeen[bewerken]

Soms wordt in een tekst over een persoon in het algemeen hij/zij (of "hij of zij") gebruikt, en analoog hem/haar en zijn/haar. In andere gevallen wordt alleen de mannelijke vorm gebruikt. Bij een formele regeling staat soms een bepaling zoals "waar hij/hem/zijn staat wordt ook zij/haar bedoeld".

De Aanwijzingen voor de regelgeving schrijven voor dat zulke combinaties van aanduidingen van mannen en vrouwen niet worden gebruikt. In de praktijk wordt dan ook in de meeste officiële regelingen hij/hem/zijn gebruikt.

Voorbeeld:

  • Nederlands Burgerlijk Wetboek, Boek 1, artikel 35, lid 1: Een minderjarige mag geen huwelijk aangaan zonder toestemming van zijn ouders.
  • Wetboek van Strafrecht art. 461: Hij die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, zich op eens anders grond waarvan de toegang op een voor hem blijkbare wijze door de rechthebbende is verboden, bevindt of daar vee laat lopen, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.

Uitzondering:

  • Nederlands Burgerlijk Wetboek, Boek 1, artikel 5, lid 9, tweede zin: Hetzelfde geldt indien één van de ouders wegens geestelijke stoornis onder curatele staat dan wel indien ten aanzien van hem of haar een

mentorschap bestaat.

Congruentie[bewerken]

Zelfstandig naamwoord[bewerken]

De woordsoorten die beïnvloed kunnen worden, zijn de bijvoeglijke naamwoorden, de voornaamwoorden, het bepalend lidwoord en enkele betrekkelijke voornaamwoorden:

  • bijvoeglijke naamwoorden krijgen soms een buigings-e als uitgang; dit wordt bepaald door het geslacht van het hoofdwoord (het geslacht van het zelfstandig naamwoord):
een groen boek (boek is een het-woord)
een groene krant (krant is een de-woord)
een goede man/vrouw tegenover een goed kind

Er zijn hier dus maar twee verschillende vormen.[noten 3]

  • voornaamwoorden worden in de schrijftaal zodanig gekozen dat zij het geslacht van het hoofdwoord weerspiegelen.
De regering heeft haar besluit herzien, nadat zij hernieuwd advies had ingewonnen.
De raad heeft zijn besluit herzien, nadat hij hernieuwd advies had ingewonnen.
Het college heeft zijn besluit herzien, nadat het hernieuwd advies had ingewonnen.

Daarnaast bestaan in verouderd Nederlands en in staande uitdrukkingen nog de genitiefvormen der (vrouwelijk, commuun en meervoud) en des (mannelijk, onzijdig) met dezelfde betekenis als "van de".

In naam der wet. (commuun)
De vader des vaderlands
  • De betrekkelijke voornaamwoorden wiens (m.) en wier (v.) richten zich naar het geslacht van hun hoofdwoord, het antecedent in de hoofdzin. Het gebruik van deze verwijswoorden beperkt zich hoofdzakelijk tot de schrijftaal.
De burgemeester, op wiens gezag ik u dit in vertrouwen meedeel, zal over een week zijn ontslag aanbieden. (Blijkbaar is de burgemeester een man.)
De directrice, op wier gezag ik u dit in vertrouwen meedeel, zal over een week haar ontslag aanbieden.

Diagnostiek[bewerken]

Bijvoeglijk naamwoord, persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord en bepalend lidwoord variëren dus in hun vorm, al naargelang van het geslacht van het hoofdwoord. Deze variaties kunnen in een schema als volgt worden weergegeven:

bijvoeglijk naamwoord
na onbep. lidwoord
persoonlijk voornaamwoord, onderwerp
enkelvoud
persoonlijk voornaamwoord, voorwerp
enkelvoud
bezittelijk voornaamwoord
enkelvoud
bepalend lidwoord

bij mannelijk hoofdwoord
(auto)
buigings-e:
een groene auto
hij
Hij rijdt hard.
hem
Ik zie hem.
zijn
Zijn banden zijn versleten.
de
de groene auto
bij vrouwelijk hoofdwoord
(fabriek)
buigings-e:
een groene fabriek
zij/ze
Zij staat leeg.
haar/ze
Ik zie haar.
haar
Haar vertrekken staan leeg.
de
de groene fabriek
bij onzijdig hoofdwoord
(land)
geen buigings-e:
een groen knollenland
het
Het herbergt twee haasjes.
het
Ik zie het.
zijn
Zijn knollen zijn aangevreten.
het
het groene knollenland

Er blijkt dus in het huidige Standaardnederlands weinig vormverschil te zijn tussen het mannelijk en het vrouwelijk geslacht, afgezien van de voornaamwoordelijke verwijzing.[noten 4] Nederlandstaligen leren sedert het verschijnen van het Groene Boekje in 1995 alleen nog het verschil tussen de-woorden en het-woorden. Het onderscheid tussen "mannelijk de" en "vrouwelijk de" is met de spellingwijziging van 1948 ook uit de geschreven taal verdwenen.[noten 5].[noten 6]

Historie der geslachten[bewerken]

Omdat een onmiddellijk evident geslacht dus vaak ontbreekt, hebben taalgeleerden door de eeuwen heen getracht van ieder woord het geslacht te "reconstrueren". Zij spanden zich in het "oorspronkelijke" geslacht van woorden te achterhalen, maar stuitten daarbij op een aantal problemen.

  • Het begrip "oorspronkelijk" is in de praktijk nauwelijks bruikbaar. Men kan teruggaan tot een oudere taalfase, maar dat is nooit de oorspronkelijke; er ligt altijd weer een fase achter, verder terug in de tijd.
  • Vroegere taalfasen zijn gebrekkig bekend. Zo zijn van het Oudnederlands maar enkele teksten overgeleverd, en de wortels van vele woorden verdwijnen aldus in de nevelen van de tijd.
  • Woorden kunnen van geslacht veranderen. Hulpmiddelen bij de geslachtsreconstructie zijn het redeneren vanuit analogie met vergelijkbare woorden.

In eerdere fasen van het geschreven Nederlands kwamen nog verbogen vormen als den en der voor, waardoor mannelijk en vrouwelijk ook qua vorm duidelijk van elkaar te onderscheiden waren. Met het verdwijnen van deze naamvalsuitgangen werd ook het onderscheid mannelijk/vrouwelijk echter ondoorzichtig.

Regionaal gebruik[bewerken]

Een aantal dialecten van het Nederlands maakt door middel van de lidwoorden nog wel onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk, wat blijkt uit verschillende lidwoorden en de verbuiging van bijvoeglijke, aanwijzende, bezittende en ontkennende naamwoorden.. In Vlaanderen bijvoorbeeld is het onbepaald lidwoord bij mannelijke woorden "ne(n)", en een dergelijk onderscheid bestaat eveneens in veel dialecten van het Limburgs. In de Brabantse dialecten is het onbepaald lidwoord bij mannelijke woorden ne(n), bij vrouwelijke een, en bij onzijdige e en het bepaald lidwoord respectievelijk de(n), de en het. Ook worden in de Zuid-Nederlandse spreektaal alledaagse voorwerpen die historisch vrouwelijk zijn (het betreft hier de woorden die in de laatste 2 edities van het Groene Boekje als "m en v" worden aangeduid, zoals kast en deur) nog vaak als vrouwelijk aangeduid, al neemt ook hier de neiging tot het vervangen van "zij" en "haar" door "hij" en "hem" in de standaardtaal toe.

Het behoud van de driedeling hier stamt voort uit accusativisme. In het Middelnederlands was het onderscheid tussen de geslachten sterk dankzij het naamvalstelsel. Bij het verdwijnen van de naamvallen namen de oude accusatief- en datiefvormen in Holland de nominatiefvorm aan (nominativisme). Deze vorm maakt geen onderscheid maakt tussen mannelijke en vrouwelijke woorden (bijvoorbeeld voor het bepaald lidwoord; mannelijk: de, en vrouwelijk: de). In Brabant namen de oude nominatief- en datiefvormen de accusatiefvorm aan. Deze vorm maakt wel een onderscheid tussen beide geslachten (bijvoorbeeld; mannelijk: den, en vrouwelijk: de).

Nieuwe ontwikkelingen[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook Haar-ziekte (taal)

Ook bij woorden die officieel als mannelijk of vrouwelijk worden aangemerkt (zie verderop), wordt dit geslacht niet altijd gevolgd, noch in de spreektaal, noch in de schrijftaal. Zo komen zinnen voor als de volgende:

  • Het duurt lang voordat een taalverandering zijn beslag heeft gekregen. (verandering is v.)
  • De raad is op haar besluit teruggekomen. (raad is m.)

Maar ook onzijdige woorden, die toch herkenbaar zijn aan het lidwoord het, leveren problemen op bij het gebruik van de voornaamwoorden. De laatste jaren is er in versneld tempo ook in de schrijftaal een tendens op te merken: steeds vaker wordt een (onterechte) vrouwelijke voornaamwoordelijke aanduiding gebruikt in plaats van de (correcte) mannelijke of onzijdige. Zo komen zinnen voor als:

  • Het reizende theatergezelschap zal hier voor het eerst haar tenten opzetten. (voorgeschreven is: zijn tenten)
  • Het waterschap is gereorganiseerd, maar toch kan zij haar taken niet aan. (voorgeschreven is: het zijn taken)

Hetzelfde gebeurt bij namen van plaatsen en landen, die volgens de regels altijd onzijdig zijn:

  • Europa heeft haar lageropgeleiden uitgesloten. (voorgeschreven: zijn lageropgeleiden)

Bij deze nieuwe ontwikkeling wordt het onderscheid mannelijk/vrouwelijk in wezen dus nog steeds gemaakt, maar niet meer volgens de traditionele voorschriften van instanties als de Taalunie. In plaats daarvan krijgen bepaalde volgens de traditionele regels onzijdige zelfstandige naamwoorden nu een vrouwelijke verwijzing.

Anderzijds krijgen de-woorden die geen vrouwelijk wezen aanduiden vaak consequent een verwijzing met hij en zijn, ook wanneer ze door de Taalunie en in de Van Dale als v zijn aangeduid. Het laatstgenoemde verschijnsel ("masculinisering") manifesteert zich met name in de Noord-Nederlandse spreektaal.

Een derde verschijnsel dat het genus in de spreektaal betreft is dat de onzijdige verwijswoorden het, dit en dat geregeld ook worden gebruikt om naar zijdige substantieven (dus naar de-woorden) te verwijzen.