Verkleinwoord

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een verkleinwoord of diminutief is een woord waarvan de uitgang aangeeft dat het begrip dat ermee wordt aangeduid als klein moet worden gezien.

  • hond - hondje (= kleine hond)
  • huis - huisje (= klein huis)

Zelfstandig naamwoord[bewerken]

In het Nederlands wordt een verkleinwoord gevormd door achter het woord een suffix van het type -je, -tje, -mpje, -pje of -etje toe te voegen. In het Zuid-Nederlands zijn dit -kje, -ke, eke, -ske of -ie, afhankelijk van het naamwoord. Ook in Noord-Nederlandse dialecten die beïnvloed zijn door het Fries komen deze laatste vormen voor.

  • duimpje
  • kastje
  • huisje

Een verouderde uitgang is -lijn, zoals in vogelijn, wat men in poëzie nog wel eens tegenkomt.

In het Nederlands zijn alle verkleinwoorden onzijdig.

Bijvoeglijk naamwoord/bijwoord[bewerken]

Niet alleen zelfstandige naamwoorden kunnen worden verkleind, ook bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden. Het bijvoeglijk naamwoord wordt door de verkleining echter zelfstandig. Een bijwoord blijft bijwoordelijk. Opvallend is dat er dan een -s wordt toegevoegd.

  • bijvoeglijk naamwoord:
    • groen - groentje (hij is nog maar een groentje)
    • blauw - blauwtje (een blauwtje lopen)
  • bijwoord:
    • groen - groentjes (je ziet er groentjes uit)
    • zacht - zachtjes (zachtjes praten)
    • stil - stilletjes (hij is er stilletjes vandoor gegaan)

Verschillende betekenis[bewerken]

Sommige woorden hebben twee verkleinwoorden, elk met een eigen betekenis.

Verkleinwoorden zonder stamvorm[bewerken]

Er zijn ook verkleinwoorden die alleen als zodanig voorkomen. Er bestaat geen vorm zonder -je of die vorm is ongebruikelijk.

  • akkefietje
  • sneeuwklokje
  • sprookje
  • theelichtje
  • poffertje(s)

Hetzelfde geldt voor verkleinwoorden in bepaalde staande uitdrukkingen, zoals 'kooltje vuur' en 'boontje komt om zijn loontje'.

Aparte betekenis[bewerken]

Soms krijgt een verkleinwoord een eigen betekenis, los van het niet verkleinde woord.

  • tien (= getal)
    tientje (= geld)
  • ongeluk (= pech, of erger)
    ongelukje (= ongewenste zwangerschap)
  • Afrikaan (= iemand uit Afrika)
    afrikaantje (= een plantensoort)
  • spion (= iemand die spioneert)
    spionnetje (= spiegel aan de buitenkant van een raam)
  • maan (= hemellichaam)
    maantje (= het wit van je nagel)
  • meid (=dienstbode)
    meisje (=jonge vrouw)
  • kaart (= plattegrond, landkaart)
    kaartje (= toegangsbiljet)
  • viool (= muziekinstrument)
    viooltje (= bloem)

Geen verkleining[bewerken]

Een verkleinwoord hoeft niet altijd letterlijk op een verkleining te duiden:

  • buik - buikje (eufemisme: als van iemand gezegd wordt dat hij een buikje heeft, wordt bedoeld een dikkere buik dan wat gewoon wordt geacht).
  • nummer - nummertje (taboe omzeilend: nummertje betekent o.a. geslachtsgemeenschap)
  • slipper - slippertje (eufemisme voor vreemdgaan).

Belangrijker is nog, dat verkleinwoorden vaak een affectieve functie hebben.

Andere talen[bewerken]

Duits[bewerken]

In het Duits eindigen de verkleinwoorden meestal op -chen (het equivalent van -je) of op -lein, wanneer het grondwoord op /ç/ of /χ/ eindigt. Zo is het gebruikelijke verkleinwoord van 'Baum' Bäumchen, maar moet dat van 'Strauch' altijd Sträuchlein zijn; dit ter vermijding van een dubbele ‘ch’-klank. In het algemeen worden in het Duits minder frequent verkleinwoorden gebruikt dan in het Nederlands, maar hun gebruik is in principe steeds morfologisch mogelijk. Vaak kan een verkleinwoord een humoristisch effect hebben. De regel is dat een verkleinwoord waar mogelijk altijd een umlaut teweegbrengt. Dit is namelijk een productieve regel, die ook op nieuwvormingen wordt toegepast.

  • Fuchs - Füchschen (/'fʏksçən/)
  • Buch - Büchlein
  • Ball - Bällchen
  • Bach - Bächlein
  • Knopf - Knöpfchen
  • Koch - Köchlein
  • Bauer - Bäuerchen (/'bɔɪəɐçən/)
  • Hallo! - Hallöchen! (ironisch gebruikt)

Waar umlaut niet mogelijk is, volgt eenvoudigweg een aanhechting van -chen of -lein. De klinker waarop umlaut wordt toegepast, bevindt zich best zo dicht mogelijk bij het verkleinende suffix: Gärtenchen en Äbendchen bijvoorbeeld klinken hoogst ongewoon en zullen doorgaans een ironisch effect hebben. Om poëtische of prosodische redenen kan men -lein gebruiken waar het normalerwijze -chen zou zijn — omgekeerd echter niet.

  • Die Vögelein schweigen im Walde. (Goethe)

Ongebruikelijk is umlaut bij eigen- of koosnamen: Hugochen, Mariachen en Jungchen zijn gangbaar, Hugöchen, Mariächen en Jüngchen hebben een humoristische uitwerking.

Afrikaans[bewerken]

Het Afrikaans, dat uit het 17e-eeuwse Nederlands is voortgekomen, is bijna identiek aan het Nederlands in het gebruik van verkleinwoorden. De meest opvallende verschillen zijn dat Afrikaanse verkleinwoorden op -ie eindigen in in plaats van -e zoals in het Nederlands (vergelijk: "bietjie" en "beetje", "mandjie" en "mandje") en dat in het Afrikaans bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden geen verkleinwoorden kennen. Verkleinwoorden worden zeer vaak gebruikt in Afrikaans, nog vaker dan in het Nederlands.

Frans[bewerken]

In het Frans eindigen de verkleinwoorden op -et of -ette.

Spaans[bewerken]

In het Spaans eindigen de verkleinwoorden onder meer op -ito/-ita of -illo/-illa. Soms wordt een c tussengevoegd: Carmencita.

Ook bijvoeglijke naamwoorden kunnen verkleind worden: pequeñito (letterlijk kleintjes). Het woord bonito (leuk) is een versteende verkleinvorm van bueno (goed).

Engels[bewerken]

In het Engels wordt weinig gebruik gemaakt van verkleinwoorden. De meeste verkleinwoorden zijn versteende vormen. De (bij benadering) zes achtervoegsels die als formans voor een verkleinwoord kunnen optreden, zijn meestal niet productief (er kunnen geen nieuwe woorden meer mee worden gemaakt), en daarom valt vol te houden dat het Engels de minste verkleinwoorden heeft van alle West-Germaanse talen. Het gebruik ervan neemt bovendien in hedendaags Engels nog af. Diminutieven worden gevormd met:

  • -let De betekenis is doorgaans "klein, van weinig belang": bijvoorbeeld booklet, rivulet (van river), starlet ("[film]sterretje").
  • -ette De betekenis is "klein, gedrongen, weinig omvangrijk": bijvoorbeeld cigarette (van cigar), kitchenette.
  • -y (in sommige gevallen gespeld als -ie, een oorspronkelijk Schotse orthografie). De betekenis kan diminutief zijn, met name wanneer deze uitgang achter eenlettergrepige namen wordt gevoegd: bijvoorbeeld Johnnie, Annie. Vaak is er echter slechts een connotatie van gemeenzaamheid of vertedering: dearie, cabbie ("taxichauffeur", van cab "taxi"), daddy, nighty "nachtpon".
  • -ling De betekenis is diminutief in sommige plant- en diernamen: bijvoorbeeld duckling "jong eendje"; sapling "jong boompje", van sap; gosling "jong gansje", van goose.
  • -kin De betekenis is verkleinend, bijna steeds in Nederlandse leenwoorden (manikin "ledenpop", catkin "wilgenkatje", maar van het Nederlandse katteken "katje, poesje").
  • -le De betekenis is "klein": bijvoorbeeld beetle (van "to bite", een kever werd dus als bijtertje gezien), handle "handvat".

Deze achtervoegsels worden doorgaans toegevoegd aan zelfstandige naamwoorden, maar ook andere woordsoorten komen in aanmerking (dearie, weakling - bijvoeglijke naamwoorden; underling "handlanger" - bijwoord of voorzetsel en beetle is verwant aan een werkwoord). Dit resulteert in een verkleinwoord dat uiteraard weer wél een zelfstandig naamwoord is.

Van deze zes achtervoegsels is eigenlijk alleen -y / -ie nog productief: met de andere uitgangen worden geen nieuwe vormen meer gemaakt, tenzij om een komisch of anderszins opvallend effect te bereiken. De meeste van deze achtervoegsels kunnen overigens ook een andere werking hebben dan een verkleinende: -ette kan het vrouwelijk geslacht aanduiden, -ling drukt soms minachting uit, -y familiariteit.

Zie ook[bewerken]