Neologisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een neologisme of nieuwvorming is een taalelement dat nieuw is in een taal. Hoewel het om elementen van zinsbouw of klank kan gaan, wordt deze aanduiding over het algemeen gebruikt voor woorden – meer in het bijzonder inhoudswoorden – en niet voor woordgroepen en/of zinsdelen. In het algemeen worden neologismen in ruime zin onderscheiden van neologismen in enge zin:

  • Een neologisme in ruime zin is ieder nieuw taalelement, of dat nu aan een andere taal is ontleend dan wel geheel nieuw is. Het Instituut voor Nederlandse Lexicologie bijvoorbeeld hanteert deze definitie van het begrip neologismen; het rekent alle nieuwe woorden tot de neologismen, dus ook nieuwe ontleningen. [1]
  • Een neologisme in enge zin is een nieuw taalelement dat niet aan een andere taal ontleend is. In dit artikel wordt van deze laatste definitie uitgegaan, en het beperkt zich tot woorden die nieuw zijn. Voorts beperkt de analyse zich voornamelijk tot het Nederlands.

Woordenschat[bewerken]

De woordenschat van de taal ofwel het lexicon valt onder te verdelen in drie segmenten: [2]

  • erfwoorden, die nog rechtstreeks vallen te herleiden tot vormen zoals die van het Proto-Indo-Europees, de gereconstrueerde voorouder van het Nederlands
  • ontleningen, woorden geleend uit een andere taal, en al dan niet veranderd van vorm
  • neologismen, geheel nieuw gevormde woorden, hetzij voor nieuwe begrippen, hetzij om een bestaand woord voor een bestaand begrip te vervangen door een nieuw woord.

Terwijl de voorraad erfwoorden in een taal vrijwel vastligt, kunnen ontleningen en nieuwvormingen op ieder moment plaatsvinden. Vaak vinden zij echter geen inburgering in de woordenschat: een ontlening blijft dan een zelden of nooit gebruikt barbarisme, een nieuwvorming vindt eenmalig toepassing. Iedere taalgebruiker kan ontleningen en nieuwvormingen invoeren, maar geen enkele taalgebruiker kan ze aan de gemeenschap opdringen. De tijd leert of het woord daadwerkelijk aanslaat.

Wanneer een woord tijdelijk ingang vindt om daarna weer snel uit het dagelijkse taalgebruik verdwijnt, spreken we van een modewoord of "eendagsvlieg". Het gaat in dit verband vaak om woorden gebaseerd op gebeurtenissen die even voorpaginanieuws waren. Recente voorbeelden hiervan in het Nederlands zijn elfseptembereffect en Bokitoproof.

Oude en nieuwe neologismen[bewerken]

Echte neologismen zijn er maar heel weinig in de woordenschat: hun aantal is veel kleiner dan dat van de ontleningen. Maar door de eeuwen heen hebben zij zich wel voorgedaan, en er valt waarschijnlijk verband te leggen tussen de culturele opvattingen in een periode en de veelvuldigheid van nieuwvorming.
Hieruit volgt een tweevoudige interpretatie van het woord neologisme:

  • het is een woord dat we nu nog als (ingeburgerde) nieuwigheid kunnen herkennen: ramptoerisme, opacriminaliteit en draaideurcrimineel zijn tamelijk nieuwe neologismen, óf
  • het is een woord dat weliswaar ooit nieuw gevormd werd, maar dat voor de huidige taalgebruiker niets nieuws meer heeft. Middellijn wás een neologisme in 1586, toen Simon Stevin de vorm middellini bedacht, net als veel andere wiskundige termen zoals driehoek, evenals het woord wiskunde zelf. [3]

Aanleiding voor neologismen[bewerken]

Er kunnen allerlei redenen of oorzaken ten grondslag liggen aan het ontstaan van nieuwvormingen in de taal. Hieronder volgen de belangrijkste.

Purisme[bewerken]

Een van de motieven om (bewust) een nieuwvorming te creëren is taalzuivering. Toen men er in de renaissance naar ging streven een standaardtaal te ontwikkelen, werden ook wetenschappelijke geschriften in die taal opgesteld. Voor veel begrippen waren er echter alleen woorden uit het Latijn of Grieks, en om de standaardtaal van die woorden te “zuiveren”, bedacht men neologismen. Ook Franse ontleningen in de taal van ambtenaren en Rederijkers wilde men vervangen. [4]

  • Simon Stevin verving mathematica of mathesis door de nieuwvorming wisconst (“de kunst van het zekere”), een woord dat zich later ontwikkelde tot wiskunst, wiskunde. Voor “politiek” gebruikte hij burgherlick. Andere neologismen die hij gebruikte (ghemeensake voor “republiek”, strijtreden voor “argument”), beklijfden niet. [5]
  • De oudste grammatica, met schrijvers als Hendrik Laurensz. Spiegel en Dirck Volkertsz. Coornhert, zocht naar inheemse benamingen voor taalkundige begrippen: “pluralis” werd meervoud, van “subiectum” maakte men onderwerp. Ook hier verwierven niet alle nieuwvormingen zich vaste voet in de Nederlandse taal: ghever voor “datief” verdween weer, evenals vele andere neologismen. [6]
  • Het in 1931 opgerichte Genootschap Onze Taal ageerde aanvankelijk vooral fel tegen germanismen, later en tot op de dag van vandaag tegen anglicismen. [bron?]

Nieuwe begrippen[bewerken]

Er kunnen zich nieuwe verschijnselen voordoen, met name in techniek, wetenschap en maatschappij. Zo is het nog tamelijk nieuwe woord computer een samenstelling van het Latijnse voorzetsel com (samen) en het Latijnse werkwoord putare (denken).

Neologismen die tot het jargon van de wetenschappers behoren zoals het bovengenoemde voorbeeld zijn in de regel niet tot het Nederlands beperkt, maar maken vanaf het eerste moment deel uit van de internationale woordenschat. Een van de weinige uitzonderingen vormt het Nederlandse woord obductie (afgeleid van het Latijnse ob-ducere) in de zin van lijkschouw.

Ook deze neologismen kunnen verouderen. Nu iedere consument in de eigen woning de mogelijkheid heeft voedsel in te vriezen, wordt er van de gehuurde diepvrieskluis niet meer gerept.

Nieuwe verschijnselen in de maatschappij kunnen tot nieuwe woorden aanleiding geven. Door de massamedia en het breed bezit van eigen vervoer kon het gebeuren dat mensen bij een catastrofe zelf ter plaatse wilden zijn om het gebeuren gade te slaan, en dit nieuwe verschijnsel kreeg de naam ramptoerisme. Bij een ongeluk op een autosnelweg ontstaan kijkfiles, doordat langzaam rijdende, nieuwsgierige automobilisten de doorstroming belemmeren.

Treedt bij dit samenvoegen van begrippen een verkorting op, zodat een deel van de oorspronkelijke woorden wordt weggelaten, dan kan het nieuwe woord aan zeggingskracht winnen. Een dergelijk woord heet portmanteau of kofferwoord. Een voorbeeld daarvan is infotainment, de samenvoeging van informatie en entertainment. Een ander voorbeeld is speletitie, een combinatie van spel en repetitie in het voortgezet onderwijs.

Gevoelsuitdrukkingen en vondsten[bewerken]

Letterkundigen kunnen de neiging hebben gevoelens en waarnemingen op een nieuwe manier uit te drukken, en een van de methoden daartoe is de vorming van nieuwe woorden. Vooral in het impressionisme en het post-impressionisme werd dit veel gedaan: [7]: Louis Couperus beschrijft Indonesische sawahs als spiegeltrappen, [8] P.C. Boutens spreekt van een carillon dat begint te rinkinken [9]. Zulke neologismen hebben dikwijls een eenmalig karakter en zijn dus hapaxen.

Ook is een neologisme niet zelden bedoeld als eufemisme. Dit was aanvankelijk het geval met het woord allochtoon, rond 1970 bedacht als positiever klinkend alternatief voor gastarbeider/buitenlander (het woord allochtoon is inmiddels zelf weer vervangen door medelander).

Daarnaast kunnen taalgebruikers, vooral als zij wat bekender zijn, met vondsten komen die ingeburgerd raken. Epibreren voor "ogenschijnlijk met iets belangrijks bezig zijn, maar in feite nietsdoen" van Simon Carmiggelt is een eigen leven gaan leiden. Daarnaast is minkukel een vondst van Marten Toonder. Het woord miesmuizer met de nevenvorm miezemuizer en het hiervan afgeleide werkwoord miezemuizen zijn gemunt door Annie M.G. Schmidt. Van Gerrit Komrij hebben we de treurbuis. Ook Kees van Kooten en Wim de Bie introduceerden tal van nieuwvormingen, waarvan er enkele daadwerkelijk in het Standaardnederlands zijn beland: positivo, doemdenken, [10].

Nieuwvorming[bewerken]

Verreweg de meeste neologismen zijn niet volstrekt nieuw maar samenstellingen, verbasteringen en/of acryologieën of afleidingen van reeds bestaande woorden. Vele neologismen worden afgeleid van klassieke voorvoegsels: pseudowetenschap, neoconservatieven.
Het gefantaseerde epibreren heeft een herkenbaar oud-Grieks voorvoegsel, het tweede deel is pseudo-Latijn. Doem-denken, ramp-toerisme zijn geheel Nederlandse samenstellingen. In andere gevallen zijn het quasi-uitheemse afleidingen zoals positivo, dan wel onomatopeeën, zoals rinkinken).
Soms gaat het om leenvertalingen: zo is onderwerp een letterlijk equivalent van “subiectum”; in andere gevallen is de vorm origineel (wiskunde: in “mathesis” komt niet het begrip “zeker” of “wis” voor, wel het begrip “kennen”).
Een speciaal geval vormen de nieuwvormingen die uit afkortingen zijn gevormd: Benelux, vutter, pinnen, MAVO, HAVO enz. [11]

Neologisme en leenwoord[bewerken]

De grens tussen een neologisme en een leenwoord is niet altijd even scherp. In de eerste plaats zijn er de bastaardvormen. Hoewel het woord chipknip als geheel een Nederlandse nieuwvorming is, bevat het toch een vreemdtalig (Engels) element: chip. En het woord stationcar is zelfs uit uitsluitend vreemdtalige elementen opgebouwd; niettemin moet het als een zuiver Nederlands neologisme worden beschouwd. Hetzelfde geldt uiteraard voor de categorie neologismen met Latijnse of Griekse voorvoegsels.

Van andere (relatieve) nieuwkomers is de etymologie onzekerder. Het bekendste voorbeeld is het woord fiets, dat door middel van syncope uit het Franse vélocipède zou kunnen zijn gevormd. Zeker is dat echter niet; het kan net zo goed een eponiem (afgeleid van de naam Viets) of dialectwoord zijn. Ook de etymologie van nozem is niet geheel zeker, al wordt wel aangenomen dat dit woord in de jaren 1920 aan het Bargoens werd ontleend. [12]

Neologismen in andere talen[bewerken]

Ook het Engels heeft sommige nieuwe woorden gecreëerd op basis van het Latijn, zoals mob, "menigte" (een verkorting van mobile vulgus). Het Frans heeft eigen termen bedacht voor e-mail, software en downloaden: courrier électronique (vaak verkort tot courriel), logiciel en télécharger.

Verwante begrippen[bewerken]

Een neologisme is het tegenovergestelde van een archaïsme.

Zie ook[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. Instituut voor Nederlandse Lexicologie: Neologismen
  2. Nicoline van der Sijs, Groot leenwoordenboek, Utrecht/Antwerpen 2005
  3. J. de Vries en F. de Tollenaere, Etymologisch woordenboek. Onze woorden, hun oorsprong en ontwikkeling, Utrecht 200725
  4. Marijke van der Wal en Cor van Bree, Geschiedenis van het Nederlands, Houten 20044:186 vv.
  5. Simon Stevin, Het burgherlick leven. Vita politica, Utrecht 2001 [Leiden 1590]
  6. Van der Wal en Van Bree, 186 vv.
  7. G.J. van Bork, H. Struik, P.J. Verkruijsse en G.J. Vis (red.), Letterkundig lexicon voor de neerlandistiek ([1]), s.v. "neologisme"
  8. Couperus, De stille kracht
  9. Boutens, “Sonnet L (Veere)”
  10. Ewoud Sanders, de uitdrukking Jemig de pemig! De invloed van Van Kooten en De Bie op het Nederlands , Amsterdam/Antwerpen 2000
  11. J.A. Meijers, Allerlei taalkwesties. Op de slingerpaden van onze taaltuin, Amsterdam 1959, s.v. “Nieuwe woorden”
  12. Meijers s.v. “Nieuwe woorden”; Rob Tempelaars, “Hebt gij bepaalde wenschen …”, in: F. Heyvaert et al., red., Het grootste woordenboek ter wereld. Een kijkje achter de kolommen van het woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), Den Haag/Antwerpen z.d. [1998]