Geslacht (taalkunde)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

In de taalkunde verwijst de term geslacht naar drie dingen:

Het aantal geslachten verschilt sterk van taal tot taal (van 0 tot ca. 20).

Terminologie[bewerken]

Geslacht is de Nederlandse vertaling van het Latijnse genus. Het verschijnsel dat het onderscheid tussen de woordgeslachten vervaagt en verdwijnt heeft in de taalkunde de Latijnse benaming commuun genus. Ook de Engelse term common gender wordt geregeld gebruikt. In het Nederlands heet het verschijnsel zijdig of gemeenschappelijk.

In sommige andere taalfamilies, zoals de Kaukasische talen en de Bantoetalen, worden de talrijke 'geslachten' niet benoemd maar genummerd.

Diachrone ontwikkelingen[bewerken]

De Indo-Europese talen kenden oorspronkelijk drie geslachten: mannelijk, vrouwelijk en onzijdig. In sommige van deze talen (waaronder het Nederlands, Engels, Fries en Deens) is het onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk geheel of grotendeels verdwenen en/of hoofdzakelijk beperkt tot de schrijftaal.

In de Romaanse talen is het onzijdige geslacht, dat in het Latijn nog bestond, verdwenen. Hier bestaan dus enkel aparte lidwoorden en uitgangen voor mannelijk en vrouwelijk. De meeste zelfstandige naamwoorden die in het Latijn onzijdig waren, hebben in de Romaanse talen het mannelijke geslacht gekregen.

Diagnostiek[bewerken]

Moedertaalsprekers van een taal leren vanzelf tot welk geslacht een woord behoort, en dus ook hoeveel geslachten er in hun taal bestaan. Taalkundigen hanteren daarnaast een formele procedure om het aantal geslachten te bepalen.

Het aantal geslachten in de grammatica van een taal wordt vastgesteld aan de hand van het aantal vormen in het paradigma van die elementen die qua geslacht met het zelfstandig naamwoord congrueren. In het Duits bijvoorbeeld heeft het bijvoeglijk naamwoord in de nominatief enkelvoud (maximaal) drie vormen die bij naamwoorden van verschillende klassen voorkomen (ein guter Mann, eine gute Frau, ein gutes Kind); tevens vinden we in het enkelvoud een drietal bepaalde lidwoorden die bij de verschillende klassen voorkomen (der Mann, die Frau, das Kind); op deze manier wordt vastgesteld dat het Duits drie geslachten kent. (Echter wordt dit systeem door de naamvalverbuiging nog verder gecompliceerd en kent het Duits in het geheel zes bepaalde lidwoorden.) Een onderscheiding van drie geslachten zien we bijvoorbeeld ook terug in het Latijn en (oud-)Grieks.

Het Frans heeft volgens deze diagnostiek net als de meeste andere Romaanse talen nog slechts twee geslachten (un beau garçon tegenover une belle fille): masculin (mannelijk) en féminin (vrouwelijk).

Het moderne Engels kent volgens deze diagnostiek in principe geen grammaticaal geslacht. In formeel en literair/poëtisch taalgebruik wordt echter een enkele keer nog wel naar onbezielde dingen – zoals een schip – met she en her verwezen, of er wordt gebruik gemaakt van mannelijke verwijswoorden. Naar een kind wordt dan weer verwezen met "it" ('het').

Het Nederlands heeft historisch drie grammaticale geslachten, maar het onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk is met name in de spreektaal sterk vervaagd, zodat er de facto twee geslachten zijn: onzijdig en commuun genus ofwel zijdig. In de verzorgde schrijftaal en in België (onder invloed van de spreektaal die de driedeling grammatisch behouden heeft) bestaat het onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk nog wel. Het komt dan alleen tot uiting in de verwijzende voornaamwoorden, aangezien de andere formele kenmerken (naamvalsuitgangen e.d.) zijn verdwenen.

1rightarrow blue.svg Zie ook Geslacht (Nederlands)

Oorsprong[bewerken]

De oorsprong van het grammaticaal geslacht is waarschijnlijk gelegen in de wenselijkheid de werkelijkheid in categorieën in te delen. Culturen verschillen dan in de aard van de categorieën die onderscheiden worden, wat leidt tot verschillende aantallen en soorten geslachten. Voor het proto-Indo-Europees neemt Prokosch (1938) aan dat het mannelijk geslacht oorspronkelijk verwees naar individuen en het vrouwelijk naar collectiva (bijvoorbeeld, het oorspronkelijk vrouwelijke woord koe gaat terug op een Indo-Europees woord dat vee betekende), m.a.w. naar abstracte zaken. In de Bantoetalen zijn de woordklassen oorspronkelijk gebaseerd op kenmerken als [menselijk], [levend], alsook kenmerken die te maken hebben met afmeting en vorm.

De morfemen die geslachtskenmerken uitdrukken, zijn in veel gevallen door grammaticalisatie ontstaan uit zgn. classifiers (classificatiepartikels; vergelijkbaar met woorden als berg en stuks in een berg zand en twee stuks vee), die zelf weer van oorsprong zelfstandige naamwoorden zijn.

Grammaticaal vs. biologisch geslacht[bewerken]

Er bestaat geen noodzakelijk verband tussen grammaticaal geslacht en biologisch (natuurlijk) geslacht. Het grammaticaal geslacht kan ook tegengesteld zijn aan het biologische; een voorbeeld daarvan is het Franse la sentinelle (de schildwacht; la geeft het vrouwelijk geslacht aan). Persoonlijk voornaamwoorden en bezittelijk voornaamwoorden maken in de derde persoon veelal een onderscheid naar biologisch geslacht (zoals in het Nederlands mannelijk hij/zijn, vrouwelijk zij/haar, onzijdig het/z'n).

Het geslachtskenmerk kan uitgedrukt worden in de vorm van het naamwoord zelf, alsook in de vorm van lidwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, werkwoorden en andere elementen die met het naamwoord in een congruentierelatie staan. In bijvoorbeeld het Nederlands en het Duits bestaat wel woordgeslacht maar geen geslachtscongruentie tussen een zelfstandig naamwoord en een persoonsvorm (of tussen een persoonlijk voornaamwoord en een persoonsvorm), maar in andere talen zoals de Slavische talen, de Semitische talen en de Bantoetalen bestaan dergelijke verbanden wel.

Zie ook[bewerken]