Nickerie (district)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nickerie
District van Suriname Vlag van Suriname
Kaart van Nickerie
Algemeen
Oppervlakte 5.353 km²
Inwoners (2012) 34.233
Hoofdstad Nieuw-Nickerie
Overig
Tijdzone UTC−4
ISO 3166-2 SR-NI
Detailkaart
Resorts van Nickerie
Resorts van Nickerie
Portaal  Portaalicoon   Suriname

Nickerie (uitspraak Nickéérie) is een van de districten van Suriname. Het ligt in het noordwesten van het land, aan de monding van de rivier de Corantijn, de grensrivier tussen Suriname en Guyana. De hoofdplaats is Nieuw-Nickerie, gelegen aan de rivier de Nickerie. Een andere bekende plaats is Wageningen.

Met de kolonisatie werd pas rond 1800 begonnen. Voordien was zij, omwille van meerdere redenen, ongunstig. Suriname was destijds in Britse hand; het merendeel van de planters die zich er vestigden waren dan ook Schotten en Engelsen. Ook nadat Suriname terug een Nederlandse kolonie werd bleef het district nog lange tijd meer op de naburige Britse koloniën gericht dan op Paramaribo. Het Nickeriaanse plantages waren erg welvarend tijdens de 19de eeuw, ook na de afschaffing van de slavernij. Aan het einde van de eeuw gingen zij echter door een samenloop van omstandigheden ten gronde. In hun plaats kwamen kleinlandbouwers, die zich in de loop van de tijd vooral op rijst toelegden. Nog vandaag is deze een belangrijk onderdeel van de economie.

Het district beslaat 5.353 km² en had in 2012, bij de laatste volkstelling, 34.233 inwoners, voornamelijk Hindoestanen en Javanen. Alle bevolkingsgroepen zijn er echter vertegenwoordigd.

Geschiedenis[bewerken]

Prehistorie[bewerken]

Over de Nickeriaanse geschiedenis voor de kolonisatie is weinig gekend. Er zijn vondsten die er op wijzen dat het binnenland al aan het begin van onze jaartelling bevolkt was. Tussen de achtste en zestiende eeuw woonden er ook indianen aan de kust. Zij leefden in een aantal woonterpen tussen Wageningen en Coronie - de bekendste is de Hertenrits - en leefden van landbouw, visvangst, jacht en het verzamelen van weekdieren. Langs de Corantijn zijn een aantal moeilijk te dateren rotstekeningen gevonden.[1]

Eerste contacten[bewerken]

Tot de achttiende eeuw waren er geen noemenswaardige koloniale nederzettingen in Nickerie. Plantages daar zouden niet beschermd zijn tegen overvallen vanuit de zee en er was genoeg grond in het oosten, waar Fort Nieuw-Amsterdam voor veiligheid zorgde. De eigenlijke Surinamekolonie beperkte zich tot de Suriname- en Commewijnerivier en hun zijtakken.[2] Nog tot de dag van vandaag gebruiken Nickerianen het woord "Suriname" om Paramaribo en de wijde omgeving daarrond aan te duiden.[3]

Wel waren er voor 1800 al een paar kolonisatiepogingen en contacten tussen Europeanen in inheemsen. Zo vestigden zich in 1613 een aantal Europeanen langs de Corantijn, waar zij tabak verbouwden. Het is niet geweten wat er met hen gebeurd is.[1] Ergens voor 1718 vestigde zich een een avonturier namens Dietzel, een mulat afkomstig van Grenada, in Nickerie en verkreeg een zekere invloed bij de plaatselijke indianen. Het toenmalige gouvernement benoemde hem hierop tot posthouder,[4] een lage ambtenaar die in een afgelegen streek het gezag van de regering vertegenwoordigde en toezicht hield op de plaatselijke bevolking, onder de indianen aan de Maratakka. Pogingen van Moravische broeders in 1760 in Ephraim en in 1765 in Hoop om de indianen tot het christendom te bekeren mislukten.[1]

Begin van de kolonisatie en Engels bewind[bewerken]

Rond 1800 stabiliseerde de situatie in Europa zich echter enigszins, waardoor het gevaar voor overvallen afnam. Ook begon men in het Oosten van de kolonie steeds meer last te krijgen van overvallen door Marrons. In 1797 begon gouverneur Frederici daarom met de aanleg van de plantages Paradise en Plaisance.[2]

Al snel verloor Frederici echter het interesse voor het district. (Hij wilde er zelfs een melaatsenkolonie stichten.) Hij verkocht zijn plantages aan een Schot uit Grenada, een zekere John Stuart.[1] Nadat Suriname 1799 onder Engels bewind kwam, vestigden zich noch meer aantallen Schotten en Engelsen met hun slaven in Nickerie.[2] Typisch Schotse achternamen, zoals MacDonald en Maclntosh, komen nog altijd voor in Nickerie.[4]

De "Nieuwe Kolonie", zoals men Nickerie (en Coronie – de twee districten maakten toen nog deel uit van hetzelfde district, Nickerie. Coronie werd afgesplitst in 1851. –) toen noemde, bloeide al snel op. De grond was vruchtbaar, de verbinding met de afzetmarkt was beter en de zelf op de plantage verblijvende eigenaren droegen beter zorg voor hun eigendom. (In de Oude Kolonie waren plantage veelal bezit van eigenaren in Nederland en werden beheerd door administrateurs, die geen reden hadden om langetermijnverbeteringen uit te voeren.) Men verbouwde katoen, koffie en in mindere mate ook suiker en bananen.[2]

Terugkeer naar Nederlands bestuur[bewerken]

In 1816 kwam Suriname weer onder Nederlands bestuur, zeer tot het chagrijn van de planters, die overwegend Brits waren – in 1835 telde het district slechts één Nederlandse planter.[2] De gouverneur van Demerara, deed daarom in 1813, ondersteund door Engelse planters in Nickerie en Berbice, een voorstel om Nickerie bij Demerara te voegen. Pinson Bonham, de toenmalige gouverneur van Suriname, adviseerde hier echter tegen. Het voorstel werd uiteindelijk niet aangenomen.[1]

Na 1816 richtten zich nogmaals zeven Engelse planters met een petitie aan de Britse regering om door het Verenigd Koninkrijk geannexeerd te worden of ten minste handel te mogen drijven met het Britse rijk.[2] Zij waren financiële verplichtingen aangegaan met personen in Londen, Liverpool en Glasgow; door de isolatie van het district gedwongen handel te drijven met de veel dichtere Engelse koloniën - Een reis naar Paramaribo duurde toen zes à zeven dagen; een naar Demerara slechts enkele uren. - en voelden zich verwaarloosd onder Nederlands bewind.[1] De Britse regering stuurde dit verzoek door naar Koning Willem I, die het moeilijk kon weigeren.[2] Nederlandse planters in Demerara, Essequibo en Berbice hadden immers gelijkaardige privileges gekregen.[1]

Het district werd hierdoor erg op Brits-Guyana gericht en vervreemde steeds meer van de rest van Suriname. Er ontstond een felle naijver tussen de Nieuwe en de Oude Kolonie.[2] Onder druk van planters uit de Oude Kolonie werden de privileges dan ook in 1820 ongedaan gemaakt.[1]

Economische dynamiek tijdens de 19de eeuw[bewerken]

Vanaf 1825 daalde de katoenprijs, waardoor de uitbouw van plantages afnam. De katoenplantages, die vooral aan de zeekust lagen, hadden ook last van kustafslag. De laatste kustplantage (Good Intent) werd in 1858 verlaten.[2] Na de afschaffing van de slavernij in Guyana in 1833 ontstond er kleine, maar regelmatige stroom van weggelopen slaven daarheen, die met geen maatregelen te stoppen was.[1]

Het district bleef echter vrij welvarend. De katoenplantages langs de rivier stapten over op suikerriet en de slaven van de verlaten kustplantages werden gebruikt voor de uitbreiding van de cacaoteelt.[2] In Nickerie bevonden zich destijds enkele van de meest ontwikkelde plantages in heel Suriname. De plantages Waterloo en Hazard bezaten al in 1858 vacuümpannen en centrifugale verdampers.[1]

Ook na de afschaffing van de slavernij ontwikkelde de landbouw zich gunstig. De isolatie van het district verhinderde de grootschaalse trek van vrijgewordenen naar Paramaribo, wat in andere districten voor een gebrek aan arbeiderskrachten zorgde. Als er al een gebrek bestond, werd dit gevuld door immigratie vanuit Brits-Guyana. Hierin speelde ook dat de lonen in Nickerie hoger waren dan in de rest van de kolonie. (80 cent per dag tegenover 60 cent per dag in de jaren 1870.)[1]

Vanaf 1892 ging het echter bergaf, door eerst zware neerslag, waarop een malaria-epidemie volgde en tot slot drie jaren droogte (1896, 1897 en 1899). Drie van de vijf suikerplantages gingen ten gronde.[2]

Opkomst van de rijstbouw[bewerken]

Padiproductie in Suriname[2]
Jaar padiproductie (ton)
1911 2.195
1916 7.471
1921 11.797
1926 21.530
1931 24.395
1936 33.726
1939 39.425

Kort na de ondergang van de grootlandbouw begon echter de kleinlandbouw. De eerste vestigingsplaats werd in 1898 aangelegd op de verlaten plantage Paradise. Een tweede volgde in 1903. Deze waren bedoelt om Brits-Indiërs die hun contract uitgediend hadden van landbouwgrond te voorzien. Er werd initieel veel cacao verbouwd, maar door de krulottenziekte nam die teelt al snel aan belang af. Rond dezelfde tijd was de balata-exploitatie belangrijk. De balatableeders namen rijst mee op hun tochten, omdat die langer houdbaar was. Hindoestanen, die niet in de balata-industrie mochten werken omdat het gouvernement ze voor de landbouw wilde bewaren, begonnen daarom rijst te telen.[2]

Rijst, of, preciezer, padi (ongedorste rijst), zou tijdens het begin van de 20ste eeuw uitgroeien tot een belangrijk exportproduct. De productie nam fors toe tijdens de periode 1911-1926 (zie tabel rechts). Tijdens de jaren ‘30 begon men met mechanisatie. Hiervoor was vooral het werk van de firma Van Dijk van groot belang. Zij leidde van 1933 tot 1939, gesubsidieerd door de overheid, maar op eigen risico, een succesvol proefproject voor het mechaniseren van de rijstbouw. Het was bedoelt om de weg voor te bereiden voor de immigratie van Nederlandse boeren, maar daar kwam uiteindelijk niets van. De kennis werd vooral tot nut voor de Hindoestaanse boeren.[2]

Economie[bewerken]

rijstveld in Nickerie

Het hoofdbestaansmiddel is de landbouw. Hierin is vooral de rijstbouw van groot belang; Nickerie is de grootste rijstproducent van Suriname. Rijst wordt op grote en middelgrote schaal aangebouwd bij Wageningen en op kleine schalen in verscheidene vestigingen doorheen het district.[4]

Daarna worden ook nog enkele andere exportculturen aangeplant, zoals bacoven (bananen) en suikerriet. Verder is de veeteelt, voornamelijk van runderen, maar ook van schapen, geiten, kippen en doksen (eenden), in Nickerie relatief belangrijk vergeleken met andere districten en vangt men vis in de zwampen (moerassen). Op enkele plaatsen wordt op kleine schaal aan bosbouw gedaan.[4]

Van industrie is nog weinig sprake. Er zijn houtzaagmolens en enkele bedrijven in de genots- en voedingsmiddelensector.[4]

Bevolking[bewerken]

Bevolkingsontwikkeling Nickerie
Jaar Inwoneraantal
1922 10.200
1950 16.600
1964 30.400
2012 34.233

Bij de laatste Surinaamse volkstelling in 2012 telde het district 34.233 inwoners.[5] In 1922 was dit nog maar 10.200 (zie tabel rechts).[4] De grootste bevolkingsgroep vormen de Hindoestanen (20.724, ofwel 60%), gevolgd door de Javanen (5.875, ofwel 17%). Daarnaast wonen er ook Creolen (2.447), indianen (734), Chinezen (295) en blanken (40). Er wonen ook 3.555 personen van gemengde afkomst.[5]

Politiek[bewerken]

Het district Nickerie is in De Nationale Assemblée vertegenwoordigd door vijf gekozen parlementariërs.

Ressorten[bewerken]

Nickerie is onderverdeeld in vijf ressorten:

Ressort oppervl.
(km²)
inwoners dichtheid
(inw/km²)
Groot Henar 2.185 2.709 1,24 Groot- en Kleinhenarpolder
Nieuw-Nickerie 30 12.818 427,27
Oostelijke Polders 357 7.153 20,04 Longmay, Prins Bernhardpolder,
Paradise, Bacovendam, Hamptoncourtpolder,
Sawmillkreekpolder
Wageningen 1613 2.937 1,82
Westelijke Polders 1.168 8.616 7,38 Van Drimmelenpolder, Clarapolder,
Zeedijk en Corantijnpolder, van Pettenpolder,
Nanipolder
Totaal 5.353 34.233 6,39

Geboren[bewerken]

Externe links[bewerken]