Polder

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Polder (hoofdbetekenis))
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Icoontje doorverwijspagina Zie Polder (doorverwijspagina) voor andere betekenissen van Polder.
Poldermolen, let op het verschil in waterstand voor en achter de molen
Noordoostpolder,ingepolderd tussen 1936 en 1942, onderdeel van de Zuiderzeewerken
Polder tussen Bergambacht en Schoonhoven

Een polder is een door waterkeringen omgeven gebied waarvan de waterstand kunstmatig geregeld kan worden. De waterstand binnen de polder is hierdoor lager dan in het omliggende gebied. Polders worden in het algemeen doorkruist door watergangen. Voor de waterhuishouding is het noodzakelijk dat de sloten goed door kunnen stromen. Om hiervan zeker te zijn worden de sloten twee keer per jaar geschouwd: er wordt gecontroleerd of het water diep genoeg is en of er geen waterplanten in het water staan. Eigenaren van land grenzend aan water zijn verplicht om hun sloten te schouwen.

Een polder is een waterstaatkundige eenheid, dat wil zeggen dat het geen verbinding heeft met het buitenwater behalve via kunstwerken. Een poldermolen, gemaal (soms meerdere) of spuisluis regelt het polderpeil; via inlaten kan (vers) water worden binnen gelaten. Een polder is omgeven door een of meer waterkering(en).

In delen van een polder kan een hoger peil worden gehanteerd. Dit wordt geregeld met behulp van stuwen.

Er bestaan verschillende soorten polderlandschappen:

  • Oude zeekleipolders, ontstaan door bedijking van bewoonde kweldergebieden
  • Jonge zeekleipolders, ontstaan door het indijken van zeeinbraken en nieuwe aanwas
  • Oude droogmakerijen, ontstaan door het droogmalen van meren en plassen
  • Jonge droogmakerijen, ontstaan door het droogmalen van de zeebodem (Wieringermeer, Flevoland)
  • Rivierpolders, die bestaan uit een rivierkleilandschap dat door dijken tegen hoogwater wordt beschermd
  • Veenweidegebieden, waar de waterstand kunstmatig laag wordt gehouden en die door dijken tegen binnenstromend water uit naburige streken worden beschermd
  • Veenpolders, die na ontginning van het veen opnieuw zijn droog gemalen

Duitse synoniemen voor polders zijn Koog, Heller en Groden. Het bedijkte polderland wordt in Duitsland gewoonlijk als Marsch, in Engeland als coastal marsh of fenland en in Frankrijk als marais betiteld. Het Nederlandse polderland maakt in Duitse ogen deel uit van de Nordseemarschen, dat is het bedijkte zeekleilandschap langs de Noordzeekust.

Etymologie[bewerken]

Het woord polder is afgeleid van het Middelnederlandse woord polre dat weer afkomstig is van het Oudnederlandse woord polra [1]. Het woord polder is overgenomen in 36 talen [2].

Nederland[bewerken]

Nederland telt ongeveer 4000 polders. De helft van het polderoppervlak in Europa ligt in Nederland. Er bestaan verschillende vormen. De drie belangrijkste zijn de indijkingen, droogmakerijen, en polders ontstaan door ontginningen. Een droogmakerij is een inpoldering van open water, bijvoorbeeld een meer of plas, dat letterlijk is drooggemaakt. Een indijking is een inpoldering van getijdengebied langs de kust of een rivier. Hierbij gaat het om een gebied dat al periodiek droogviel en door indijking definitief droog blijft en in cultuur gebracht kan worden. Aan de kust gaat het meestal om kwelders, langs de rivier om voormalige uiterwaarden. Een ontginning is in cultuur gebrachte woeste grond, bijvoorbeeld een voormalig moeras-, veen-, heide- of duingebied. Dit hoeft geen polder te zijn: hier is alleen sprake van als het gebied permanent bemalen moet worden; een voorbeeld daarvan zijn de veenpolders in Friesland en Overijssel.

Heel West- en Noord-Nederland, met uitzondering van de duinen en de eilanden, bestaat uit polderland. In Noord- en Zuid-Holland betreft dit het hele gebied tussen Den Helder en de Nieuwe Waterweg. Dit is geen land dat is drooggelegd uit de zee. Het is veenland dat oorspronkelijk enkele meters boven zeeniveau lag. Rond de tijd 800 à 1000 na Chr. is men het veen gaan ontginnen. Dat bracht drainage en ontwatering van het veen met zich mee. Levend hoogveen bestaat voor 90% uit water. Door ontwatering verloor het veen dus een groot deel van zijn volume en klonk daardoor in. Hierdoor trad een aanzienlijke daling van het veenoppervlak op. Bovendien kwam het veen, dat uit afgestorven plantenresten bestaat, door akkerbouw intensief in contact met de lucht. Daardoor verteerde (oxideerde) het veen voor zover gelegen boven de grondwaterspiegel. Dit droeg in belangrijke mate bij aan de daling van het veenoppervlak. Door inklinking en oxidatie is het veenoppervlak in de periode tussen 1000 en 1200 A.D. gedaald tot het niveau van gemiddeld hoogwater op de Zuiderzee. Toen werd bedijking van het veenland noodzakelijk. Achter de dijken ging de bodemdaling door en werd bemaling noodzakelijk om het overtollige water te kunnen lozen. De opgetreden bodemdaling is er de oorzaak van dat de bodem van West-Nederland nu enkele meters beneden zeeniveau ligt. In het Hollandse veengebied zijn enkele grote meren ontstaan. Deze meren zijn in de 17e eeuw en later drooggemalen (veenpolders). Voorbeelden van dergelijke droogmakerijen zijn de Schermer, de Beemster (beide in de 17e eeuw) en de Haarlemmermeer (in de 19e eeuw). Voorts heeft in Noord-Holland landaanwinning plaatsgevonden door inpoldering van land boven de lijn Schagen-Medemblik dat in de 12e – 14e eeuw een prooi was geworden van de zich uitbreidende Zuiderzee. De oudste polder is de Achtermeer (1533), nu gelegen in de Bebouwde kom van Alkmaar.

In het gebied ten zuiden van de Nieuwe Waterweg is vanaf 500 vóór Chr. via riviermondingen de Noordzee binnengedrongen in het veenlandschap en heeft daar het door geulen doorsneden getijdengebied doen ontstaan dat we nu nog kennen. Dit gebeurde in fasen. Het veen is door de binnendringende zee bedekt geraakt met een laag zeeklei van ongeveer 1 meter dik. In de geulen is het veen weggeslagen. Delen van het getijdengebied slibden op tot boven gemiddeld hoogwater en kwamen min of meer permanent droog te liggen, zogenaamde kwelders. Na bewoning in de Romeinse tijd vond in de 9e eeuw bewoning in het getijdengebied plaats op kunstmatig verhoogde ringwalburgen, onder andere ter plaatse van Burgh, Oost-Souburg en Middelburg.
In de 12e eeuw begon men met de systematische bedijking van enkele grotere kweldercomplexen. De oudste dijken omgaven en beschermden het zogenaamde Oud- en Middelland van Zeeland. Walcheren, Beveland en Schouwen behoren daartoe. Vanaf het jaar 1200 werden vervolgens droogvallende buitendijkse gronden bedijkt en toegevoegd aan het Oud- en Middelland. Dat was het Nieuwland, bestaande uit zogenaamde op- en aanwaspolders. Het veen onder de kleilaag in het getijdengebied bevat een zeker percentage zeezout. Het is daarom in de late middeleeuwen op grote schaal afgegraven voor de winning van het zout. Dit wordt aangeduid als "darinckdelven", "moernering" of "selnering". Het heeft geleid tot een oppervlakteverlaging van rond 1 meter. Dat bracht de bedijkte gebieden in gevaar. Verder afgraven van het veen werd daarom in de 13e eeuw verboden. Het is echter nog tot in de 16e eeuw doorgegaan.[bron?] Het Oudland ligt nu lager dan -1 m, het Middelland op -1 tot +0,5 m en het Nieuwland op +0,5 tot +1,5 m NAP. In Zeeland is veel land weer verloren gegaan door dijkdoorbraken en overstromingen. Zo kent men 117 bekende verdronken dorpen in Zeeland, maar er zijn ondertussen al meer dan 200 ontdekt[3].

België[bewerken]

In Vlaanderen wordt de term polder ook gebruikt om het openbaar bestuursorgaan aan te duiden, dat belast is met de waterhuishouding in een poldergebied (In Nederland zijn de polderschappen bij de naoorlogse schaalvergroting opgegaan in waterschappen of heemraadschappen.) De streek De Polders strekt zich in West-Vlaanderen over het achterland van de Belgische kust uit van Noord-Frankrijk tot Zeeuws-Vlaanderen, over het noorden van de provincie Oost-Vlaanderen en de rechteroever van de Schelde in de provincie Antwerpen.