Belgische Kust

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Belgische kustlijn met namen
De Belgische kust in Koksijde
Belgische Kust in de Panne: zandstrand, duinen en lineaire verstedelijking

De Belgische Kust of Kuststreek is de landstreek waarmee België (en meer bepaald het Vlaamse gedeelte van België) grenst aan de Noordzee. De lengte bedraagt ongeveer 67 kilometer en omvat een tot 500 meter breed zandstrand met de tot 2,5 kilometer brede duinengordel erachter.

In het noorden vormt Het Zwin de grens met Nederland. Ten noorden daarvan gaat de kust over in de kust van Zeeuws-Vlaanderen. In het zuiden gaat de kustlijn over in de Franse Opaalkust, die in Frans-Vlaanderen, in het Franse Duinkerke, en oostelijk ervan, ook wel de Franse "Côte Flamande" (Vlaamse kust) wordt genoemd. Achter de kuststrook, meer landinwaarts, liggen De Polders. Deze polders en de kust vormen samen Maritiem Vlaanderen.

De Belgische kust heeft een negatieve connotatie vanwege haar sterk verstedelijkte kuststrook. In de jaren zestig en zeventig van de 20ste eeuw werd zowat de hele kust volgebouwd met appartementsgebouwen die thans een lange muur vormen. Hierdoor ging heel wat natuur (waaronder duingebieden) verloren. Langsheen de kust komen zandstranden voor. De Belgische kust vormt één der belangrijkste toeristische regio's van het land, en telt verscheidene badplaatsen.

In 2010 verrees het eerste windmolenpark op zee. Tegen 2020 zouden alle windmolenparken in het Belgisch gedeelte van de Noordzee af moeten zijn. Deze parken liggen 20 tot 50 km voor de kust, en kunnen bezocht worden als toeristische attractie.[1] Zie ook de lijst van windmolenparken in de Noordzee.

Geschiedenis[bewerken]

Ontstaan van de kuststreek[bewerken]

Duinkerke-transgressies

De kustlijn heeft niet altijd de vorm gehad die we vandaag kennen. Tijdens de laatste ijstijd (Weichseliaan) stond de zeespiegel ruim 100 m lager dan vandaag. Aan het einde van deze laatste ijstijd begonnen de ijskappen te smelten, waardoor de zeespiegel steeg (transgressie). Tijdens deze transgressie werd het land overspoeld door water en sedimenteerde zand en klei. In de recente geschiedenis zijn 3 transgressies bekend, de Duinkerke I, Duinkerke II en Duinkerke III-transgressie. Geleidelijk aan verlandde dit gebied en kreeg vegetatie de kans om hier te gedijen. Hierna werd de kustvlakte tijdens de 2 laatste transgressies overspoeld. De tweede Duinkerke-transgressie was veruit de belangrijkste. Van de 2e tot de 8e eeuw n.C. overspoelde een groot deel van de kustvlakte tot aan de grenzen van het huidige Diksmuide en Brugge. Waar nu de kustlijn is, moet men zich een duinengordel voorstellen. De duinengordel is doorbroken door rivieren die water afvoeren en de zee die zout water brengt bij hoog water (zoals in het Zwin vandaag). Geleidelijk aan greep de mens in en dijkte verschillende polders in. De kust kreeg zijn definitieve vorm door de Sint-Elisabethvloed van 19 november 1404. Bij die ramp werden verschillende eilanden in de Scheldemonding weggevaagd en werd het land overstroomd. Graaf Jan zonder Vrees gaf bevel om de bestaande dijken te verbinden en zo ontstond de Graaf Jansdijk van Duinkerke tot Sas van Gent.

Die dijk beschermde het Vlaamse hinterland tegen de volgende Sint-Elisabethvloed van 19 november 1421 die lelijk huishield, verschillende dorpen in Zeeland deed onderlopen en voor honderden doden zorgde.

De dijk deed de polders ontstaan en zorgde voor een rechttrekking van de Vlaamse Kust.

Opkomst kusttoerisme[bewerken]

Oostende omstreeks 1900. Op de voorgrond een groot aantal badende toeristen en op de achtergrond typische architectuur voor deze periode
Belle époquehuizen in De Panne
Appartementsblokken beheersen het dorpsbeeld in Westende
Dijk in Knokke-Heist
Schaduwontwikkeling op wandeldijk bij lineaire bebouwing
Verstedelijking langs de kust

De meeste kustgemeenten waren aanvankelijk relatief klein van omvang en de plaatselijke economieën waren gericht op landbouw en visserij. De kustlijn werd toen nog vooral beheerst door duinen en bijhorende begroeiing.

Vanaf het einde van de 19de eeuw, in de periode die bekend stond als de Belle époque, begon door de economische welvaart het toerisme op te komen. Mensen gingen meer en meer op reis om puur recreatieve redenen. De kust kende grote aantrekking bij deze toeristen die doorgaans slechts één of twee dagen ter plaatse verbleven. Meer en meer mensen trokken naar de zee en dit had zichtbare gevolgen voor de plaatselijke dorpen, die stilaan groter en groter werden. Dit kwam door de bouw van vele nieuwe woningen, restaurants, casino's en hotels. Door de aanleg van de kusttram werden kleine dorpjes getransformeerd tot badplaatsen die honderden mensen lokten. De kustlijn veranderde ook drastisch. Tussen de duinen werden luxueuze en fraaie kustvilla's gezet en her en der werden hele dijken aangelegd met bijpassende bebouwing. De bouw van deze kunstwerken veranderden het landschap intensief al blijft het in vergelijking met de lintbebouwing vanaf de jaren '60 nog relatief binnen de perken. Het toerisme werd geleidelijk aan de belangrijkste economische activiteit van de kustgemeenten. Zowel arm als rijk vonden hun weg naar de kust. Koning Leopold II zag hiervan het potentieel en promootte de kust, met als centraal punt Oostende, als de voornaamste toeristische regio van België. Hij pompte dan ook een deel van de inkomsten uit de Belgische kolonie Congo in de kust, waardoor velen nu een dubbel gevoel hebben bij de pracht en welvaart van deze regio onder zijn koningschap.

De eerste wereldoorlog maakte een bruusk einde aan de toeristische welvaart. Het grootste deel van de kust kwam in Duitse handen, wat maakte dat het toerisme niet helemaal wegviel, maar toch sterk ingeperkt werd. Langsheen de kustlijn werd her en der afweergeschut gezet. Tijdens het interbellum hernam het toerisme zich vrij snel en de kustgemeenten ontwikkelden zich weer tot populaire trekpleisters, die ook almaar bleven groeien. Opnieuw kwamen er veel nieuwe gebouwen als restaurants en villa's. De kusttramlijn in haar huidige vorm werd nu helemaal voltooid, wat bijdroeg tot de snelle verspreiding van badgasten over de hele kuststrook. De Tweede Wereldoorlog onderbrak uiteindelijk opnieuw voor enkele jaren het toerisme.

Maar dit hernam zich opnieuw in de jaren '50 van de 20ste eeuw. Mede door de almaar groeiende populariteit van de auto kende het kusttoerisme een enorme groei. De elitaire status van de kust met haar luxehotels, villa's en casino's nam af en de toeristen kwamen nu uit alle maatschappelijke lagen. De meerderheid van de dagtoeristen kwam ook met de wagen, een verschijnsel dat nieuwe problemen zoals monsterfiles richting kust en parkeertekort met zich meebracht in het zomerseizoen. Om hierop in te spelen werden maatregelen zoals bijvoorbeeld het blokrijden ingevoerd. Ook anderen wilden een graantje meepikken van de populariteit van het strand en nieuwe toeristische activiteiten, zoals pretparken (Melipark en later Plopsaland), musea, tropische zwembaden en vakantieparken openden in de kustgemeenten. Scholen en jeugdbewegingen gingen ook onderlinge zeeklassen en zeekampen organiseren die veer aantrek kennen bij kinderen. De landbouw en visserij zijn secundaire economische activiteiten geworden en in verschillende gemeenten verdwenen ze al bijna helemaal. Dit tot ongenoegen van de plaatselijke bevolking die de folklorische waarde ervan verloren zagen gaan. Het toerisme bracht bovendien ook overlast met zich mee, in de vorm van geluidsoverlast, afval of verkeersproblemen.

De opkomst van het massatoerisme en het dagtoerisme, had ook opnieuw een zeer grote impact op de gemeenten en het landschap. De ongekende toevloed van toeristen trok aannemers aan die langsheen de kustlijn functionalistische betonnen appartementsblokken begonnen te bouwen. De immobiliënsector richtte zich niet langer op hotels en grote villa's, maar op grote gebouwen waarin vele mensen konden wonen. De appartementsblokken zijn doorgaans ongeveer tien verdiepingen hoog, waarbij het gelijkvloers meestal wordt ingenomen door horeca of handelszaken. De kustlijn verstedelijkte aan een razendsnel tempo. Door de aanbouw van de nieuwe gebouwen verdwenen niet enkel voor een groot deel de karakteristieke Belle-époquegebouwen, maar ook de duinen moesten plaats ruimen voor grote bouwprojecten. Ook de dijken werden sterk uitgebreid en waren soms zo lang dat ze verschillende gemeentes met elkaar verbond. Hoewel het esthetische aspect van de kust onherroepelijk verloren was gegaan door de hoge muren van flats ging het er financieel op vooruit. Een ander gevolg van het massatoerisme is de veranderende samenstelling van de plaatselijke bevolking. Een groot deel van de inwoners van de kustgemeenten is gaan bestaan uit inwijkelingen vanuit het hele land die zich aan de kust gevestigd hebben in de nieuwe gebouwen. Traditioneel wordt hier gedacht aan gepensioneerden, maar ook gewone gezinnen hebben vaak een eigen appartement of vakantiewoning aan zee.

Ruimtelijke structuur[bewerken]

De kuststrook in België wordt getypeerd door zijn lineaire stedelijke ontwikkeling. Langs de kust liggen verschillende steden, die door infrastructuur sterk met elkaar verbonden zijn. Sterke verstedelijking, met soms hoogbouw, concentreert zich langsheen de kustlijn, en de Koninklijke Baan, de kusttram en de snelweg A18 die langsheen de kust lopen. Daartussenin komen nog op enkele plaatsen open duingebieden of slikke- en schorregebieden voor.

De Belgische kustlijn heeft een oriëntatie van ongeveer 320° (noordwest). De lineaire bebouwing op de wandeldijken is gemiddeld 9 à 10 verdiepingen hoog (ongeveer 30 meter) terwijl de wandeldijken een breedte hebben die iets kleiner is (ongeveer 25 meter). Dit heeft tot gevolg dat voor een groot gedeelte van de dag, tijdens een groot gedeelte van het jaar de wandeldijken in de schaduw liggen van de lineaire bebouwing.

Toerisme[bewerken]

De Belgische Kust is een van de toeristische regio's van de provincie West-Vlaanderen. Traditioneel gezien is het een van de toeristische topregio's van het land. De regio neemt het belangrijkste deel van het verblijfstoerisme en dagtoerisme van Vlaanderen voor zijn rekening. Het toerisme is erg seizoensgebonden, met als piekseizoen de zomervakantie in juli-augustus. De kust heeft meer dan twee derde van de hotelcapaciteit van Vlaanderen, met meer dan 500 hotels, en 27.000 bedden.[2] De kust is ook zeer aantrekkelijk door de veilige en goed georganiseerde reddingsdienst aan de Kust. De kustreddingsdienst wordt georganiseerd door de IKWV, een intercommunale tussen alle kustgemeentes. De redders zijn te herkennen aan hun rode uniform.

Natuur[bewerken]

Langs de hele Belgische kust komen zandstranden voor. Deze zijn onderhevig aan zandverplaatsing door wind en sedimenttransport door getijden. De breedste stranden komen aan de Westkust voor.

Aan de Belgische kust komen twee estuariene zones voor, namelijk aan de IJzermonding en het Zwin. Op deze plaatsen zijn er slikke- en schorregebieden. De laagst gelegen slikken overstromen elk getij, de hogere schorren slechts bij springvloed.

Zeebermduinen, Oostduinkerke

Tussen het strand en de polders bevindt zich een duinengordel, tenminste, waar deze nog niet door verstedelijking is verdwenen. De duinengordel kan in vier zones worden opgesplitst[3].

  1. In de duinengordel tussen de Franse grens en Westende-Bad, met tal van overgangszones, komen de duinen het meest landinwaarts, en vindt men de breedste duinen van de Belgische Kust.
  2. Tussen Westende-Bad en de havengeul van Oostende komen slechts nog versnipperde zeereepduinen voor. Grote stukken zijn volbebouwd. Achter de Koninklijke Baan, iets meer landinwaarts, komen soms nog restanten voor.
  3. Tussen Oostende en Blankenberge komen er nog langere aangesloten duinzones voor. Tussen Fort Napoleon in Oostende en De Haan vormt de zeereep nog één geheel. Meer noordwaarts sluit dit zich aan op de restant van een paraboolduin.
  4. Verder naar het noorden komen minder duinen voor, tot aan het Zwin, waar wel weer natuurlijk duinvorming optreedt.

Gemeenten[bewerken]

Langs de kust vormt Oostende, als "Koningin der Badsteden", als goed uitgeruste regionale stad, het zwaartepunt. Knokke-Heist, Blankenberge en ook Nieuwpoort zijn kleinere lokale steden.

De gemeenten langs de Belgische kust in Vlaanderen zijn, van noord naar zuid:

Oostkust[bewerken]

Oostkust van België

Middenkust[bewerken]

Middenkust van België

Westkust[bewerken]

Westkust van België

Gebruik naamgeving Vlaamse Kust[bewerken]

Er is in België geen consensus rond het gebruik van de term Vlaamse Kust in plaats van Belgische Kust. Zeker Franstalige Belgen verkiezen te refereren aan La Côte Belge. Maar het is ook niet duidelijk welke naamgeving geprefereerd wordt door de Vlaamse bevolking. De kuststreek is een onderdeel van het Vlaamse Gewest. Het Vlaams Gewest loopt evenwel slechts tot de zogenaamde "basislijn", de laagwaterlijn van de kust. In die context zou men kunnen stellen dat de gebouwen (behalve staketsels) op de Vlaamse Kust staan, maar dat een zwemmer zich buiten die kust in de Belgische (en niet Vlaamse) territoriale wateren van de Noordzee bevindt.[4]

Toerisme-Vlaanderen is reeds in 1999 consequent de Vlaamse Kust aan het promoten, maar het is vooral Minister Geert Bourgeois (N-VA), sinds 2004 Vlaams minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme die datzelfde jaar het doorgedreven gebruik van de term Vlaamse kust ook in het buitenland oplegt aan de Vlaamse overheid en haar agentschappen.[5]. In de praktijk worden beide termen door elkaar gebruikt.

Daarnaast kan het begrip "Vlaamse kust" ook slaan op een strook die meer omvat dan enkel de Belgische kust, maar ook de Frans-Vlaamse en Zeeuws-Vlaamse kust. Met de Belgische kust wordt dan expliciet enkel het Belgische deel van deze Vlaamse kust bedoeld.

Externe link[bewerken]