Neder-Lotharingen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Hertogdom Lorreinen
Lotharingia Inferior
Onderdeel van het Frankische Rijk tot 962
Onderdeel van het Heilige Roomse Rijk
 Hertogdom Lotharingen (959) 977 – 1190
Lothringen-Nieder.PNG
Kaart
in groen: Neder-Lotharingen na 959De taalgrens in rood gestippeld
in groen: Neder-Lotharingen na 959
De taalgrens in rood gestippeld
Algemene gegevens
Talen Oudnederlands, Oudfrans, Oudhoogduits, Fries
Religie(s) Rooms-katholicisme
Regering
Regeringsvorm Hertogdom
Staatshoofd Hertog

Neder-Lotharingen was in de vroege middeleeuwen het noordelijke deel van het Middenrijk tussen Frankrijk (West-Frankenrijk) en Duitsland (Oost-Frankenrijk).

Het omvatte grosso modo

Lotharingen was een onafhankelijk koninkrijk van 855 tot 900, maar kon dit statuut niet behouden. Na korte tijd tussen 890-910 bij het Duitse rijk te zijn gevoegd, riepen de Lotharingse groten de West-Frankische koning Karel de Eenvoudige tot hun koning uit. Nadat het gebied reeds onder de Duitse koningen een hertogdom was geweest (tussen ca.900-910), werd na de heraansluiting bij het Duitse keizerrijk in 923 het hertogschap opnieuw ingesteld en kreeg het statuut van koninklijk ambtsleen.

In 959 werd Lotharingen opgedeeld in de vicehertogdommen Neder- en Opper-Lotharingen onder het overstijgend hertogdom van Bruno, aartsbisschop van Keulen. Godfried van Neder-Lotharingen, zoon van paltsgraaf Godfried van Gulik, werd de eerste hertog van Neder-Lotharingen. In 977 werden deze twee territoria volwaardige hertogdommen, Lotharingen (Neder-Lotharingen) en het Hertogdom van de Moezel (Opper-Lotharingen). Karel, de verbannen broer van koning Lotharius van Frankrijk werd door zijn neef Keizer Otto III tot hertog benoemd. Zijn zoon Otto (991-1012) volgde hem op.

Het gezag van de hertogen tijdens de 11e eeuw[bewerken]

Tijdens de 11e eeuw verleende de koning van Duitsland in deze functie of als keizer van het heilige Roomse Rijk aan zijn hertogen militaire en juridische taken. Die bestond er onder meer in de westelijke grens met het graafschap Vlaanderen, gevormd door de Schelde te verdedigen. Verder stonden ze in voor de instandhouding van de pax publica of openbare vrede in het hertogdom en de voogdij over de kerkelijke instellingen. Godfried van Bouillon verdedigde de belangen van de abdij van Sint-Truiden en die van de abdij van Sint-Hubertus.

Keizer Hendrik II stelde Godfried graaf van Verdun aan (1012-1023). Dit leidde tot een conflict in 1012 en 1015 met graaf Lambert I graaf van Leuven die zelf deze functie ambieerde. Zijn zoon Gozelo I van Verdun (1023-1044) werd hertog van Neder- en Opper-Lotharingen (1033-1044).

Om de macht van de graaf van Verdun te beperken werd de zoon Godfried II van Lotharingen door Keizer Hendrik III enkel beleend met Opper-Lotharingen. Godfrieds oudere zwakzinnige broer Gozelo II van Neder-Lotharingen werd hertog (1044-1046) van Neder-Lotharingen en na zijn overlijden stelde Keizer Hendrik III Frederik van Luxemburg aan (1046-1065). Samen met Boudewijn V van Vlaanderen, graaf van Vlaanderen en Dirk IV van Holland, graaf van Holland kwam Godfried in opstand. Uiteindelijk verloor Godfried. Godfried getrouwd met Beatrix van Lotharingen, weduwe van de markgraaf Bonifatius IV van Toscane vertrok naar zijn Italiaanse gebieden. Hij keerde terug en nam deel aan de Staatsgreep van Kaiserswerth in 1062 tegen de keizerregentes Agnes van Poitou (1024-1077). Godfried werd na de dood van Frederik hertog van Neder-Lotharingen (1065-1069). Frederiks schoonzoon, Udo van Limburg, werd de eerste graaf van Limburg.

Godfried III (1069-1076), die in strijd was met graaf Dirk V van Holland en zijn stiefvader Robrecht I de Fries in opdracht van de keizer, lieten hem vermoorden. Keizer Hendrik IV schonk het hertogdom aan zijn 2 jarige zoon Koenraad. In 1089 kreeg de neef van Godfried III, Godfried van Bouillon, als trouwe vazal van de keizer het hertogdom in handen (1089-1100). In 1096 verpande hij zijn bezittingen en sloot zich aan bij de Eerste Kruistocht en in 1099 veroverderde hij Jeruzalem en werd de eerste koning van Jeruzalem.

Hendrik I van Limburg (1101-1106), zoon van Udo werd benoemd door keizer Hendrik IV tot opvolger, maar moest zijn functie opgeven omdat hij trouw bleef aan de afgezette keizer Hendrik IV na de coup van diens zoon, de latere keizer Hendrik V.

Opmerkelijk is dat de hertog weinig eigen grondbezit had. Als militair had hij slechts de beschikking over Herstal en de rijksstad Aken als allodium. Ook later, als hertog van Brabant bezaten de hertogen in de 11e eeuw enkel goederen te Genepiën, Baisy en Asse.

Neder-Lotharingen en het hertogdom Brabant in de 12e eeuw[bewerken]

In 1106 ging de titel van hertog van (Neder-)Lotharingen over op Godfried I (1106-1128), graaf van Leuven en landgraaf van Brabant. Hij was de grondlegger van het latere hertogdom Brabant. Godfried verloor zijn titel aan Walram I 'Paganus' van Limburg (1128-1139), zoon van Hendrik I, na steun aan de verkeerde kandidaat keizer in 1125.

Na de dood van Walram in 1139 stelde koning Koenraad III voor om het hertogdom Neder-Lotharingen te delen in west en oost tussen Godfried II van Leuven en Hendrik II van Limburg. De onderhandelingen mislukten en Godfried versloeg Hendrik en verkreeg het Markgraafschap Antwerpen. Beiden noemde zich nu hertog.

Godfried III van Leuven volgde in 1142 zeer jong zijn vader op. In 1155 trouwde hij met de dochter van Hendrik II, Margaretha van Limburg om einde te maken aan de strijd. In 1172 moest hij echter een nederlaag incasseren tegen Boudewijn V van Henegouwen die zijn oom Hendrik I van Namen kwam helpen. Hendrik III van Limburg en Godfried probeerde hun hertogelijk gezag te laten erkennen over graafschap Luxemburg en graafschap Namen.

In 1183 verwierf Hendrik I de titel hertog van Brabant. Zijn vader Godfried onderscheidde zich bij de verdediging van de stad Jeruzalem tegen Saladin. Als beloning verhief keizer Frederik I Barbarossa het landgraafschap Brabant tot hertogdom.

Het territoriaal gezag van de hertog van Neder-Lotharingen werd opgeheven in 1190 op de Landdag van Schwäbisch Hall, na de dood van Godfried III. Daarbij werd vastgelegd dat zijn erfopvolger Hendrik, hertog van Brabant, het hertogelijk gezag slechts mochten uitoefenen binnen zijn eigen gebieden en rijkslenen.

Neder-Lotharingen vanaf de 15e eeuw[bewerken]

Na René van Anjou begonnen de graven van de Moezel zich ook Duc de Lorraine te noemen, waardoor de naam Lotharingen uiteindelijk overging op het Franse deel. De titel van Neder-Lotharingen, veelal verfranst tot 'Duché de Lothier', bleef echter ook als gezagsloze eretitel tot op het einde van het Ancien Régime (1795) bestaan.

Pogingen tot hereniging[bewerken]

Vanaf Filips de Goede gebruikten de hertogen van Bourgondië de titel als rechtvaardiging in hun pogingen de Nederlanden te verenigen. Dit slaagde slechts ten dele, in het oosten kwamen zij uiteindelijk niet verder dan Gelre.

Ook Willem Frederik van Oranje-Nassau deed bij het Congres van Wenen nog een poging het vroegere Neder-Lotharingen tot aan Rijn en Moezel te verkrijgen. Dit stuitte op weerstand van Pruisen, waardoor hij slechts Luxemburg verkreeg.

Zie ook[bewerken]