Graafschap Loon

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zie het artikel Zie graafschap Lohn voor het historische graafschap in de huidige Achterhoek.
Graafschap Loon
 Haspengouw (gouw) ±1000 – 1794 Eerste Franse Republiek 
Loon Arms.svg
Kaart
Locator County of Loon (1350).svg
Algemene gegevens
Hoofdstad Borgloon, Hasselt
Talen Middelnederlands, Waals
Religie(s) Rooms-katholiek
Regering
Regeringsvorm Graafschap
Dynastie Huis Loon
Staatshoofd Graaf
Geschiedenis
- Ontstaan ±1000
- Opheffing 1794
Loon (zonder het graafschap Horn) en de hedendaagse grenzen
De abdij van Herkenrode, begraafplaats van de graven
De feodale territoria omstreeks 1250: Loon is geel gekleurd, Horn bruin

Het graafschap Loon (Frans: comté de Looz) was een vorstendom in het Heilige Roomse Rijk. Omstreeks 1020 omvatte het slechts de streek van Borgloon, maar tegen 1200 strekte het zich uit over een groot deel van het huidige Belgisch-Limburg. Vanaf 1366 was het in personele unie met het prinsbisdom Luik, maar het blijft een eigen politieke entiteit tot de Franse tijd.

Algemeen[bewerken]

Het graafschap Loon kwam grotendeels overeen met Belgisch-Limburg, met uitzondering van het Maasland en Lommel. De graaf van Loon leende sommige domeinen rechtstreeks van de koning van Duitsland, andere van de prins-bisschop van Luik en de overige van de hertog van Brabant (zie "Structuur"). Loon verzette zich tegen het Huis Bourgondië (zie Luiks-Bourgondische Oorlogen) en kwam dus nooit in de Bourgondische Kreits. Pas onder revolutionair Frankrijk (1794) werd Loon op politiek vlak verenigd met de Nederlanden.

Territoriaal was Loon sterk versnipperd. Plaatsen zoals St.-Truiden, Tongeren, Munsterbilzen en Diepenbeek waren van oudsher in het bezit van de Kerk; de graaf beschikte hier slechts over voogdij. Vijf dorpen waren tweeherig: Loon moest er de soevereiniteit delen met Brabant (Lummen, Schulen, Linkhout en Koersel) of met Thorn (Neeroeteren). Enkele domeinen vormden onderlenen: het graafschap Horn, de heerlijkheid Pietersheim en de heerlijkheid Bocholt-Brogel.

Geschiedenis[bewerken]

Loon en Haspinga (1000-1050)[bewerken]

In de 8e eeuw maakten de streken van het latere Loon deel uit van drie gouwen: de Haspengouw, de Maasgouw en Toxandrië. Sommigen zien een voorloper van het graafschap Loon in de personele unie tussen de Haspen- en Maasgouw (±850 – ±960). Mogelijk werd deze eenheid aangeduid als pago Huste (952), maar de hoofdplaats Huste blijft onbekend. Het kan gaan om Vliermaal,[1] Alt-Hoeselt,[2] Hocht[3] en Hoei.[4] Na de verbanning van graaf Rudolf I (958) werden de gouwen van elkaar gescheiden en vielen ze uiteen in kleinere graafschappen.

In de Haspengouw ontstond zo het graafschap "(Borg)loon", vermeld in oorkondes met jaartal 1015 (vervalste kopie) en 1031 (waarheidsgetrouw gekopieerd).[5] Een ander restant was het graafschap Haspinga. De broers Giselbert van Loon en Arnulf van Haspinga heersten over deze gebieden, waarschijnlijk in de vorm van condominium.[6] In 1040 schonk Arnulf zijn gedeelte als een opgedragen leen aan prins-bisschop Nithard, misschien op aandringen van de derde broer Balderik. Loon was een onderleen van Haspinga[7] en werd bijgevolg eveneens leenroerig aan Luik.

Giselbert heette "van Loon", maar het is mogelijk dat niet Giselbert maar wel Arnulf de stamvader van het Huis Loon was.[8] Het is niet geweten wie van beiden het laatste stierf, maar wel dat dit voor 1046 gebeurde. De nakomelingen waren:

Uitbreiding (1050-1200)[bewerken]

Haspinga werd een deel van Luik, maar Loon blijft een onderleen. Emmo's opvolger Arnold verwezenlijkt meerdere uitbreidingen. Ten eerste trouwt hij met de erfgename van Rieneck. Het Limburgse deel van Toxandrië verkreeg hij waarschijnlijk bij de oprichting van het markgraafschap Antwerpen (1076).[10] Hij werd beleend met meerdere rijkslenen: delen van het Maasland[11] en de rechten van Metz over St.-Truiden (1093).[12] Hiervan bleken slechts drie uitbreidingen duurzaam: de heerlijkheid Pietersheim, de vroenhof van Geistingen en Bree-Gruitrode.

Lodewijk is bekend omwille van zijn strijd tegen Naamse uitbreiding in Haspengouw. Mogelijk lijfde hij ook Woest-Herk, Kolmont en Spouwen in.[13] De inlijving van Vlijtingen mislukte,[14] maar Gerard werd tevreden gesteld met het rijksleen ultra Mosam: de vroenhof van Maastricht en zijn negen exclaves.[15] Het graafschap kwam in oorlog met Duras (1160 en 1171), Moha (1171), Luik (1179) en Brabant (1189). Gezien de Luikse dreiging werd de grafelijke residentie verplaatst naar het Prinsenhof bij Hasselt.

De laatste graaf van Duras schonk zijn graafschap aan de prins-bisschop (1188), die het in leen gaf aan Loon. De nieuwe prins-bisschop Limburg maakte de leenband met Luik echter los en droeg Duras over aan Brabant (1193). Loon stond voor een voldongen feit en was vanaf dan een leenman van niet alleen Luik maar ook Brabant. In elk geval kwamen Duras en talrijke verbonden heerlijkheden, in het Truidense maar ook daarbuiten,[16] nu in een personele unie met Loon.

Chiny en Horn (1200-1300)[bewerken]

Tegen 1200 kon Loon zich verheugen op de erfenis van half Moha en geheel Holland. Doordat de laatste graaf van Moha zijn graafschap aan Luik schonk en door de troonstrijd tussen Filips van Zwaben en Otto van Brunswijk, ging dit na een lange strijd niet door (zie Loonse Oorlog). Tot overmaat van ramp moest Loon enkele allodia onder bescherming van de prins-bisschop stellen[17] en beëindigde de keizer de belening met ultra Mosam, ten voordele van Brabant.[18] Rotem bleef echter Loons.[19]

Arnold IV bestuurde het graafschap meer dan 50 jaar. Hij huwde de erfgename van het graafschap Chiny, dat hierdoor een eeuw lang in het Huis Loon zou blijven. Arnold richtte zich sterk op zijn Maaslandse bezittingen Geistingen en Rotem: hij stichtte Maaseik en verleende stadsrechten aan Stokkem (1244), beide om militaire redenen.[20] Tegelijkertijd verwierf hij de heerlijkheid Horn (1243), het "Ledebos" met Lanklaar (1244) en Dilsen (1253). Onder Arnold V werd de graaf ook voogd van de stad Luik.[21]

Verval en successieoorlogen (1300-1370)[bewerken]

Vanaf 1300 trad het verval van de Loonse macht in, doordat de graaf meer en meer heerlijkheden in leen moest geven aan verwanten en dus een deel van de ontvangsten aldaar verloor.[22] Desondanks verleende Lodewijk IV van Loon meermaals militaire en financiële bijstand aan prins-bisschop Adolf, onder meer bij het neerslaan van de Luikse opstand en bij het verzet tegen Brabantse uitbreiding in Overmaas.[23]

Gezien de goede samenwerking weigerde Adolf aanvankelijk Loon in te lijven, wat zijn kapittel eiste ingeval dat Lodewijk kinderloos overlijdt (1336) (zie Loonse Successieoorlogen). De erfgenaam die Lodewijk had aangeduid, zijn neefje Diederik van Heinsberg, sloot zich aan bij de Engelse partij van de Honderdjarige Oorlog, waartoe ook Brabant en Luxemburg behoorden. Diederik schonk een eerste deel van Chiny aan Luxemburg om het bondgenootschap te bezegelen. Het kapittel en de nieuwe prins-bisschop zagen dat Diederik hen te machtig is, en beleenden hem op 18 juni 1346.

De latere opvolgers werden alvast aangeduid, maar bij Diederiks kinderloos overlijden (1361) weigerden kapittel en prins-bisschop opnieuw elke belening. Op 5 april riep het kapittel de inlijving af en voerde de prins-bisschop de grafelijke titel.[24] Diederiks neefje Godfried van Dalenbroek zou zijn rechten zelf niet kunnen opeisen, en verkocht ze aan de machtige Arnold van Rummen. Om zich te verzekeren van steun uit Luxemburg stond Arnold het tweede deel van Chiny af. Het mocht niet baten; zijn troepen werden verslagen, zijn burcht verwoest. Op 21 september 1366 deed hij afstand van zijn rechten, mits vergoeding.[25]

De Luikse graven (1370-1794)[bewerken]

Hoewel het graafschap nu geleid wordt door de prins-bisschop, blijft het voortbestaan. De oude instanties en indelingen worden in stand gehouden. Elke prins-bisschop moet bij zijn aantreden trouw zweren aan de Loonse wetgeving. De grote zelfstandigheid van Loon wordt onder meer bevestigd in 1522. Toch blijven spanningen tussen Loon en Luik bestaan, op grond van taalkwesties en volledige autonomie (zie o.a. de vermeende samenzwering van de graaf Gelous in 1675).

Rotem is een bezit van Loon gebleven (zie boven), maar valt gerechtelijk nog steeds onder de vroenhof van Maastricht. Tijdens de Maasveldtocht (1632) neemt de Nederlandse Republiek Maastricht in. Het Partagetraktaat (1661) bevestigt de rechten van de Republiek op de Vroenhof en de bijhorende dorpen. De Republiek eist dan ook Rotem op, dat zo één van de Redemptiedorpen wordt.

Zoals de andere Zuidelijke Nederlanden wordt Loon in 1794 ingelijfd bij de Eerste Franse Republiek. De oude instellingen en rechten worden afgeschaft; het graafschap Loon is niet meer. Het gebied gaat achtereenvolgens op in het departement Beneden-Maas en de provincies Limburg en Belgisch-Limburg. Het voormalige graafschap Horn wordt middels het Verdrag van Londen (1839) afgestaan aan Nederlands-Limburg.

1rightarrow blue.svg Zie prinsbisdom Luik voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Structuur[bewerken]

  • Bestuurlijk wordt de graaf bijgestaan door vijf kasteleinen met zetel te Borgloon, Brustem, Montenaken, Duras en Kolmont.[26] Na de vereniging met Luik komt een indeling in drossaardschappen tot stand, waarvan er zes Loonse gebieden (en evt. Luikse exclaves) omvatten: Montenaken, Hasselt, Bilzen, Stokkem, Horn en Pelt-Grevenbroeck.
  • In 1651 zijn tien van de Goede Steden Loonse plaatsen. Borgloon en Hasselt verwerven al voor 1200 stadsrechten; Beringen, Bree, Maaseik en Stokkem in de 13e eeuw; Herk-de-Stad, Peer, Hamont en Bilzen in de 14e eeuw.[27] Deze steden voeren nog steeds de gouden en kelen balken van Loon in hun wapenschild.
  • Leenrechtelijk bestaat het graafschap uit vijf gedeeltes.[28] De lenen van Loon zijn leenroerig aan Luik. De lenen van Duras zijn leenroerig aan Brabant. De lenen van het Maasland, van Spouwen en van Kolmont hangen rechtstreeks af van de keizer. Het belangrijkste leenhof is dat van Kuringen.
  • Gerechtelijk zijn er zoals gewoonlijk twee niveaus. Op het niveau van de heerlijkheid wordt door plaatselijke schepenbanken recht gesproken. Doorgaans passen ze het "Loons recht" toe, maar steden en belangrijke dorpen hebben meer bevoegdheden, gebaseerd op de wetgeving in de stad Luik ("Luiks recht").[29] Op het niveau van het leen vindt men de tribunalen van de vijf gedeeltes. Zij zijn gevestigd buiten de steden, nl. te Vliermaal, Verte (buiten Truiens Aalst), Valderen of Vonderen (buiten Rotem), Graethem (buiten Borgloon) en Eik (buiten Munsterbilzen).[30]

Galerij[bewerken]