Zeventien Provinciën

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kaart van de Zeventien Provinciën met in rood een latere staatsgrens tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden
Kaart van Abraham Ortelius uit 1573, een van de oudste kaarten met daarop de Nederlanden

De Zeventien Provinciën is een term waarmee de Habsburgse Nederlanden van 1543 tot 1585 worden aangeduid.

Nadat keizer Karel V in 1543 het hertogdom Gelre had ingelijfd was een min of meer aaneengesloten en afgerond geheel van landsheerlijkheden ontstaan. Alleen in het zuidelijke deel vormde het prinsbisdom Luik nog een grote enclave. Dit geheel van Nederlandse gewesten werd sindsdien ook wel aangeduid als de Zeventien Provinciën. In opsomming waren dit:

  1. Graafschap Artesië
  2. Graafschap Vlaanderen
  3. Rijsels-Vlaanderen (Kasselrijen Rijsel, Dowaai en Orchies)
  4. Heerlijkheid Mechelen
  5. Graafschap Namen
  6. Graafschap Henegouwen
  7. Graafschap Zeeland
  8. Graafschap Holland
  9. Hertogdom Brabant en Markgraafschap Antwerpen
  10. Hertogdom Limburg en de Landen van Overmaas
  11. Hertogdom Luxemburg
  12. Heerlijkheid Friesland (sinds 1524)
  13. Doornik en het Doornikse (sinds 1521)
  14. Heerlijkheid Utrecht (sinds 1528)
  15. Heerlijkheid Overijssel, incl. Drenthe, Lingen, Wedde en Westwoldingerland (sinds 1528)
  16. Heerlijkheid Groningen en Ommelanden (sinds 1536)
  17. Hertogdom Gelre (sinds 1528) en Graafschap Zutphen (sinds 1543)

De hierboven gevolgde opsomming staat echter niet geheel vast. Zeventien was op een gegeven moment het aantal statenvertegenwoordigers bij de Staten-Generaal in Brussel en mede vanwege het symbolische karakter van dat getal is men dat blijven noemen. Maar de vertegenwoordigingen konden weleens wisselen omdat een bepaalde heerlijkheid soms afhing van een andere. Zo hoorde Zutphen bij Gelre en Limburg bij Brabant. Anderzijds hadden het markiezaat Antwerpen, Doornik of Rijsels-Vlaanderen soms een eigen delegatie.

Ontstaan[bewerken]

De politiek van het bijeenvoegen van gebieden is begonnen onder de Bourgondische hertogen door middel van vererving, huwelijken en verovering. Nadat via het huwelijk tussen Maria van Bourgondië en Keizer Maximiliaan I de landen naar het huis Habsburg gingen werd het proces voortgezet.

Ter bescherming tegen invallen van de hertog van Gelre onderwierp het Sticht Utrecht (ruwweg de huidige provincies Utrecht en Overijssel omvattend) zich in 1528 en Groningen en Drenthe in 1536 aan Karel V. Ten slotte wist Karel V na afloop van de Gelderse Oorlogen in 1543 ook het hertogdom Gelre onderdeel te maken van de Habsburgse Nederlanden. Ondanks de tegenstribbelingen leek het tot één geheel smeden van de Nederlanden succes te hebben en in 1548 kon dit middels de Transactie van Augsburg geconsolideerd worden. Alle Zeventien Provinciën werden toen opgenomen in de Bourgondische Kreits en kregen als zodanig vergaande onafhankelijkheid binnen het Heilige Roomse Rijk.

Particularisme[bewerken]

In groen: het Habsburgse Rijk onder Karel V.

Al in de 15e eeuw had de centralisatiepolitiek van de Bourgondische hertogen weerstand ondervonden van het stedelijk particularisme. Dit had vooral in het graafschap Vlaanderen geleid tot opstanden, zoals de Vlaamse Opstand tegen Maximiliaan van 1482 tot 1492. De vader van Maximiliaan, keizer Frederik III, stuurde Duitse troepen naar Gent en Brugge, maar hierdoor sloten Brabant en de Hoeken zich aan bij de Vlamingen. Jan III van Egmont dwong echter in juni 1489 Rotterdam tot overgave en in juli 1492 gaf Gent zich over aan Albrecht van Saksen.

Naast landsheer van de Habsburgse Nederlanden was keizer Karel V echter ook keizer van het Heilige Roomse Rijk. In die hoedanigheid kwam hij door zijn expansiepolitiek in conflict met Frans I van Frankrijk. Deze Italiaanse Oorlogen zorgden voor een toenemende belastingdruk op de rijke Nederlanden, vooral Vlaanderen. In de periode 1552 - 1556 steeg de rente in Antwerpen hierdoor bijvoorbeeld tot 48,8%, wat de economie van de Nederlanden ondermijnde. Door deze druk van het imperium kwam Gent daarvoor al in opstand, maar in 1540 wist Karel V de Gentse Opstand neer te slaan, waarna de privileges van de stad ontnomen werden, wat voor de andere steden een voldoende waarschuwing was.

De oorlogen met Frankrijk werden ook uitgevochten op het grondgebied van de Nederlanden. De Gelderse Oorlogen werden mede hierdoor gevoerd met steun van de Fransen. Dit zorgde ervoor dat de Hollandse schepen constant gekonvooieerd moesten worden door de samenwerking tussen Karel van Gelre en de Fries Grote Pier. Deze methode van kaapvaart werd later voortgezet door de watergeuzen.

Religie[bewerken]

Martin Luther 2.jpg Calvinus.jpg
Luther Calvijn

Aan het eind van de 14e eeuw kwam de Moderne Devotie op. Dit was een spirituele beweging binnen de middeleeuwse Kerk die de nadruk legde op de innerlijke ontwikkeling van het individu. De beweging ontstond door ontevredenheid over de misstanden in de Kerk. Het begin lag in de IJsselstreek, van daaruit verspreidde ze zich via handelssteden als Deventer en Zwolle over de hele wereld van de Hanze, met name in het noorden en oosten van Duitsland. De Moderne Devotie zorgde voor een verandering in denken. Dit creëerde een voedingsbodem voor het Bijbels humanisme – in navolging van de humanisten uit Italië – en de Reformatie, die allereerst vaste voet aan de grond kreeg in Duitsland (Saksen). Als reactie op de Reformatie ontstond de Contrareformatie.

Het gedachtegoed van de Reformatie verspreidde zich aanvankelijk vanuit de meest verstedelijkte delen van de Nederlanden, waaronder Doornik en Valencijn, vanwaaruit het al snel Antwerpen bereikte. In 1521 werd Luther in de kerkelijke ban gedaan, waarna hij na de Rijksdag van Worms in de rijksban gedaan werd. In 1523 vonden de eerste ketterverbrandingen in de Nederlanden plaats toen de augustijner monniken, Jan van Essen en Hendrik Voes, op de Grote Markt van Brussel werden terechtgesteld. Zij hadden in Antwerpen het woord van Luther verspreid.

Ook in Duitsland vonden naar aanleiding van de Reformatie schermutselingen plaats. Dit leidde tot de oprichting van het Schmalkaldisch Verbond in 1531, waarin Duitse protestantse vorsten ijverden voor de erkenning van de nieuwe Duitse godsdienst, het lutheranisme. Hoewel dit aanvankelijk succesvol leek, wist de keizer in 1541 landgraaf Filips I van Hessen voor zich te winnen en later ook hertog Maurits van Saksen. Omdat het Schmalkaldisch Verbond nu verlamd was, besloot de keizer het religievraagstuk met geweld op te lossen en voerde in 1546 en 1547, verbonden met paus Paulus III, het hertogdom Beieren en enkele protestantse vorsten de Schmalkaldische Oorlog, die het Schmalkaldisch Verbond verloor. Evenwel werd in 1555 de Godsdienstvrede van Augsburg getekend, die uitging van het principe cuius regio, eius religio: van wie het land is, is ook de godsdienst. Dit hield in dat iedere rijksvorst besliste welke godsdienst in zijn gebied opgelegd werd en dat hij daarom ook de kerkgoederen mocht beheren. De godsdienstvrede maakte definitief en officieel een einde aan de geloofseenheid in het Heilige Roomse Rijk, waarvan feitelijk al enige tijd geen sprake meer was.

Hoewel de oorlog en de daaropvolgende vrede niet direct te maken hadden met de Nederlanden, werd hierdoor wel heel duidelijk dat het mogelijk was om af te wijken van het rooms-katholieke geloof. Vooral in de Zuidelijke Nederlanden kreeg het protestantisme naar de leer van Frans-Zwitserse theoloog Johannes Calvijn (calvinisme) een grote aanhang. Het lutheranisme, dat aanvankelijk sterker stond in het noorden en vooral het oosten van de Nederlanden, werd er in de tweede helft van de 16e eeuw door verdrongen.

In 1550 vaardigde Karel V in de Nederlanden het Bloedplakkaat uit. Hiermee werd het drukken, schrijven, verspreiden en bezitten van ketterse boeken en afbeeldingen, het bijwonen van ketterse bijeenkomsten, het prediken van een tegendraadse religie en het huisvesten van ketters, met de doodstraf en inbeslagname van alle goederen bestraft. Een derde van de vervolgden waren anabaptisten. Omdat ze zo sterk aan hun geloof vasthielden, wachtte hen de brandstapel.

De lokale machthebbers, zoals de adel en de stadsbesturen, bleven weliswaar overwegend katholiek, maar stonden een veel gematigder beleid voor om ongeregeldheden met de grote protestantse minderheid te voorkomen. Vooral in de gewesten ver van Brussel, sinds 1531 het regeringscentrum, werd de anti-ketterijwetgeving vrijwel niet uitgevoerd. Dit was bijvoorbeeld het geval in Friesland, waar na 1559 de wetgeving zelfs helemaal niet meer werd toegepast. In Groningen werd het Bloedplakkaat van 1550 niet eens afgekondigd. Maar ook in Amsterdam werd tussen 1553 en 1567 geen enkel doodvonnis uitgevoerd. In Vlaanderen echter wist de inquisiteur Pieter Titelmans vele ketters op te pakken om deze tot de doodstraf te laten veroordelen.

In 1559 vaardigde paus Paulus IV de bul Super universas uit waarin een nieuwe bisschoppelijke indeling van de Nederlanden werd beschreven. Dit was een bijzonder impopulair plan, omdat men verwachtte dat hiermee ook de al bekende inquisitie vervangen zou worden door de Spaanse Inquisitie. Hierover deden gruwelijke verhalen (de zogenaamde zwarte legende) de ronde, die niet noodzakelijk waren gebaseerd op de realiteit, maar waarvan de geuzen wel profiteerden.

Constitutioneel probleem[bewerken]

Willem van Oranje, de invloedrijkste edelman in de Nederlanden.

De religieuze tegenstellingen legden het constitutionele probleem bloot: had de koning absolute macht, of moest hij samenwerken met de hoge adel en de Staten-Generaal? De stadhouders en de hoge adel hadden onder Karel V en zijn zuster, landvoogdes Maria van Hongarije, veel van hun macht moeten inleveren ten bate van ambtelijke juristen. Na het aantreden van Margaretha van Parma als landvoogdes richtte de hoge adel, onder anderen Van Oranje, Van Egmont en Van Horne, zich vooral tegen haar adviseur Granvelle. Op 23 juli 1561 schreven Van Oranje en Van Egmont hun eerste protestbrief aan Filips. Nadat er een jaar later geen verandering was opgetreden, sloten zij zich aaneen in de Liga tegen Granvelle. In 1563 sloot Horne zich aan bij de tweede protestbrief. In 1564 wisten ze Granvelle weg te werken, waarna hun invloed op de landvoogdes toenam. Hierna konden zij zich weer meer richten op de godsdienstkwesties.

Economische malaise[bewerken]

Economisch waren er in die tijd grote problemen. De Spaanse staatsschuld was opgelopen van twee miljoen gulden in 1544 tot zeven miljoen in 1556. In 1557 schortte Filips II de rentebetalingen op. Dit was een van de eerste van een serie Spaanse staatsbankroeten en had als gevolg dat de Zuid-Duitse bankiers en Antwerpse kleine spaarders geruïneerd waren.

Vlaanderen en Artesië waren in deze tijd sterk geïndustrialiseerd, waarbij de lakennijverheid domineerde. Deze was sterk afhankelijk van de wolimport uit Engeland en blokkade hiervan zorgde direct voor een grote werkloosheid onder handelaren en ambachtslieden. In de eeuwen daarvoor had dit al geregeld voor opstanden gezorgd en ook nu was er weer een handelsoorlog met Engeland. Elizabeth I van Engeland had een uitvoerverbod afgekondigd, waardoor de Engelse wolstapel in 1563 uit Antwerpen was gehaald.

Daarnaast viel door de zware winter in 1564 de oogst in Frankrijk en de Nederlanden tegen. Door de Zevenjarige Oorlog tussen Denemarken en Zweden werd eind april 1565 de Sont ook nog eens gesloten. Hoewel deze na twee maanden weer geopend werd onder druk van Polen – dat op dat moment bondgenoot van Denemarken was en de handel op Danzig verstoord zag – zorgde de mede door speculaties gestegen graanprijs voor een hongersnood. Deze combinatie van economische malaise, particularisme en religieuze onderdrukking zorgde voor grote onlusten.

Machtsoverdracht[bewerken]

Met de Transactie van Augsburg van 1548 had Karel V de uitbreiding van zijn bezittingen in de Nederlanden bezegeld door de erkenning van de Zeventien Provinciën als Bourgondische Kreits binnen het Heilige Roomse Rijk. In 1549 had hij met de Pragmatieke Sanctie bepaald dat de Zeventien Provinciën steeds als één geheel overgeërfd moesten worden. In 1555 droeg Karel de regering van de Nederlanden over aan zijn zoon Filips II. De meeste vorsten bleven aan tot hun dood en mogelijk voorzag hij de oppositie tegen de onbekende Filips. Karel leunde bij deze plechtigheid op de schouder van Willem van Oranje.

Was het onder het gezag van Karel alleen in 1554 in Antwerpen tot onlusten gekomen, onder zijn zoon zou een einde komen aan de opgebouwde eenheid.

Einde[bewerken]

Onder Filips II brak de Nederlandse Opstand uit. Met de Val van Antwerpen werd een feitelijke scheiding veroorzaakt tussen de Noordelijke- en Zuidelijke Nederlanden die officieel bekrachtigd werd met de Vrede van Münster. Er kwam een grens waardoor de Zeventien Provinciën werd opgesplitst in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en de Zuidelijke Nederlanden.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]