Geschiedenis van Denemarken

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
Kaart van Denemarken uit 1630

De geschiedenis van Denemarken kan worden verdeeld in verschillende perioden:

Prehistorisch Denemarken[bewerken]

Steen- en Bronstijd[bewerken]

Dolmen bij Vinstrup, Norhald, opgeworpen in het 3e millennium v. Chr.

In Denemarken was er de Maglemosecultuur (9500-6000 v. Chr.), de Kongemosecultuur (6000-5200 v. Chr.), Ertebolle cultuur (5300-3950 v. Chr.) en Trechterbekercultuur (4100-2800 v. Chr.)

De Man van Koelbjerg (8000 v. Chr.) is de oudste mens, die in Denemarken gevonden is.

Rond 3000 v. Chr. kwamen de landbouwers het land binnen. Veel dolmen zouden uit deze tijd stammen.

Rond 1500 v. Chr. begon de Noordse bronstijd.

IJzertijd[bewerken]

De zilveren ketel van Gundestrup met Keltische afbeeldingen is een voorbeeld van de handelsrelaties in de Pre-Romeinse IJzertijd

De Pre-Romeinse-IJzertijd was van de 4e tot 1e eeuw v. Chr. Er zijn bewijzen van Keltische invloed.

In de Romeinse IJzertijd, 1e tot 5e eeuw, was er een uitwisseling met het Romeinse rijk. Een deel van de Deense aristocratie van krijgers diende in het Romeinse leger.

Uit de IJzertijd stammen de Man van Tollund en Man van Grauballe.

De 5e tot 7e eeuw heet de Germaanse IJzertijd.

Vroege middeleeuwen[bewerken]

Vroegste literaire bronnen[bewerken]

Jordanes schrijft in zijn Getica (6e eeuw) dat de Dani dezelfde herkomst hadden als de Suetidi en de landen van de Heruli innamen. Verder worden de Denen voor het eerst genoemd in de Oud-Engelse dichtwerken Widsith, Beowulf en het werk van Saxo Grammaticus (ca. 1200).

In Beowulf komt de legendarische Deense koning Hrodgar voor, die geleefd zou hebben in de 6e eeuw en de hal Heorot liet bouwen.

Denen en Franken[bewerken]

Door de veroveringszucht van Karel de Grote en bekeringsdrang van de kerk in het noordoosten van het Frankische rijk voelde de Deense koning Siegfried I (776-803) zich terecht bedreigd. Want na de tweeendertigjarige (772-804) veroveringsoorlog om de Saksen te onderwerpen, viel Karel de Grote Denemarken aan, door in 804 Noordalbingië, het 'niemandsland' tussen Denemarken en het Frankische rijk, met Abodriten, Slavische loyale stammen, te bevolken, terwijl Frankische legereenheden posities innamen aan de oevers van de Elbe. Siegfried had de Saksische leider Widukind gesteund in zijn strijd tegen de Franken. Inmiddels was Godfried, de zoon van Siegfried, koning van Denemarken geworden. Na Godfried, vermoord door binnenlandse tegenstanders, kwam Hemming, die kort regeerde. Hij stierf in 812. Hij werd door zijn neef Harald Klak opgevolgd, die het land uit werd gedreven door de zonen van de vermoorde Godfried. Harald klak vroeg steun aan Lodewijk de Vrome, die hem als vazal opnam en beleende met een gebied.

Dat was het begin van de macht van Deense edelen in Frisia, want op een gegeven moment heerste Harald Klak in Oost-Frisia, in Rüstringen, zijn neef Rorik in West-Frisia en Dorestad en diens broer Harald junior in Walcheren. De Denen kwamen Lotharius I goed van pas in het conflict met zijn vader Lodewijk. Gedurende dit conflict van 834-39 teisterden de Denen het Frankische land om Lodewijk naar de onderhandelingstafel te dwingen, met succes. Lodewijk had zijn oudste zoon Lotharius het hele rijk in het vooruitzicht gesteld, maar na de geboorte van zijn halfbroer Karel de Kale de belofte gebroken om ook deze zoon gebied te laten erven. De eenheid van het Frankische rijk werd zo gebroken, er kwamen twisten tussen broers en de burgeroorlogen brachten veel meer schade dan de Deense strooptochten. De kroniekschrijvers wensten echter hier de aandacht op te vestigen, aangezien de heidense invallers geen enkel respect toonden voor kerk en kerkbezittingen. Het was hen om het zilver en slaven te doen en het zilver smolten ze vaak om. Deense adel werd aangesteld als graaf of hertog om aanvallen van Deense piraten, 'Vikingen' (stropers), af te weren. Pas later, met de moord op Godfried de Noorman in 885, kwam aan die periode van Deense edelen in Frisia een einde en begon de dynastie van de 'Hollandse' graven.

Horik senior was na Harald Klak de nieuwe Deense koning geworden. In 850 brak er een opstand tegen hem uit, maar die werd ook deze keer onderdrukt. De 'Friese' Denen zochten telkens weer een kans om de macht in Denemarken te veroveren. Ook dit keer moest Rorik onverrichterzake naar Frisia terugkeren. Maar tijdens de opstand van 854 werd Horik vermoord en de jeugdige Horik junior, die de bloedige strijd overleefde, werd op de Deense troon gezet.

Denemarken was van de 9e eeuw tot de 11e eeuw (de periode van de Vikingen) een grootmacht, met Jutland, Seeland, en het zuidelijke deel van het huidige Zweden als basis. Harthaknoet (Knoet I) was de zoon van koning Sven of Sigurd Slang-in-het-oog, de zoon van Ragnar Lodbrok en Aslaug. Koning Olaf de Vermetele was een neef van Sigurd Slang-in-het-oog. Koning Gorm de Oude, Harthaknoets zoon, die regeerde van 936-958, was de eerste historisch erkende heerser van Denemarken en vader van Harald Blauwtand, onder wiens regering de Denen zich verenigden en in 965 officieel tot het christendom bekeerd werden. Daarna kwamen Sven Gaffelbaard (986-1014), Harald II van Denemarken (1014-1018), Knoet II de Grote (1018-1035). In het begin van de 11e eeuw was koning Knoet de Grote gedurende 19 jaar koning van Denemarken en van Engeland, en daarnaast korte tijd koning van Noorwegen.

Denemarken en Engeland[bewerken]

De Denen speelden ook een aanzienlijke rol in de geschiedenis van Engeland. De Jutten trokken samen met de Angelen en Saksen vanaf de 5e eeuw dat land binnen. De Jutten (uit het huidige Jutland) vestigden zich in het zuiden, voornamelijk in Kent. Een periode uit de Angelsaksische tijd staat ook bekend als de Danelaw, waarin Deense koningen de overhand hadden.

Middeleeuwen[bewerken]

De Unie van Kalmar

De Vikingen hadden het land in contact gebracht met het christendom. Koning Knoet de Grote begunstigde de geestelijkheid. De kerk werd weldra een machtsfactor naast de koning. Aan het einde van de 13e eeuw was de koning in een zwakke positie. Koning Erik V werd door de adel gedwongen tot ondertekening van de zogeheten håndfæstning (handvest) (1281), die kan worden gezien als de eerste grondwet van Denemarken. De strijd tussen koning en adel werd in de 14e eeuw voortgezet, waarbij Christoffer II in 1320 opnieuw grote concessies aan adel en geestelijkheid moest doen. De verzwakking van het koningschap leidde uiteindelijk tot een diepe politiek-militaire crisis, waarbij de Duitse graaf Gerard III van Holstein erin slaagde het Deense hertogdom Sleeswijk onder zijn gezag te brengen.

Koningin Margaretha I bracht de Unie van Kalmar tot stand (1397), waardoor Denemarken, Noorwegen, Zweden, Finland, de Faeröer, IJsland, en Groenland onder het Deense koningshuis verenigd werden.

Nieuwe tijd[bewerken]

Zweden en Finland verlieten de unie in 1520 na een felle opstand tegen het tirannieke bewind van de Deense koning Christiaan II, welke opstand geleid werd door de Zweedse edelman Gustaaf Vasa. Noorwegen verliet de unie echter pas in 1814, toen het als gevolg van het bondgenootschap dat de Denen met Napoleon hadden gehad, aan Zweden werd overgedragen. IJsland kreeg een personele unie met de Deense koning in 1918. Het land werd pas in 1944 geheel onafhankelijk.

De Reformatie werd in 1536 in Denemarken ingevoerd; het land werd luthers.

In de 17e eeuw hebben Denemarken en Zweden herhaaldelijk oorlog met elkaar gevoerd over de suprematie in Noord-Europa. In de oorlog van 1655-1658 verloor Denemarken het zogenaamde Skåneland (Skåne, Halland en Blekinge, vanouds Deense gebieden waar Deens werd gesproken), aan Zweden. Pogingen van Deense zijde om dit gebied te heroveren, liepen op niets uit.

Naar een constitutionele monarchie[bewerken]

Frederik VII van Denemarken.

De Deense liberale beweging werd erg actief in de jaren 1830 en tijdens de regering van Frederik VII werd Denemarken in 1849 een constitutionele monarchie.

Pogingen om het deels Deense, deels Duitstalige Sleeswijk nauwer met Denemarken te verenigen, leidden in 1849 tot een opstand van de Duitse bevolkingsgroep in Sleeswijk Holstein, die - na aanvankelijke successen - door het Deense leger werd onderdrukt.

In 1864 verloor Denemarken een oorlog tegen Oostenrijk en Pruisen, die namens de Duitse Bond Denemarken aanvielen wegens de vermeende onderdrukking van de Duitse bevolkingsgroep in Sleeswijk-Holstein, een gebied dat door de Deense koning werd bestuurd. Als gevolg van deze oorlog moest Denemarken heel Sleeswijk-Holstein afstaan aan Oostenrijk en Pruisen. Het grotendeels Deenstalige noorden van Sleeswijk zou pas in 1920 als uitkomst van een referendum weer aan Denemarken worden teruggegeven.

Gouden eeuw[bewerken]

De eerste helft van de 19e eeuw wordt beschouwd als de "Deense Gouden Eeuw". De beeldhouwer Bertel Thorvaldsen, de sprookjesschrijver Hans Christian Andersen en de theoloog en filosoof Søren Kierkegaard verwierven Europese roem.

Conflict met Pruisen[bewerken]

In 1864 raakte Denemarken in oorlog met Pruisen en Oostenrijk, en ondanks hevig verzet onder aanvoering van de vrouw van de koning, Gravin Danner, werd Denemarken gedwongen Sleeswijk-Holstein aan Pruisen en Oostenrijk over te dragen en om voortaan strikt neutraal te blijven (Vrede van Wenen).

20e eeuw[bewerken]

Aan het einde van de 19e eeuw voerde Denemarken verstrekkende sociale hervormingen door, die de grondslag hebben gelegd voor de huidige welvaartsstaat. In de Eerste Wereldoorlog bleef Denemarken neutraal.

Ook in de Tweede Wereldoorlog (onder koning Christiaan X) trachtte Denemarken neutraal te blijven. Het sloot een niet-aanvalsverdrag met nazi-Duitsland, maar het Duitse leger viel toch binnen (Operatie Weserübung) op 9 april 1940. Het doel van Hitler was om door te stoten naar Noorwegen en dat pad liep over Denemarken. Er waren kleine gevechten in Noord-Sleeswijk en enkele vliegvelden werden gebombardeerd. De Deense regering capituleerde nog dezelfde dag.

Denemarken bleef bezet tot 5 mei 1945. Deze bezetting was uniek doordat de omstandigheden tijdens de bezetting in het begin erg mild waren (de communistische partij werd wel buiten de wet gesteld toen Duitsland de Sovjet-Unie binnenviel). De nieuwe coalitieregering probeerde de bevolking te behoeden voor nazi-overheersing door compromissen te sluiten. Het Folketing bleef in functie, de politie bleef onder Deense controle en de autoriteiten van nazi-Duitsland kwamen niet in direct contact met de bevolking. Later werden de Duitse eisen echter meer en meer onaanvaardbaar voor de Deense regering en ze nam daardoor ontslag in 1943 en nazi-Duitsland nam de volledige controle over. Daarna ontstond een gewapende verzetsbeweging tegen de bezettingstroepen. Opmerkelijk was ook de verhuizing van de meeste Deense Joden naar Zweden in 1943 toen de Duitsers dreigden met deportatie. Tegen het einde van de oorlog werd Denemarken steeds moeilijker te controleren, maar het land werd pas bevrijd toen de geallieerden kwamen, op 5 mei 1945.

Denemarken was in 1949 een van de stichtende leden van de NAVO. Het werd ook lid van de Verenigde Naties en de Europese Unie.

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • L.v.d.Tuuk (2015), Vikingen, Omniboek, Utrecht, 2016
  • Henstra, D.J. (2012), Friese graafschappen, Van Gorcum, Assen