Hunebed

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De hunebedden D18 en (op de achtergrond) D17 bij Rolde
De hunebedden D18 en (op de achtergrond) D17 bij Rolde
Hunebed D14 te Eexterhalte
Hunebed D14 te Eexterhalte
Jentilarri: een type dolmen uit Baskenland, de bouw hiervan wordt toegeschreven aan reuzen; de Jentil
Jentilarri: een type dolmen uit Baskenland, de bouw hiervan wordt toegeschreven aan reuzen; de Jentil
Reuzen bouwen de hunebedden; ets van Gerrit van Goedesbergh in het boek van Picardt, 1660
Reuzen bouwen de hunebedden; ets van Gerrit van Goedesbergh in het boek van Picardt, 1660
Het Bülzenbett bij Bremerhaven, ca 1604
Het Bülzenbett bij Bremerhaven, ca 1604
Een hunebed met nog aanwezige stopstenen in Hulbjerg
Een hunebed met nog aanwezige stopstenen in Hulbjerg
De Leganny dolmen in Ierland
De Leganny dolmen in Ierland
Dolmen bij Vinstrup, Denemarken
Dolmen bij Vinstrup, Denemarken
Anta do Paço das vinhas, in de regio Évora
Anta do Paço das vinhas, in de regio Évora
Hunebed D21 bij Bronneger
Hunebed D21 bij Bronneger
Hunebed D5 nabij Zeijen
Hunebed D5 nabij Zeijen
Het grootste hunebed van Nederland (D27 bij Borger)
Het grootste hunebed van Nederland (D27 bij Borger)
De Düwelsteene of Teufelssteine in Heiden (Duitsland)
De Düwelsteene of Teufelssteine in Heiden (Duitsland)
Hunebed D54 nabij Havelte
Hunebed D54 nabij Havelte
Hunebed in de Westelijke Kaukasus (kraj Krasnodar)
Hunebed in de Westelijke Kaukasus (kraj Krasnodar)
Dolmen in Portugal
Dolmen in Portugal
Dolmen in Gochang, in de Zuid-Koreaanse provincie Jeollabuk-do
Dolmen in Gochang, in de Zuid-Koreaanse provincie Jeollabuk-do
Dolmen op het Deense eiland Bornholm, in de Oostzee
Dolmen op het Deense eiland Bornholm, in de Oostzee
Hunebed in het wapen van Borger-Odoorn
Hunebed in het wapen van Borger-Odoorn
Dolmen in het wapen van Manhuncelos
Dolmen in het wapen van Manhuncelos
Hunebed in het wapen van Werlte
Hunebed in het wapen van Werlte
Hagbølle, een hunebed op een grafheuvel in Denemarken
Hagbølle, een hunebed op een grafheuvel in Denemarken
Dolmen op Malta
Dolmen op Malta
De dolmen van Styrdalen ligt op een heuvel met een doorsnede van 10 meter
De dolmen van Styrdalen ligt op een heuvel met een doorsnede van 10 meter
Dolmen op het wapen van Fresnicourt-le-Dolmen
Dolmen op het wapen van Fresnicourt-le-Dolmen
Dolmen op het wapen van het voormalige Werste in Bad Oeynhausen
Dolmen op het wapen van het voormalige Werste in Bad Oeynhausen
Tien hunebedden op het wapen van Hünstetten
Tien hunebedden op het wapen van Hünstetten

Een hunebed of dolmen is een megalithische (Grieks: mega = groot, lithos = steen) steenkamer uit de prehistorie die bestaat uit staande draagstenen, overdekt door platte dekstenen.

Terminologie en etymologie[1][bewerken]

Volgens Van Dale is een dolmen een Frans megalithisch bouwwerk, en een hunebed een Nederlands-Deens megalithisch bouwwerk. In de Nederlandstalige wetenschappelijke literatuur komt men beide termen tegen.

  • Dolmen wordt vooral in Vlaanderen gebruikt en ontleent zijn gebruik uit de Angelsaksische en Franse wetenschappelijke literatuur. Het woord zou door onderzoekers van eind 18e eeuw ontleend zijn aan het Keltische taol, wat tafel betekent en maen of men wat steen betekent. Men meende in die tijd immers dat dolmens en menhirs Keltische cultuurelementen waren.
  • Hunebed is als woord ouder. In het boek van Johan Picardt (zie "Literatuur") heten de hunebedden "steenhopen gebouwd door grouwsamen barbarische en wreede reusen, huynen, giganten". Deze visie was in overeenstemming met de toenmalige orthodoxe Bijbeluitleg waarin vóór de Zondvloed "reuzen op aarde waren".[2] Picardt heeft het consequent over steenhopen, maar de term "huynen" beklijfde en in 1685 noemde Titia Brongersma de steenhoop "hunebed".

In het dagelijkse taalgebruik blijken de termen hunebed en dolmen grotendeels synoniem, en zijn voor Nederlanders de dolmens van Bretagne gewoon Franse hunebedden. In dit artikel worden dan ook beide termen gebruikt.

Archeologen gebruiken beide woorden gewoonlijk niet als synoniem, omdat de hunebedden in Noordoost-Nederland, Noordwest-Duitsland en Denemarken andere kenmerken hebben (de ingang is aan de lange zijde) en door een andere cultuur gebouwd zijn dan de dolmens in grote delen van Frankrijk en België (allée couverte). De term hunebed wordt dan gereserveerd voor dat soort megalithische bouwwerken die in Noord-Europa voorkomen en gebouwd zijn door mensen van de Trechterbekercultuur. Een hunebed is een nadere precisering van de meer algemene benaming dolmen.

Bouw[bewerken]

Het bouwwerk bestaat uit rechtopstaande grote stenen ("zuilen" of "draagstenen") waarop platte dekstenen rusten. Doorgaans staan de draagstenen grotendeels op evenwijdige lijnen. Twee draagstenen en een deksteen worden juk of trilithon genoemd. De juk of meerdere jukken worden afgesloten door sluitstenen en de ruimtes tussen deze stenen werden opgevuld door kleinere stenen. De ingang is in het midden van de lange zijde te vinden en bevat in sommige gevallen poortstenen. Het geheel werd afgedekt door een heuvel.

Veel kleine stopstenen (in Nederland vaak door de mens gespleten zwerfkeien) vulden ooit de tussenruimtes op, maar deze zijn over het algemeen verdwenen, evenals de dekheuvel van aarde en/of plaggen. Een ingang ligt bij hunebedden in Nederland meestal aan de oost- of zuidkant van de steenkamer. In Nederland gebruikte men zwerfstenen als bouwmateriaal, in andere landen de lokale steen (in België bijvoorbeeld puddingsteen).

Op het Duitse eiland Sylt bleek het hunebed Denghoog zorgvuldig met klei en platte stenen afgedekt te zijn, met daarover weer zand en aarde, zodat de kamer bij de opgraving in 1868, circa 5000 jaar na het laatste gebruik, nog volledig intact en droog was.

In Nederland zijn de hunebedden van oost naar west gesitueerd.[3][4] Deze oriëntering is mogelijk astronomisch bepaald: er is een verband met de opkomstpunten van de maan voorgesteld.[5]

Geschiedenis[bewerken]

Hunebedden en megalithische bouwwerken die door mensen zijn gemaakt, zijn te vinden langs de kusten van heel West-Europa, van Portugal tot Denemarken en in Groot-Brittannië en Ierland. Sommige hunebedden zijn aan de binnen- en/of buitenkant voorzien van inscripties of versierselen die in de steen gebeiteld zijn (petroglief). Veel van deze prehistorische monumenten zijn in de loop van de eeuwen vernield om de stenen te gebruiken als bouwmateriaal voor bijvoorbeeld wegen, kerken, huizen en dijken.

Gestructureerd onderzoek naar hunebedden werd in Nederland pas in de eerste helft van de twintigste eeuw uitgevoerd. De bekendste van de onderzoekers is professor Van Giffen. Hij is ook verantwoordelijk geweest voor de officiële nummering van de hunebedden in Nederland.

De hunebedden in Nederland zijn gebouwd in de nieuwe steentijd, het Neolithicum, van 3450 tot circa 3250 v.Chr., maar ze zijn gebruikt tot circa 2850 v.Chr. Dit valt onder andere af te leiden uit het gebruikte aardewerk, waaronder de gedurende de gehele periode gebruikte trechterbeker. Vandaar dat de hunebedbouwers beschouwd worden als vertegenwoordigers van de Trechterbekercultuur. Volken van deze cultuur vormden vanwege hun grote verspreidingsgebied waarschijnlijk geen homogeen geheel. Van hun geschiedenis is zeer weinig bekend.

Ketelwagen, in 1970 gevonden in een hunebed te Acholshausen, ca. 1000 v.Chr.

Een hunebed is volgens de gangbare theorie een prehistorische grafkamer. Men vindt vaak brandsporen in en bij hunebedden. Het vuur speelde een rol bij de dodencultuur van de hunebedbouwers. De doden worden in gestrekte, zittende of in gehurkte houding bijgezet en vergezeld met grafgiften. Men heeft in bijna alle hunebedden grote hoeveelheden aardewerk en andere voorwerpen gevonden. Het aardewerk bestaat uit sterk versierde platte schalen, kommen, grote potten, bekers en flesjes. De versieringen bestonden uit diep ingedrukte ornamenten. Ook wapens worden veelvuldig aangetroffen zoals hamers en bijlen en verder pijlpunten, messen en krabbers van vuursteen.

Menselijke resten worden maar zelden gevonden. Dat is waarschijnlijk een gevolg van de zure bodemgesteldheid in Nederland, waar skeletten volledig in kunnen vergaan. Lijfsieraden zijn ook weinig gevonden. Het zijn meestal kralen van barnsteen en git (gagaat), veelal geïmporteerd en karakteristiek voor steentijdculturen van Engeland, Frankrijk en ook Midden-Europa. In Nederland komt het oudste metaal (koper) uit een hunebed bij Buinen, gevonden in 1927 door Van Giffen. De spiraalvormige kralen die uit dit koper waren gemaakt, worden gedateerd rond 2500 v.Chr., hoewel de hunebedden ouder zijn. Ook in Odoorn is koper gevonden in een hunebed. De kralen zijn te zien in het Drents Museum te Assen.

Hunebedden in Nederland[bewerken]

De hunebedden in Nederland vormen de meest westelijke uitloper van het territorium van de Noordelijke megaliet-cultuur, die verder doorloopt tot in Oost-Duitsland. Qua stijl en locaties vertonen ze grote overeenkomsten met de hunebedden in Sleeswijk-Holstein, Noordrijn-Westfalen en met name het Eemsland.

Naar schatting waren er in Noord-Nederland 80 tot 100 hunebedden, de meeste daarvan in Drenthe. De plaats van 18 gesloopte hunebedden is nog bekend.

Reliëfkaart met de locaties van de 53 nog bestaande Nederlandse hunebedden (G5 staat niet op deze kaart). De hoogtes zijn hier een factor 20 overdreven om het reliëf goed tot uitdrukking te brengen. Te zien is dat de meeste hunebedden in de hogere delen van het landschap liggen (de Hondsrug, een stuwwallencomplex)

Van de 54 hunebedden die nu nog in Nederland zichtbaar zijn, staan er 52 in de provincie Drenthe. De andere twee staan in de provincie Groningen: één bij Noordlaren, enkele meters over de grens met Drenthe, het andere is in 1982 gevonden bij een opgraving in Heveskesklooster, en geplaatst in een museum in het nabijgelegen Delfzijl.

Van de 52 hunebedden in Drenthe ligt het grootste hunebed bij Borger (hunebed D27). Hier liggen in totaal dertien hunebedden bij elkaar. In 2010 werd een bodemscan gemaakt.[6] Vlak naast het grootste hunebed is het Hunebedcentrum gebouwd waar veel informatie over de prehistorie is te verkrijgen. In het Drents Museum in Assen is er ook veel te zien over de hunebedden en hun bouwers/cultuur.

Het langste Nederlandse hunebed is hunebed D43, dat op de Schimmeres bij Emmen ligt. Dit hunebed wordt wel het Langgraf genoemd, hoewel dat eigenlijk de type-aanduiding is. Hunebedden met een eigen naam zijn onder andere de Papeloze kerk (D49) bij Schoonoord, 's Duvels kut (D17) bij Rolde, Duvelse kolse (D10) bij Gasteren en de Stemberg (D13) bij Eext.

Aan de voet van de Havelterberg bij Darp liggen twee hunebedden, waarvan één het op een na grootste hunebed van Nederland is (D53) met een lengte van bijna achttien meter.

De stenen waarvan de hunebedden zijn gebouwd zijn zwerfstenen, afkomstig uit Scandinavië die naar het zuiden zijn gevoerd door het oprukkende landijs tijdens een ijstijd. Toen het ijs aan het eind van de ijstijd smolt, bleven de meegevoerde stenen achter.

In de middeleeuwen was er geen aandacht voor de hunebedden. Dat blijkt onder andere uit de omstandigheid dat de megalithische steenhopen geen naam hadden: men sprak van "steenhopen".[7] In de 17e eeuw kreeg het hunebed voor het eerst aandacht. De Coevordense predikant Johan Picardt publiceerde in 1660 zijn "Korte Beschryvinge van eenige Vergetene en Verborgene Antiquiteiten Der Provintien en Landen gelegen tusschen de Noord-Zee, de Yssel, Emse en Lippe". In deze tijd worden de steenhopen ook wel Reuzenstenen of Hunesteenen genoemd. Op een kaart van 1637 wordt het megalithische graf bij Diever aangeduid met Hunnebet.

Er was geen sprake van systematisch onderzoek en nog minder van bescherming. Tal van hunebedden werden verwoest omdat men de kleingeslagen stenen als verharding van wegen kon gebruiken. Eind 18e en begin 19e eeuw werden stenen van diverse hunebedden weggehaald en aangewend voor de versterking van de zeedijken.

In 1734 werd in Drenthe een resolutie aangenomen waarin het vernielen van de gedenkteekenen strafbaar wordt. In de loop van de negentiende eeuw nam de belangstelling voor hunebedden, en voor het verleden in het algemeen, toe, en werden ze beschermd. In 1809 wordt het verboden om hunebedden (en andere monumenten) te onderzoeken. Leonardt Janssen reist naar Denthe en legt de hunebedden vast in eenvoudige tekeningen en schema's. Ook worden de eerste foto's genomen. De hunebedden waren nog in handen van boermarken en de overheid probeert het eigendom in handen te krijgen.

Ook werden ze een vast onderdeel van de geschiedenislessen in Nederland. Zo vormen ze sinds 2004 het eerste venster van de Canon van Nederland.[8] Ook kregen ze, net als megalithische monumenten elders ter wereld, pseudowetenschappelijke belangstelling. Zo werd in 1978 een boek[9] gepubliceerd waarin de hunebedden met "laserstralen en anti-zwaartekracht" gebouwd heten te zijn.

Hunebedden worden ook met vliegende schotels, aardstralen en reuzen en witte wieven in verband gebracht.

In 2015 werd bij Dalfsen het grootste grafveld van hunebedbouwers in Noordwest-Europa opgegraven[10]

Typen[bewerken]

Er zijn in Nederland vijf typen hunebedden:

  • Het ganggraf, zoals D45 in de Emmerdennen, waarvan de toegang meestal bestaat uit twee paar zijstenen waarop een deksteen rust. In het algemeen is er een ovaalvormige/niervormige steenkrans of resten ervan.
  • Het portaalgraf, zoals D1 bij Steenbergen, waarvan de ingang bestaat uit één paar zijstenen.
  • Het langgraf, zoals D43 op de Schimmeres bij Emmen, bestaande uit twee portaalhunebedden met één dekheuvel.
  • Het trapgraf, zoals D13 in Eext, waarvan de toegang bestaat uit een trap met vier treden.
  • De verlengde dolmen, waarbij de ingang zich aan de korte kant bevindt, zoals bij het laatst gevonden hunebed G5 bij Heveskesklooster.

Society of Antiquaries[bewerken]

Rond 1870 waren de meeste hunebedden in bezit van de overheid en men besloot deze monumenten 'op te knappen'. Bezorgd om de 'restauraties' die door provincie en lokale overheden werden uitgevoerd, zoals het weggraven van de dekheuvels, stuurde de Society of Antiquaries in 1878 twee Engelse oudheidkundigen naar Drenthe. William Colling Lukis en sir Henry Dryden maakten in de periode van 1 tot 22 juli plattegronden en aangezichten van veertig Drentse hunebedden. Deze tekeningen (met beschrijvingen) waren van ongekend hoog niveau voor Nederlandse begrippen.

In 2015 werd het werk van de oudheidkundigen uitgegeven. In het Drents Museum was een tentoonstelling over het werk.[11][12]

Hunebedden in Duitsland[bewerken]

In het noordwesten van Duitsland zijn enkele honderden hunebedden, waarvan vele met rust zijn gelaten en sommige veel groter zijn dan de Drentse. Toch zijn er ook in Duitsland veel hunebedden verdwenen. In 1846 telde Georg Otto Carl baron van Estorff 219 hunebedden in de omgeving van Uelsen. Er zijn nu nog 17 in het gebied overgebleven.

Hunebedden in Denemarken[bewerken]

Er zijn in Denemarken nog 2.500 graven te vinden. Naar schatting waren hier 25.000 megalithische grafkamers.

Hunebedden in Zweden[bewerken]

In het zuiden en midden van Zweden zijn nog honderden megalithische monumenten te vinden.

Dolmens in België[bewerken]

In België staan dolmens op de volgende plaatsen: Ronse, Kluisbergen, Velzeke, Duisburg, Virginal-Samme, Helshoven (restant), Leval-Trahegnies (restant), Fagnolle, Jemelle, Sart-lez-Spa, Bleid, Chassepierre, Forrières, Harré, Jamoigne, Malempre, Membre, Mousny-lez-Ortho, Gomery.[13]

De twee bekendste Belgische dolmens staan in Wéris.[14] [15] [16]

Dolmens te Wéris[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Megalieten bij Wéris voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De twee dolmens bij Wéris (Dolmen van Wéris en Dolmen van Oppagne) zouden gebouwd zijn door de Seine-Oise-Marne-cultuur (SOM) in het laat-neolithicum. [17] Gezien de gevonden beenderresten zouden ze zijn gebruikt als begraafplaatsen. De dolmens, de menhirs en sommige natuurlijke stenen rond Wéris zijn op lijnen geplaatst over de betekenis waarvan druk gespeculeerd wordt.[18]

Verschillen van de SOM-megalietgraven met die van de trechterbekercultuur (TRB) zijn:

  • De SOM megalietgraven zijn over het algemeen veel kleiner dan de TRB-hunebedden
  • De dolmens van Wéris zijn niet van zwerfstenen, maar van puddingsteen, een in de streek veelvoorkomend sedimentgesteente, een mengsel van kiezel en zandsteen. Deze blokken steen zijn tot 4 kilometer verplaatst.
  • De dolmens hebben als toegang een in de korte zijde uitgehakte opening, het zogenaamde zielengat.

Ouderdom dolmens Wéris[bewerken]

De Seine-Oise-Marne-cultuur kan (minimaal) ca. 2500 v.Chr. gesitueerd worden.[19] Een tijdstabel[20] stelt de SOM cultuur op één lijn met de Trechterbekercultuur (3400-2900 v.Chr.), de Vlaardingencultuur (3500-2500 v.Chr.) en de Steingroep (zie boven, 2800 v.Chr.), alle in het laat-neolithicum.

  • Beide dolmens bij Wéris vertonen de uiterlijke kenmerken van die van de SOM-cultuur
  • Bij opgravingen in de dolmens zijn potscherven en stenen pijlpunten gevonden die typisch zijn voor de SOM-cultuur
  • De gevonden beenderresten wijzen erop dat er vroeger mensen in begraven zijn. Met de C14-methode is de ouderdom van de beenderresten bepaald. Deze bleek in de eerste helft van het derde millennium v.Chr. te liggen, dus 3000-2500 v.Chr.[21][22]
  • Ook zijn er potscherven gevonden van de Klokbekercultuur die men heeft kunnen dateren tussen 2870 en 2300 v.Chr.

Hoogstwaarschijnlijk zijn deze monumenten vóór 2900 v.Chr. door mensen van de Seine-Oise-Marne-cultuur opgericht en door de Klokbekerbevolking hergebruikt.

Een datering van 2500 v.Chr. tot zelfs maximaal 3500 v.Chr. is dus mogelijk. De dolmens bij Wéris zouden dan 4500 tot maximaal 5500 jaar oud zijn, mogelijk even oud als de Nederlandse.

Hunebedden elders op de wereld[bewerken]

Megalieten[bewerken]

In heel Noordwest-Europa vindt men menhirs, grote staande stenen die door mensen zijn opgericht, variërend in grootte van enkele meters tot soms wel twintig meter. Maar ook grotere verbanden van een paar tot honderden grote stenen (megalieten) vinden we in Europa: steencirkels en steenrijen. Met name bij het Franse Carnac en in Ierland en Groot-Brittannië (Stonehenge) zijn deze te vinden. Hun betekenis is niet altijd duidelijk; vaak zijn ze ook van een andere cultuur dan de Trechterbeker-cultuur.

Volksgeloof[bewerken]

Hunebedden waren volgens het volksgeloof plekken waar kinderen uit tevoorschijn zouden komen.[25] Ook zijn hunebedden de plaats waar de witte wieven wonen en hun kostbaarheden opbergen[26]. Reuzen zouden de Dikke Stienen of hunebedden hebben gemaakt, in het Emmer hunebed zou nog een afdruk van een vuist van de reus te zien zijn[27][28]. Ook heeft Napoleon zijn paard op deze deksteen laten staan[29]

Jentil, een ras van reuzen uit de Baskische mythologie, zouden volgens volksverhalen ook verantwoordelijk zijn voor de bouw van megalitische bouwwerken, zoals bijvoorbeeld de jentilarri of jentiletxe.

In de nacht van 31 oktober (Samhain/Halloween) zijn korrigans in de nabijheid van hunebedden en dolmens om slachtoffers op te wachten.

Zie ook[bewerken]

Het Hunnenkerkhof (een grafveld) nabij Oosterhesselen, 2011

Literatuur[bewerken]

  • Johan Picardt, Korte Beschryvinge van eenige Vergetene en Verborgene Antiquiteiten Der Provintien en Landen gelegen tusschen de Noord-Zee, de Yssel, Emse en Lippe. Met twaalf etsen van Gerrit van Goedesbergh. Amsterdam (1660)[30] heruitgaven in 1975 (als relatiegeschenk) en in 2008.
  • Herman Clerinx, Kathedralen uit de steentijd: hunebedden, dolmens en menhirs in de Lage Landen . Uitgeverij Davidsfonds, Leuven, 2001.
  • In de Drentse literatuur komt het hunebed regelmatig voor. Zie: Geschiedenis van de Drentse literatuur.[31]
  • E. van Ginkel, S. Jager en W. van der Sanden, Hunebedden, Monumenten van een Steentijdcultuur (2005) 2e druk, Uitgeverij Uniepers, ISBN 90-6825-333-6