Zoniënwoud

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zoniënwoud
Beschermd natuurgebied
Zoniënwoud
Zoniënwoud
Situering
Land Vlag van België België
Coördinaten 50° 46′ NB, 4° 26′ OL
Dichtstbijzijnde plaats Brussel
Informatie
Oppervlakte 43,83 km²
Foto's
Pad in het Zoniënwoud
Pad in het Zoniënwoud
Het Zoniënwoud is vooral bekend door zijn oude beukaanplantingen
"Zoniënwoud met marktkramers", geschilderd door Lodewijk de Vadder (1605-1655)
Drieborrenkasteel
Boswachtersmonument

Het Zoniënwoud (Frans: Forêt de Soignes) is een groot bos centraal in België, ten zuidoosten van de hoofdstad Brussel. Het is zo'n 4400 hectare groot.

Het geheel wordt beheerd door zowel Vlaanderen (56%), het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (38%) als het Waals gewest (6%). Aansluitend zijn er nog diverse privébossen en het Kapucijnenbos dat eigendom is van de Koninklijke Schenking.

Het Zoniënwoud ligt op het grondgebied van de Vlaamse gemeenten Sint-Genesius-Rode, Hoeilaart, Overijse en Tervuren, de Brusselse gemeenten Ukkel, Watermaal-Bosvoorde, Oudergem en Sint-Pieters-Woluwe en de Waalse gemeenten Terhulpen en Waterloo. In het noordwesten dringt uitloper Ter Kamerenbos door tot diep in de stad Brussel.

Geschiedenis[bewerken]

De eerste aanwijzingen voor het bestaan van het Zoniënwoud dateren al uit de middeleeuwen. Zo wordt het vermeld in het perkament Donatio Angelae uit omstreeks het jaar 1000 als Sonia en als foresta de Songia in een document uit 1141 van Godfried I met de Baard, de toenmalige hertog van Brabant. Het woud bevindt zich op een leemplateau tussen de rivieren de Dijle en de Zenne, waaraan het woud mogelijk zijn naam ontleent. Ten zuiden wordt het begrensd door het riviertje de Argentine. Het woud kan vermoedelijk worden beschouwd als een overblijfsel van het nog oudere en meer uitgestrekte Silva Carbonaria of Kolenwoud.

Het openbare domeinbos Zoniënwoud beslaat een oppervlakte van 4421 ha, verdeeld over het Vlaamse (56%), het Brusselse (38%) en het Waalse Gewest (6%). Met inbegrip van de aangrenzende openbare domeinen Capucijnenbos met het arboretum van Tervuren (Koninklijke Schenking), het Ter Kamerenbos (Stad Brussel) en het Park van het Kasteel van Terhulpen (Waals Gewest) komt men aan een oppervlakte van ongeveer 5065 ha. Dit staat in contrast met de oppervlakte van circa 10.000 ha. aan het begin van de 19e eeuw. De sterke afname van het bosareaal werd hoofdzakelijk veroorzaakt door grootschalige ontbossing voor landbouw gedurende de eerste jaren na de onafhankelijkheid van België, maar ook door meer recente verkavelingen, de aanleg van paardenrenbanen en infrastructuur. Wegen en spoorlijnen versnipperen het Zoniënwoud ruimtelijk, hetgeen een niet te onderschatten invloed heeft op het bosleven (zie hieronder).

Er wordt evenwel werk gemaakt van een uitbreiding van het bosareaal. Hiertoe werd reeds 150 ha. grond aangekocht. Sinds de regionalisering van het Belgische "Bestuur van Waters en Bossen" in 1983 wordt het bos beheerd door het Brusselse, Vlaamse en Waalse Gewest, de Stad Brussel en de Koninklijke Schenking. Met 56% (2.492 ha.) van de totale oppervlakte beheert het Vlaams Gewest het grootste deel van het bos. Een van de doelen die het beheer voor ogen heeft is de omvorming van het quasi-homogene beukenbos naar een gemengd beuken-eikenbos.

Het Zoniënwoud bestaat voor het grootste deel uit hoge beukenbossen. De oudste bomen zijn meer dan 200 jaar oud. Het woud was lange tijd een exclusief jachtgebied voor de adel, maar tegenwoordig is het ook bij het grote publiek geliefd. De grootte van het bos en de ligging, pal in de grootstedelijke agglomeratie van Brussel, maakt het tot een uniek natuurgebied voor België.

Het woud veroudert snel. In de 17de en 18de eeuw werden grote delen van het Zoniënwoud geplunderd, wat leidde tot omvangrijke ontboste zones met heide. Vanaf het einde van de 18de eeuw heeft men de kale plekken volgeplant met beuken, wat een prachtig kathedraaleffect opleverde. Eentonige plantages zijn echter slecht voor het ecosysteem en er treedt nauwelijks verjonging op (nieuwe bomen die ontkiemen); een beuk kan 300 jaar worden en de meeste zijn al ouder dan 200 jaar. Wetenschappers doen er alles aan om natuurlijke verjonging te genereren, alleen is het niet zeker of het kathedraaleffect daardoor behouden blijft.

Historische monumenten en gebouwen[bewerken]

  • Drieborren : hier liet Jan III van Brabant in 1323 een bourg oprichten.
  • Het Boswachtersmonument (Ukkel) : in 1920 opgetrokken ter nagedachtenis van 11 boswachters die tijdens de Eerste Wereldoorlog gedood werden.
  • De renbaan van Groenendaal (Hoeilaart) : Leopold II legde destijds de renbaan aan. Volgens kenners was ze de mooiste van Europa, met een piste van 2.600 meter, publiekstribunes (afgebroken in 2012) en een koninklijke loge.

Toegangspoorten[bewerken]

Sinds 2012 werden er voor het Zoniënwoud verschillende plaatsen ontwikkeld als 'toegangspoorten' of Woudpoorten tot het bos. Het voornaamste doel is het kanaliseren van de bezoekers tot een beperkt aantal punten en de versnippering van verschillende wandelwegen te beperken. De vijf grote toegangspoorten zijn:

Verder zijn er nog vier kleinere toegangspoorten:

Flora en fauna[bewerken]

Het bos telt een groot aantal planten en dieren.

Planten[bewerken]

Vroeger kende het veel meer planten, maar vooral kwetsbare soorten zijn verdwenen. Er groeien nog verschillende zeldzame planten, maar ook vreemde inwijkelingen die door menselijk toedoen zijn verschenen. Deze verstoren soms het ecosysteem, waardoor ingrijpen noodzakelijk wordt.

Dieren[bewerken]

In het Zoniënwoud leefden vroeger 46 verschillende soorten zoogdieren. Zeven soorten zijn inmiddels verdwenen: de bruine beer (verdwenen omstreeks het jaar 1000), de wolf (rond 1810), de hazelmuis (sedert 1842), het everzwijn (terug aanwezig sinds 2006), het edelhert, de das en de haas. Andere exotische soorten zijn het bos daarentegen binnengedrongen zoals de Siberische grondeekhoorn.

Problemen bij het beheer[bewerken]

Een van de grotere problemen waarbij men bij het beheer wordt geconfronteerd is de quasi-afwezigheid van natuurlijke verjonging van beuk (Fagus sylvatica). Weliswaar ontkiemen er genoeg zaden tot jonge bomen, maar deze bereiken slechts een hoogte van enkele tientallen centimeters. De oorzaken hiervan zijn:

Rotting van zaden
Een deel van de zaden die op de grond terechtkomen zullen niet de kans krijgen om te kiemen, doordat ze op de grond door fungi worden aangetast.
Vraat door houtduiven (Columba palumbus)
Een groot deel van de zaden die niet door fungi worden aangetast vormen het voedsel voor houtduiven die in groten getale aanwezig zijn in het bos, door de nabije aanwezigheid van de stad.
Strooiselkwaliteit
Het traag afbrekend strooisel met een hoge C/N - verhouding geeft aanleiding tot de vorming van zure humus. Deze zuurheid bemoeilijkt de wortelgroei van de jonge boompjes, waardoor deze sterk geremd worden in hun ontwikkeling.
Wortelconcurrentie in een compacte bodem
Door de fragipan die ondiep in de bodem aanwezig is, is het moeilijk voor de opgroeiende boompjes om de diepere grondlagen, waar de pH gunstiger is, te bereiken. Bovendien ondervinden de ontwikkelende beuken in de bovenste grondlaag sterke wortelconcurrentie van de moederbomen, die veel water opnemen uit de bovenste laag.
Vraat door reeën en knaagdieren
Indien een opgroeiend boompje alle voorgaande gevaren goed heeft doorstaan loopt het nog steeds het risico om aangevreten te worden door reeën en knaagdieren.

Uit onderzoek is gebleken dat de slaagkansen van de natuurlijke verjonging kunnen verhoogd worden door de bosgrond aan te rijken met potgrond, hetgeen evenwel niet uitvoerbaar is op grote schaal, of door het onderwerken van de zaden nadat het grootste deel op de grond is terechtgekomen. Door toepassing van de laatste methode worden de beukennootjes beschermd tegen de vraat door duiven en wordt ook de bodemverdichting verminderd. Een ander probleem waarmee men, voornamelijk in het begin van de jaren 1990, werd geconfronteerd, is de massale eikensterfte op het domein. Gezonde eiken, die door deze ziekte worden aangetast, sterven binnen twee jaar. De juiste oorzaken van deze ziekte zijn nog steeds niet achterhaald maar als mogelijke oorzaken worden voorgesteld:

Het hout van afgestorven eiken kan evenwel nog gebruikt worden voor verwerking, doordat het niet vlug door schimmels aangetast wordt. Door eveneens onbekende redenen is de aantasting van eiken de afgelopen jaren gestagneerd, maar andere en nieuwe bedreigingen van het eikenbestand, zoals sudden oak death, blijven bestaan. Ook bij het exploiteren van het Zoniënwoud ondervindt men moeilijkheden, doordat hierbij zware bodemverdichting kan optreden. Door exploitatie hebben alle bosbodems te lijden onder verdichting, maar in het Zoniënwoud wordt dit fenomeen versterkt door de aanwezige fragipan en de lemige bodemtextuur. Om bodemverdichting te vermijden wordt het gebruik van vaste uitsleepwegen aanbevolen, maar door de bezetting met zware beuken is dit systeem moeilijk hanteerbaar in het Zoniënwoud. Bovendien verloopt het herstel van een verdichte bodem in dit bos traag in vergelijking met andere bossen, zoals het Domeinbos van Ravels, door de veel lagere dichtheid aan regenwormen in de bosbodem. Deze lage dichtheid wordt veroorzaakt door de lage bodem-pH, die ervoor zorgt dat de - voor de regenwormen noodzakelijke - Ca-ionen niet meer beschikbaar zijn. Tot slot bemoeilijkt ook de ruimtelijke en administratieve versnippering van het Zoniënwoud het bosbeheer. De fragmentatie van het bosecosysteem, die veroorzaakt wordt door de verschillende wegen die het bos doorkruisen en door de spoorlijn die dwars door het bos heen loopt, zou deels kunnen opgevangen worden door de aanleg van ecoducten. Hierdoor zou de uitwisseling van genetisch materiaal tussen de verschillende bosdelen sterk kunnen verbeteren. Naast de belemmering voor de plant- en diersoorten die in de verschillende bosdelen aanwezig zijn om genetisch materiaal uit te wisselen, veroorzaakt de fragmentatie van het bos nog tal van andere problemen zoals licht- en luchtvervuiling en geluidshinder.

Bosreservaten en FSC-certificering[bewerken]

De Siberische grondeekhoorn, een exoot in het Zoniënwoud

In het Zoniënwoud bevindt zich een officieel erkend bosreservaat Joseph Zwaenepoel, genoemd naar een vroegere houtvester, dat deel uitmaakt van het Europees reservatennetwerk.

Het deel ervan dat voorheen bekend stond als Kersselaerspleyn wordt deels al sedert 1983 behandeld als een integraal bosresevaat, doordat men er de natuurlijke processen op hun beloop laat. Het is het grootste en tegelijk oudste bosgedeelte in Vlaanderen waar buiten een eventueel startbeheer een nulbeheer wordt toegepast. Dit in tegenstelling tot gerichte bosreservaten waarbij men een actief beheer voert om een bepaald bostype in stand te houden. Zoals reeds gezegd laat men in een integraal bosreservaat de natuurlijk processen op hun beloop, maar men kan zich natuurlijk de vraag stellen hoe ver men hierin kan of mag gaan. Het is bijvoorbeeld niet ondenkbaar dat het reservaat gekoloniseerd wordt door Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina), Siberische grondeekhoorn (Tamias sibiricus) of andere exoten. Indien dit gebeurt bestaat de mogelijkheid dat de exoot gaat domineren en de andere plant- of diersoorten onderdrukt. Indien men echter exoten gaat en/of blijft verwijderen uit een integraal bosreservaat, doet men in feite afbreuk aan de principes die het zouden moeten kenmerken.

Naast de erkenning van hogergenoemd bosreservaat werd het Zoniënwoud in 1997, samen met twee andere Vlaamse bossen, gecertificeerd met het FSC-label. Dit certificaat kan als een beloning gezien worden voor het gevoerde beheer, daar het enkel aan duurzaam beheerde bossen wordt toegekend.

Externe link[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Matthieu Alderweireld et al., Het Zoniënwoud - Een nieuwe visie op een patrimonium met toekomst. De Vrienden van het Zoniënwoud, Groeninghe, Margada, 2009