Agglomeratie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Portal.svg Portaal Steden

Een agglomeratie (ook wel stedelijk gebied genoemd, maar die term kan ook naar een algemener begrip verwijzen) is een aaneenschakeling van nederzettingen (steden en dorpen) waarvan de inwoners zich gedragen alsof zij in één stad wonen. Dat wil zeggen dat de bewoners wonen, werken, winkelen en recreëren in verschillende delen van de agglomeratie en zich in hun dagelijks leefpatroon veelvuldig binnen de agglomeratie verplaatsen. De term agglomeratie verwijst vooral naar de morfologische vorm van aan elkaar gegroeide nederzettingen, terwijl de term stadsgewest eerder verwijst naar de verspreiding van de stedelijke levenswijze, die de agglomeratie ver kan overstijgen.

In veel gevallen ligt een agglomeratie rondom een centrale stad. De steden en dorpen sluiten min of meer direct op elkaar aan, er kunnen echter ook rivieren, autosnelwegen, parken of volkstuinen tussen liggen.

Vervoer[bewerken]

De kracht van een stad ligt onder meer in het feit dat de bewoners zich binnen de stad veelvuldig bewegen zodat een intensieve interactie ontstaat tussen de bewoners. In een traditionele stad verplaatsten de inwoners zich hoofdzakelijk te voet. De omvang van traditionele steden is daarom beperkt tot een half uur gaans (circa drie kilometer). Agglomeraties konden ontstaan doordat snelle vervoerswijzen beschikbaar kwamen (trein, tram en auto) waardoor bewoners zich binnen hetzelfde tijdbudget over veel grotere afstanden konden verplaatsen. Zo kon het dagelijks leefpatroon van de bewoners zich over een veel groter gebied uitstrekken en werd een intensieve interactie tussen veel grotere aantallen inwoners mogelijk. Deze intensieve interactie heeft meerwaarde omdat zij culturele en economische ontwikkeling mogelijk maakt.

Verkeerssystemen[bewerken]

Agglomeraties zijn afhankelijk van een goed verkeerssysteem. Zij kennen een druk (forenzen)verkeer, beschikken over openbaar vervoer en hebben last van congestie. Agglomeraties zijn vaak gegroeid rondom verkeerssystemen die eigenlijk bedoeld waren voor interlokaal verkeer en gedimensioneerd waren op veel kleinere vervoerstromen. Spoorwegen en autowegen binnen agglomeraties zijn daarom veelvuldig uitgebreid om in de alsmaar toenemende vervoersbehoefte te voorzien. Ook zijn verkeerssystemen, die ontstaan zijn op een stedelijke schaal (zoals de stadstram), uitgebreid naar de grotere reikwijdte van de agglomeratie. Het probleem hierbij is dat deze systemen eigenlijk te langzaam zijn: agglomeraties hebben behoefte aan vervoersystemen die specifiek zijn toegesneden op hun behoefte zoals voldoende snelheid en een hoge capaciteit. Dergelijke systemen, zoals een metro, worden ook wel aangeduid met de term stadsgewestelijk vervoer.

Agglomeraties in België[bewerken]

In haar definiëring van stadsgewesten beschouwt de federale overheid van België de agglomeraties van Brussel, Antwerpen, Luik, Gent en Charleroi als "grote steden".[1] Bergen, Leuven, Brugge, Namen, Kortrijk, Mechelen, Hasselt, Verviers, Oostende, Doornik, Genk, Sint-Niklaas en Turnhout worden gezien als "regionale steden".[1] De Brusselse agglomeratie is het grootste van het land en overstijgt de grenzen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Agglomeraties in Nederland[bewerken]

Zie het lemma Plusregio voor een compleet overzicht. In zeven stadsregio's in Nederland is een extra bestuurslaag (tussen provincie en gemeente) opgericht.

De vijf grootste agglomeraties zijn:

De regio's Arnhem-Nijmegen en Twente vormen de twee overige stadsregio's, maar deze zijn minder aaneengesloten en kunnen (nog) niet echt als één agglomeratie beschouwd worden. De stadsregio Rotterdam en het stadsgewest Haaglanden zijn daarentegen dusdanig aan het verstrengelen, inclusief politieke samenwerking, dat zij ook samen als één enkelvoudige agglomeratie gezien zouden kunnen worden.

Definities in verschillende landen[bewerken]

Landen definiëren agglomeraties op verschillende manieren:

België[bewerken]

De stedelijke agglomeratie omvat de kernstad en de stadsrand. Het is het landschapsdeel dat aaneensluitend bebouwd is met huizen, openbare gebouwen, industriële en handelsuitrustingen, met inbegrip van de tussenliggende verkeerswegen, parken, sportterreinen enzovoorts. De stedelijke woonkern wordt begrensd door een zone bestaande uit landbouwgrond, bossen, braakliggende en woeste gronden en verspreide bewoning. De geoperationaliseerde agglomeratie bekomt men door de morfologische agglomeratie aan te passen aan de gemeentegrenzen.[1] Typevoorbeelden van gemeentes in de Brusselse stadsrand zijn de zes faciliteitengemeenten rond Brussel.

Japan[bewerken]

Japan kent de term toshi-ken (都市圏), ofwel "blok-steden".

Zie ook[bewerken]

  • Conurbatie, een stedelijk gebied waar verschillende agglomeratie met eigen centrumsteden aan elkaar gegroeid zijn en één superagglomeratie vormen
  • Stadsgewest, het functionele stedelijke gebied dat vaak de agglomeratie overstijgt
Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b c (nl) Luyten, Sarah; Etienne Van Hecke, De Belgische Stadsgewesten 2001 (pdf), Statistics Belgium — Working Paper, Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie (FOD Economie), Brussel, 2007, p. 88 Geraadpleegd op 2013-01-21.