Son en Breugel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Son en Breugel
Gemeente in Nederland Vlag van Nederland
Locatie van de gemeente Son en Breugel (gemeentegrenzen CBS 2016)
Situering
Provincie Vlag Noord-Brabant Noord-Brabant
Coördinaten 51°30'58"NB, 5°30'7"OL
Algemeen
Oppervlakte 26,51 km²
- land 25,95 km²
- water 0,56 km²
Inwoners
(31 januari 2022)
17.773?
(685 inw./km²)
Bestuurscentrum Son
Belangrijke verkeersaders A50
Politiek
Burgemeester (lijst) Hans Gaillard (VVD)
Economie
Gemiddeld inkomen (2012) € 40.700 per huishouden
Gem. WOZ-waarde (2014) € 327.000
WW-uitkeringen (2014) 35 per 1000 inw.
Overig
Postcode(s) 5690-5694
Netnummer(s) 0499
CBS-code 0848
CBS-wijkindeling zie wijken en buurten
Amsterdamse code 10549
Website www.sonenbreugel.nl
Bevolkingspiramide van de gemeente Son en Breugel
Bevolkingspiramide (2022)
Portaal  Portaalicoon   Nederland
Topografische gemeentekaart van Son en Breugel, juni 2019
Son en Breugel in 1865

Son en Breugel (Geluidsfragment uitspraak (info / uitleg)) is een gemeente en woonplaats in de Nederlandse provincie Noord-Brabant, gelegen in de Meierij van 's-Hertogenbosch.[1] De gemeente bestaat uit de kerkdorpen Son en Breugel die op korte afstand tegenover elkaar aan de Dommel liggen. De gemeente telt 17.773 inwoners (31 januari 2022, bron: CBS) en heeft een oppervlakte van 26,67 km² (waarvan 0,28 km² water). De gemeente Son en Breugel maakt deel uit van de Metropoolregio Eindhoven.

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

Prehistorie

Oude Steentijd (300.000 tot 8800 voor Chr.)

Het Brabantse landschap werd gevormd door dekrandruggen met zandverstuivingen, afgewisseld met beekdalen. De eerste mensen die hier hun sporen hebben nagelaten leefden laat in de Oude Steentijd, te weten de periode van rendierjagers in de nadagen van de laatste IJstijd. Ze hadden geen vaste woonplaats en hadden rond 12.000 voor Chr. o.a. een basiskamp dat in de ondergrond van het Sonse Kerkplein en omgeving ontdekt is aan de hand van stenen werktuigen (schrabbers en stekers om dierenhuiden te bewerken).

Midden-Steentijd (8800 - 5300 voor Chr.)

In de Midden-Steentijd kwam er een warmer klimaat, waardoor er in de streek veel moerassen ontstonden en daarmee andere vegetatie en andere fauna (kleinere dieren) om op te jagen en te vissen, met aldus ook andere jachtmethode dan voorheen.

Nieuwe Steentijd (5300 - 2000 voor Chr.)

Tijdens de Nieuwe Steentijd kreeg de streek te maken met de komst van een nieuwe bevolkingsgroep, naast de reeds aanwezige jagers-verzamelaars. Deze nieuwe bewoners bedreven al lange tijd akkerbouw en veeteelt. Aan de paalsporen bij opgravingen te herkennen, waren de woningen langgerekt van vorm, opgetrokken van houten palen, wanden van leem en daken van stro of riet.

Overledenen werden in grafheuvels begraven.


Bronstijd (2000 - 800 voor Chr.)

De eerste grotere groep bewoners op Sons grondgebied dateert uit de bronstijd en bewoonde een groter gebied langs de Groote Beek en op de Hooidonkse Akkers. Een grotere kern teruggevonden gebouwen bevond zich op Ekkersrijt op de plek waar nu het grote verkeersknooppunt A50 / A58 ligt.

Aldaar werden sporen van een grote nederzetting opgegraven die minstens 24 boerderijen en ruim 80 bijgebouwen uit verschillende bouwperioden telde plus twee grafheuvels en een aantal crematiegraven. Zo’n omvangrijke woonplaats uit deze tijd is uniek voor de zuidelijke Nederlanden (België en Noord-Frankrijk inbegrepen). Nergens tot aan Noord-Frankrijk is tot nu toe zo’n bevolkingsdichtheid in de Bronstijd op een klein gebied aangetroffen als op het grondgebied van Son en Breugel.

In de Bronstijd ging men naast lijkbegravingen ook cremeren en de botresten in urnen begraven.

Op tenminste nog vijf andere locaties zijn bewoningssporen uit de Bronstijd gevonden.

Het centrum van Son wordt al sinds de late Bronstijd permanent bewoond.

IJzertijd (800 - 50 voor Chr.)

Gedurende de IJzertijd nam de bevolking sterk toe. Op talloze locaties op het Son en Breugelse grondgebied werden hier sporen van teruggevonden. Ten gevolge van de sterke toename van de bevolking was men genoodzaakt landbouw op minder goede ondergronden te gaan plegen. Aangezien de grond op deze locaties snel uitgeput raakte waren de bewoners van specifiek deze gronden genoodzaakt van tijd tot tijd te verhuizen.

Belangrijke opgravingen voor deze periode hebben plaatsgevonden op de Hooidonkse Akkers en Ekkersrijt (door WADNA). Op de Hooidonkse Akkers werden tussen 1967 en 1974 zowel jacht-afval (geweien en botten), als slachtafval van varkens, schapen en runderen gevonden. Tevens werd daar op grote schaal aardewerk geproduceerd, alsmede wol en linnen geweven. Weefgewichten en spinklosjes werden immers ook op Hooidonk gevonden. Met het aantreffen van diverse zaden is ook vast komen te staan dat er langdurig en op grote schaal vier soorten graan (gerst, spelt, pluimgierst en emmer), alsmede gewassen voor olie-productie (o.a. huttentut) en voor linnen (vlas) geteeld werden. Ook ijzeren gebruiksvoorwerpen werden hier geproduceerd met gewonnen ijzer uit ijzeroer uit de ondergrond. Vooral tussen 500 en 250 v. Chr. is dat gebied intensief bewoond geweest.


Romeinse tijd (50 voor Chr. - 450 na Chr.)

Met name het centrum van Son, alsmede diverse locaties langs de Groote Beek zijn de belangrijkste locaties met Romeinse bewoning.

In die tijd liep er al een weg door Son, ongeveer het traject van de Nieuwstraat volgend.

De ijzerproductie - te danken aan een grote hoeveelheid ijzeroer in de ondergrond - die hier al eeuwenlang vóór de komst van de Romeinen plaatsvond, werd in de Romeinse tijd sterk geïntensiveerd. Dit is bevestigd met de vondst in 1993 van de restanten van een natuurstenen ijzeroven rond het voormalige klooster in Son.

Tussen de Markt en het Kerkplein is in 2015 een crematiegrafveld aangetroffen met as, botresten en aardewerk, op vier plekken vlakbij elkaar. Bij één graf lagen twintig kleine fragmentjes onverbrande steenkool met een sterke glans, vermoedelijk magerkool, dat geassocieerd wordt met Romeinse villa’s. Deze vondst sluit daarom aan bij de grote hoeveelheid Romeins keramisch bouwmateriaal dat tijdens onderzoeken vóór 2015 is gevonden en vormt een extra aanwijzing voor een Romeinse villa in de directe omgeving. In het gehele gebied vanaf het Kerkplein tot aan de Groote Beek en globaal vanaf de Nieuwstraat (westzijde) tot achter het Vestzaktheater zijn talloze sporen van gebouwen aangetroffen, waarvan een aantal met pannen gedekt was.

Ten westen van de Waterstraat zijn in 2016 sporen van boerderijen uit deze tijd aangetroffen, evenals grote hoeveelheden aardewerk, grofkeramiek, glas, ijzeren gebruiksvoorwerpen, slijp- en maalstenen en vuurmakers, een bronzen armband en een kopje van een beeldje van een moedergodin. Gezien de grote hoeveelheid grofkeramiek kwamen in deze nederzetting zeer waarschijnlijk gebouwen met pannen daken voor.

Elders op bedrijventerrein Ekkersrijt zijn in 1989 sporen gevonden van talloze erven met woningen tot 33 meter lengte, waarvan de muren waren vervaardigd van leem. Ook op andere locaties, verspreid over de gemeente, is bewoning in de Romeinse tijd aangetoond, zoals bij de Castiliëlaan (nu Eindhoven), Hooidonkse Akkers en Wolfswinkel.

Door volksverhuizingen met hierbij gepaardgaand geweld verliet het Romeinse bestuur (en leger) zuidelijk Nederland vanaf het eind van de 4e eeuw. Een nieuwe bevolkingsgroep koloniseerde dit gebied op beperkte schaal. Het centrum van Son is echter altijd bewoond gebleven, terwijl andere locaties verlaten werden.

Middeleeuwen (450 - 1500 na Chr.)

Vroege Middeleeuwen  - Volksverhuizingstijd (450 - 525 na Chr.) en Merovingische tijd (525- 725 na Chr.)

Op basis van gevonden nederzettingsafval (aardewerk, o.a fragmenten van een knikwand-urn) is aangetoond dat het centrum van Son (tot de Groote Beek) in de nadagen van de Romeinse tijd en gedurende de gehele vroege middeleeuwen continu bewoond gebleven is. Ook op basis van historisch onderzoek mag geconcludeerd worden dat Son na de Romeinse tijd niet verlaten is.

Voorts is het tracé van de aangetroffen Romeinse (zand-)weg nooit verlaten. Pas vanaf de Late Middeleeuwen / Nieuwe Tijd werd de situering van deze weg iets gedraaid.

Vroege Middeleeuwen - Karolingische tijd  (725 - 900 na Chr.)

Ook in dit tijdvak werden het centrum van Son, het Pieter Brueghelplein, de Hooidonkse Akkers en de omgeving Kemenade en het gebied ten westen van omgeving Heuvel bewoond. Op deze locaties zijn aardewerkresten, bodemsporen zoals paalkuilen (van bebouwing) en waterputten gevonden. Uit één van die putten kwamen resten van granen, noten en vruchten tevoorschijn. Ook de plant ‘ijzerhard’ zat daartussen, Hieraan werden in de middeleeuwen magische krachten toegeschreven, zoals geluk, voorspelling en bescherming.

Aangezien in het centrum van Son bij diverse opgravingen opvallend veel aardewerk uit dit tijdvak is aangetroffen, kan men alhier spreken van een serieuze bewoningskern.

Vroege Middeleeuwen - Ottoonse periode (900 - 1050 na Chr.)

Eveneens  in deze tijd werden het centrum van Son, alsmede Breugel, de Hooidonkse Akkers en de omgeving van de latere buurtschappen Heuvel, Kemenade, Stad van Gerwen, Wolfswinkel en Aanschot bewoond, gegeven aangetroffen paalsporen van boerderijen en bijgebouwen, alsmede aardewerkrestanten.

In deze periode heerste het feodale stelsel. Dit hield in dat allerhande personen (zoals de keizer te Keulen) en edellieden als vertegenwoordigers van de wereldlijke macht enerzijds en bisschoppen en kloosters als vertegenwoordigers van de kerkelijke macht anderzijds rechten claimden over stukken grond en hierover belasting hieven. Een vlakdekkend landsheerlijk gezag bestond dus niet. In 958 bezat keizer Otto (Keulen) in de streek hier en daar de rechten op domeinen, waaronder te Son. De opkomende adel - alhier de heren van Rode (het tegenwoordige St.-Oedenrode) - kreeg ook in Son meer en meer voet aan de grond en claimde meer en meer deze gronden (en dus rechten). Aangezien de rechtmatige eigenaar ver weg zat (in Keulen), had hij moeite om zijn belangen alhier te verdedigen. In 959 werd Heraclius door Otto’s broer Bruno (aartsbisschop van Keulen) tot volgende bisschop van Luik benoemd. Bruno gaf aan Heraclius de rechten over diverse domeinen om het Luikse bisdom van (belasting-)inkomsten te voorzien, op voorwaarde dat hij hier Petrus-kerken zou stichten. Immers: Bruno had een voorliefde voor de heilige Petrus. Eén van de ‘originele’ banden van Sint Petrus had hij vanuit Rome naar Keulen laten overbrengen en hij liet in zijn ambtsgebied bestaande kerken aan Sint Petrus toewijden en stichtte er ook nieuwe. Vermoedelijk kreeg ook Son daarmee al in de 10e eeuw een kerkje.

Volle Middeleeuwen (1050 - 1250 na Chr.)

De tot nu toe vroegst bekende schriftelijke vermelding van Son is te vinden in een pauselijke brief uit 1107. Het gaat om een oorkonde waarin paus Paschalis II de Benedictijner abdij van Sint-Truiden (in het hedendaagse België) bevestigt in haar bezittingen en rechten, waaronder het ‘altare de Sunna’ (kerk waar inkomsten gegenereerd worden). Dit betekent dat de abdij het recht had om in Son belasting te heffen over grondexploitatie, alsmede inkomsten uit zielzorg te innen. Son kreeg aldus met zekerheid vóór 1107 en Breugel vóór 1320 een kerk.

Aan het eind van deze periode (1050-1250) werd de bestaande bewoning op diverse locaties uitgebreid, terwijl de bewoningskern ten oosten van Aanschot waarschijnlijk verlaten werd. Tevens werden er nieuwe hoeves gesticht en grotere gebieden ontgonnen.

Uit het gebied ten westen van de Waterstraat komt een boomstamwaterput uit de 12e eeuw die sinds 2022 in het ‘Dommelhuis’ in Son te zien is. Waar de bewoning in het centrum van Son een grote kern vormde, bleef het centrum van Breugel bescheiden van omvang. Wel werd in 1146 het klooster van Hooidonk gesticht. Dit klooster zou zich later met haar hoeves en grondgebied afscheiden van Breugel. Dit verklaart waarom heden ten dage de gemeentegrens tussen Son en Breugel enerzijds en Nuenen (Nederwetten en Gerwen) anderzijds dwars door de buurtschappen Hooidonk, Stad van Gerwen en Olen loopt, wat bestuurlijk zeer onlogisch is.

Late Middeleeuwen (1250 - 1500 na Chr.)

Rond 1100 wist de hertog van Brabant zijn macht dusdanig uit te breiden dat het oostelijke deel van het huidige Noord-Brabant onder zijn bestuur kwam te vallen. Om de locale (niet-regionale) heerschappers voor zich te winnen verleende de hertog hen rechten zoals marktrecht, jachtrecht, maalrecht, etc. Hiermee kon de adel haar machtspositie en inkomsten behouden. In ruil daarvoor dienden ze de hertog trouw te zijn door het leveren van goederen (tienden/belasting) en diensten/manschappen in conflictsituaties. Inmiddels was de invloed vanuit Keulen daarmee aldus verdwenen. Wel bleef het kerkelijk gezag (vaak via kloosters en kapittels onder het bisdom Luik) bestaan. Ook kloosters en kapittels hadden inkomsten via tienden (belasting).

De hertog van Brabant liet in 1311 de grenzen van de dorpen Son en Breugel vastleggen. Zij bleven tot 1972 vrijwel ongewijzigd. In 1355 werd bepaald welke gebieden alhier voor gemeenschappelijk gebruik mochten worden aangewend ter winning van turf, heideplaggen (ten behoeve van mestvorming in een potstal) en hout voor verwarming en woningbouw, alsmede voor het weiden van schapenkuddes.

Ook archeologisch zijn op talloze locaties sporen van bewoning in deze periode teruggevonden. Veelal betreft het waterputten, aardewerk, botten, paalsporen van gebouwen (boerderijen - houtskeletbouw met lemen wanden) en sporen van greppels.

Bij de monding van de Groote Beek in de Dommel stond in 1257 al een watermolen die in dat gebied tot tussen 1715 en 1750 zou blijven bestaan. In 1273 werd de adellijke priorij van Hooidonk voor 50% eigenaar. In 1546 kwam deze watermolen in volledig eigendom van deze priorij. In die tijd bezat de priorij (bestaand hebbend van 1146 tot 1648) ook meerdere boerderijen in Son en in Breugel.

Son had rond 1440 al een herberg, genaamd ‘De Zwaan’, in deze streek een gangbare naam. Op de plek waar tegenwoordig ‘De Zwaan’ (stammend uit midden 18e eeuw) te vinden is, stond in 1669 al een herberg-brouwhuis.

Kort na 1400 werd het - inmiddels stenen - Sonse kerkje uitgebreid met een klein koor. Aan dat koor zou 50 jaar later een nieuwe vervangende hoge kerk aangebouwd worden. Om dit te financieren kreeg het bestuur van Son in 1445 toestemming van hertog Philips de Goede om 12 bunder (+/- 12 hectare) gemeenschappelijke grond te verkopen. Koper van die grond was Adam Marcelis die Luwe. De hoog geconstrueerde vervanging van het kleine lage Sonse kerkje werd tussen 1446 en 1459 gebouwd; de rijk versierde toren (o.a. met mergelsteen) kwam pas in 1526 gereed.

Ook Breugel had in 1320 al een kerkje. Begin 15e eeuw bouwde men een nieuw priesterkoor. Midden 15e eeuw werd er vervolgens een nieuwe kerk aan dit priesterkoor gebouwd.

Beide kerken werden in de stijl van de Brabantse gotiek opgetrokken. Zij fungeerden als middelpunt van de samenleving. Daar werd gebeden en vergaderd; soms kregen de kinderen daar kerkelijk onderwijs.

In de vijftiende eeuw waren Son en Breugel twee zelfstandige dorpen. Op het grondgebied van beide dorpen lagen (in het buitengebied) verspreid liggende hoeves. Een aantal hiervan zou later uitgroeien tot buurtschappen zoals: ten noorden, zuidwesten en zuiden van Son: Heuvel, Vossenhol, Esp, Ekkersrijt, Kemenade, Hoeven, Aanschot en Bokt; ten oosten van Breugel: Hoogstraat, Eind en Keske (zie bovenstaand kaartje).

Het aantal inwoners wisselde nogal eens, gezien het volgende staatje. Ziektes zoals de pest, alsmede misoogsten en oorlogshandelingen speelden hierbij een aanzienlijke rol.

Het aantal huishoudens in het totale gebied:

in 1437: 190 (rond 1.000 inwoners)

in 1464: 328

in 1480: 236

in 1511: 192

in 1515: 135

in 1525: 290

In het midden van de vijftiende eeuw was er behoorlijke welvaart. De bevolking groeide tot zo’n duizend mensen; de (Bourgondische) hertogen hadden bestuur en rechtspraak goed geregeld. Naast de talrijke landbouwers kende dit gebied ook smeden, kleermakers, brouwers en rademakers, alsmede streekspecifieke beroepsbeoefenaars zoals schaapsherders, wevers en kooplieden. Er waren broederschappen zoals het Sint- Catharinagilde (sinds 1459) in Son, gevormd voor bijstand in het verlenen van hulp in crisisituaties, zoals bescherming bij plunderingen of hulp bij overlijdensgevallen.

zestiende eeuw

In 1511 telden Son en Breugel bijna evenveel woningen: 98 en 94.

In 1512, 1524 en 1528 plunderden troepen van de hertog van Gelre Breugel. In 1515 had Son nog maar 73 woningen en Breugel nog slechts 62. Eénderde was afgebrand. Desondanks herstelde en groeide Breugel in de 10 jaren daarna rap tot een groter dorp dan Son. In 1629 telde Son 1200 inwoners. In de twee eeuwen daarna steeg het aantal woningen in Son met 30%, terwijl het woningbestand in Breugel wéér slonk, met 35%.

In het begin van de zestiende eeuw was Brabant een deel van de zeventien door de Spaanse keizer Karel V bestuurde gewesten, ”de lage landen van herwaarts over”. Met het openbaren van zijn 95 stellingen in 1517 door Maarten Luther, alsmede het prediken van vrijheid van godsdienstig denken (reformatie) door Calvijn en diverse vroege protestanten, ontlokten zij rigoreuze ingrepen door het Spaanse gezag. Karel V werd in 1555 opgevolgd door zijn zoon Philips II, die vooral vanuit Spanje zijn macht uitoefende. Hij deed dat op zo’n manier dat er weerstand ontstond tegen zijn gecentraliseerde aanpak. Daar bovenop chanteerde Maarten van Rossum de Breugelse bevolking in 1542 onder dreiging van platbranden van Breugel: hij maakte 1500 gulden buit, wat naar hedendaagse waarde € 93.000,= zou zijn. Het dorp raakte zo financieel volledig aan de grond. In 1599 roofden Bourgondische troepen bovendien alle schapen en runderen uit Son en Breugel.

Sinds het tweede kwart van de 16e eeuw kreeg het protestantse geloof steeds meer aanhangers. De vorming van nieuwe bisdommen, waaronder dat van ’s-Hertogenbosch, waarvan de Sonse Franciscus van de Velde als Franciscus Sonnius in 1559 de eerste bisschop werd, was één van de maatregelen om de ontwikkeling van het protestantisme tegen te gaan. Voor de Nederlandse gewesten was de maat echter vol. Er ontstond verzet op politiek en godsdienstig gebied, uitmondend in een beeldenstorm in 1566 en het begin van de zogenoemde Tachtigjarige Oorlog in 1568. Philips II ondernam harde stappen in het onderdrukken van die opstandigheid, stuurde troepen onder leiding van een landvoogd (o.a. Alva), hief belastingen en bestreed de rebellie en het opkomende protestantisme met een waar schrikbewind. Van 1568 tot 1573 hief hertog van Alva hier dan ook drie belastingen, waardoor de bevolking plotsklaps kaalgeplukt werd: 1% over het eigen vermogen (éenmalig); 5% over omzet uit onroerend goed en 10% over omzet uit roerende goederen. De bewaard gebleven lijst van de inwoners van Son en hun goederen geeft duidelijk aan dat er niet veel rijkelui in Son woonden.

Bij de opgravingen in 2009 tussen het Dommelhuis en de Nieuwstraat zijn meerdere waterputten aangetroffen. Eén daarvan, stammend uit +/- 1600, was gemaakt van een houten ton met daar bovenop een ring van gestapelde bakstenen. Erin bevonden zich plantenresten uit een zeer gevarieerde kruidentuin. In die dagen was het gebruikelijk dat een pastoor met al zijn aanzien geneeskundige bijstand verleende, om daarmee kwakzalvers buitenspel te zetten.


zeventiende eeuw

De opstand tegen de Spaanse overheerser was niet meer te beteugelen. De tijden werden guur toen in het eerste kwart van de zeventiende eeuw zowel Spaanse als Staatse troepen door Brabant trokken. In 1629 werd Den Bosch door de Staatse troepen ingenomen onder leiding van Frederik Hendrik, maar de Spaanse troepen bleven in de buurt. Vaak kwam het voor dat de ene dag Son en Breugel overlopen werd door de Staatse troepen die hier geld en goederen roofden en de bevolking bedreigden en dat de dag erna de Spaanse troepen hetzelfde nog eens dunnetjes overdeden.

De brug tussen Son en Breugel, die al in de 14e eeuw bestond, leed zwaar onder de vele zware militaire transporten. De tolheffing bracht bij lange na niet meer voldoende op om het veelvuldig noodzakelijke herstel te bekostigen.

Intussen werden de Staatse troepen steeds meer heer en meester in de Meierij en dus ook in Son en Breugel. In 1648 werd Brabant definitief opgedeeld in een Spaans gedeelte en een noordelijk deel dat tot de Republiek van de Verenigde Nederlanden ging behoren. Niet als volwaardig lid maar als generaliteitsland dat rechtstreeks viel onder het bestuur van de Staten-Generaal in Den Haag. Het  katholicisme werd verboden, al bleef de bevolking voor het overgrote deel katholiek. De kerken van Son en Breugel werden voor de katholieke eredienst gesloten, een protestantse voorganger nam het roer over en preekte dan in twee lege kerken voor zijn vrouw en kinderen en enkele allochtone notabelen, zoals de vorster, de schoolmeester en de stadhouder die in de Dommelstraat woonde in het huis dat nu huisnummer 12 heeft. Zij zagen toe op “paapse stouticheden”. Maar bijna iedereen ging zijn traditionele gang en trok zich weinig aan van die paar nieuwe buitenstaanders, die soms openlijk of in het geniep werden tegengewerkt. De katholieken hielden hun godsdienstoefeningen op geheime plaatsen; later toen het regime iets soepeler werd konden ze onder voorwaarden en tegen betaling schuurkerken inrichten en gebruiken. Son had er twee: in de Dommelstraat en op de Heuvel; Breugel kreeg er één aan het eind van het Pieter Brueghelplein.

Vanaf 1602 tot 1620 werden er - net als in 1445 - grote stukken gemeenschappelijke grond verkocht ten behoeve van de Sonse kerk, ditmaal voor grootschalige restauratie.

In de 17e eeuw telde Son twee watermolens: één vlakbij de monding van de Groote Beek in de Dommel en één tussen Houtens en de dorpskom. Daarbij speelden de watermolens op Wolfswinkel en Hooidonk in de directe omgeving ook een belangrijke rol voor de locale agrariërs.

Het hiervoor genoemde pand Dommelstraat 12 werd midden 17e eeuw gebouwd (Daarvóór stond er al sinds de 14e eeuw een belangrijk pand, genaamd ‘Dommelkaet’). Het oudste pand van Son zou door de eeuwen heen diverse gebruikers en bewoners gaan huisvesten: een gemeentesecretaris, notaris, Jan Bagelaar (kapitein op de Oost- Indië-vaart), een belastingkassier, een klompenmaker en een loodgieter. Zelfs puddingproductie vond er ooit zijn plek.

De pestepidemie die vanaf 1636 bijna anderhalf jaar lang in Son en vooral in Breugel genadeloos toesloeg, joeg veel inwoners weg, waarmee ook de textielnijverheid verdween. De massaal verlaten woningen - meestal van hout en leem en bedekt met stro - raakten snel in verval.

Met de aankoop in 1655 van totaal 50 hectare aan versnipperde gemeenschappelijke grond en 66 hectare in 1699 grepen de landbouwers de kansen aan om hun bedrijven flink uit te breiden.

Tijdens de oorlog tegen Frankrijk van 1672 tot 1678 werd Breugel genadeloos geteisterd en afgeperst, waarop de inwoners massaal wegtrokken en Breugel failliet verklaard werd. Dat resulteerde in openbare verkoping van alle onroerend goed. Pas in de loop van de volgende eeuw zouden de Breugelianen geleidelijk aan weer landerijen en boerderijen terugverwerven.

In 1673 plunderden en roofden de Fransen met grof geweld en brandstichting ook Son leeg, om in 1688 Breugel nog eens op te komen zoeken. De achtergebleven Breugelianen kochten die plundering af. Van de welvaart van de beide dorpen bleef weinig over. Achteraf beschouwd is het een wonder dat er nog mensen konden leven in het geplunderde boerenland, waar moord en doodslag, plundering en hongersnood hebben geleid tot forse krimp van de bevolking en tot grote armoede. Son en Breugel moesten steeds geld lenen. Lenen kostte in die tijd veel rente.

Tijdens de tweede oorlog met Frankrijk (1688-1697) werd Breugel overlopen door honderden Staatse troepen.Tegelijk werd de locale bevolking alwéér door de Franse overheersers financieel uitgekleed.

achttiende eeuw

Rond 1700 telden Son en Breugel samen ongeveer 1500 inwoners. Dat zou twee eeuwen zo blijven. In 1737 telt de gemeente 113 woningen. In 1800 zal dat geslonken zijn tot 90. Son telt dan 1017 katholieken en 12 protestanten.

Het dorpsbestuur dat vergaderde in de ‘raadkamer’ in het huis Dommelstraat 12 kreeg in 1783 een eigen huisvesting door de bouw van het raadhuis op de Markt in Son. Ook de brandspuit kreeg er een plaats.

foto 70370  Oude Raadhuis aan de Markt

Tegen het eind van de achttiende eeuw kregen de katholieken meer ruimte, omdat de scherpte van de protestantse maatregelen begon af te nemen. Desondanks bleven de protestantse bestuurders hun (economische) grip op de bevolking houden. In 1795 kwam de omslag: de Franse revolutie en het Franse bewind brachten nieuwe ideeën aan, o.a. over gelijke rechten voor protestant en katholiek. De katholieken waren veruit in de meerderheid en na enkele jaren kregen zij hun kerken weer terug.

Tussen 1730 en 1750 werd de watermolen bij de monding van de Groote Beek in de Dommel afgebroken. In 1740 had het buurtschap Esp een standerdmolen waarin het werk van de watermolen nadien werd overgenomen. De molenaar heette Petrus Moonen, kwam uit Hilvarenbeek en trouwde in 1738 in Sint Oedenrode met Adriana Teulings.

In 1798 werd in Son een nieuwe pastorie gebouwd, voor aan de Straat, zo groot, mooi en luxueus dat de protestante dominee er schande van sprak. Niettemin: de pastoor hield er ook een grote kruidentuin op na, waaruit voor ziekenzorg - in die tijd niet ongebruikelijk - geput kon worden.

Het zou nog enige tijd duren, voordat de drie schuurkerken konden worden afgebroken, want de twee bestaande ‘grote’ kerken waren aan een grondige restauratie toe. Tot overmaat van ramp verloren alle kerken in de omgeving bij een orkaan hun ranke hoge spits, zo ook die van Son en van Breugel.

Rond 1800 wordt van de gemeenschappelijke grond wederom een fors stuk - ditmaal 60 hectare - aan landbouwers verkocht en ontgonnen.


Het bestuur van Son en Breugel vóór 1810

Al vanaf de Middeleeuwen was het bestuur van de dorpen Son en Breugel hiërarchisch geregeld:

Bovenaan stond de Brabantse hertog als de landsheer (later werd dat de Bourgondische hertog, daarna de Spaanse koning en na 1648 de Staten Generaal van de Republiek der zeven Verenigde Provincies).

Daaronder stonden in de gewesten de ambtenaren, die van hogerhand hun instructies ontvingen en uitvoerden ( bijvoorbeeld in het gewest Brabant).Op hun beurt hadden zij plaatselijk ambtenaren aangesteld als hun plaatsvervanger: een kwartierschout over een groter gebied (bijvoorbeeld Peelland) en onder diens gezag schepenen in de dorpen.

Son en Breugel vormden samen één schepenbank, waarin vier schepenen uit Son zaten en drie uit Breugel. De leiding had een Sonse president-schepen. De kwartierschout benoemde ter ondersteuning van het werk van de schepenen een secretaris, een belangrijke functie, want hij legde de besluiten van de vergadering van de schepenen vast en zorgde voor de correspondentie naar andere bestuursorganen. Een vorster zag toe op de handhaving van de algemene orde.

Daarnaast waren er per dorp de borgemeesters, die de belastingen inden en betalingen deden in opdracht van de schepenen, armmeesters of Heilige-Geestmeesters voor de armenzorg en kerkmeesters, verantwoordelijk voor het functioneren van de kerk.

Voor belangrijke besluiten werden vanuit de ‘hoeken’, acht van Son en vijf van Breugel, hoekmannen geraadpleegd.

De schepenen hielden zich bezig met bestuurstaken, de lagere rechtspraak en taken die nu door de notaris worden gedaan, zoals het vastleggen van grondtransacties, het aangaan van leningen. Zij vergaderden wellicht in de kerk, de plaatselijke herberg, bij de kwartierschout in de Dommelstraat (12) en na 1783 in het Raadhuis op de Markt.

negentiende eeuw[bewerken | brontekst bewerken]

De bezetting door de Fransen brengt grote veranderingen met zich mee op het gebied van bestuur en wetgeving. Son en Breugel worden in 1810 één gemeente. Na de Franse tijd bestaat het dorpsbestuur uit schout en assessoren, de latere burgemeester en wethouders en de gemeenteraad. In 1811 wordt de Burgerlijke stand ingevoerd en in 1832, nadat de eerste aanzet daartoe al in de Franse tijd begonnen was, treedt het Kadaster in werking.

Omdat de protestante burgemeester Van Hoven niet op een katholiek gewijd kerkhof begraven mag worden, wordt er net buiten het dorp, tegenwoordig pal naast de eendenvijver aan de Europalaan, een algemene begraafplaats aangelegd, waar hij en zijn vrouw worden begraven. Dit is anno 2022 de kleinste algemene begraafplaats van Nederland.

Architect Pierre Cuypers doet goede zaken met ontwerp-opdrachten voor neo-gothische kerken in o.a. Veghel (1855), Eindhoven (1858) en Ospel (1865). Vanaf 1887 zullen ook Geldrop, Lierop en Uden een grote nieuwe kerk krijgen, herkenbaar aan de grote koepel tussen schip en koor, van de hand van architect Carl Weber. In deze explosie van religieuze expressie wil de jaloers geworden Sonse pastoor Dobbelsteen af van de in zijn ogen achterhaalde en sombere uitstraling van de kerk alhier. Deze wordt dan ook vanaf 1860 van binnen volledig gestript; het stokoude lage koor (stammend van ver vóór 1445) wordt opgehoogd, pilaren decoratief uitgefreesd, de dakbalkenconstructie afgeschermd met kruisgewelven van hout, gips, stro en kalk. De hele kerk wordt in wit, grijs, groen en rood geschilderd; ingericht met een groot aantal houten heiligenbeelden; een groot, hoog rijk versierd hoofdaltaar; een fraai spreekgestoelte uit houtsnijwerk; een Maria-altaar en een Corneliusaltaar. Niet bepaald brandveilig, maar wel een lust voor het oog en nog altijd plaats biedend aan 250 gelovigen. Voor het bevolkingsaantal van dat moment volstaat dat nog.

In 1878 wordt Son verrijkt met een nonnenklooster.

Tussen +/- 1850 en +/- 1880 worden in de kom van Son tal van onderling gelijkende huisjes gebouwd: parallel aan de straat, zadeldak als eerste verdieping en een ranke korte vierkante schoorsteen middenin. In 2022 zijn deze panden nog duidelijk terug te vinden aan de huidige Nieuwstraat, de Markt, huisnr. 6,7 en 8, Dommelstraat 2, 4 en in de Kerkstraat.

In 1897 wordt de stoomtrambaan Eindhoven - Veghel aangelegd, met haltes op Bokt en op de Markt in Son. Industrie is er nog niet, wel een aantal kleine ambachtelijke bedrijfjes. In 1895 zijn er 1 bierbrouwerij, 2 graanmolens, 6 bakkerijen, 2 schoenmakerijen, 6 klompmakerijen, 4 smederijen en 5 timmerwinkels, waarin 64 mannen en 2 jongens werkzaam zijn.


twintigste eeuw

1900 - 1910

De tram en de benenwagen vormen samen met paard en wagen het verkeersbeeld rond 1900. Waar Son aan de noordkant gepasseerd wordt met het ‘Duits (spoor-)lijntje’ van Boxtel langs Veghel, wordt het dorp aan de oostkant gepasseerd met de Zuid-Willemsvaart langs Beek en Donk; aan de westkant met de tolweg van Eindhoven naar Den Bosch. Waar omliggende dorpen aldus een graantje meepikken van opkomend verkeer en bedrijvigheid, moet Son en Breugel tot 1923 zijn eigen boontjes maar doppen. Het komt nog niet veel verder dan graan- en watermolens en bier (van brouwerij ‘Het

Anker’ van Van Amstel). Uit het zuiden komt slechts afval door de Dommel en stoom van de tram. Met de tram komt het kwaad en slechts nood tot een cachot - zonder electriciteit geen licht, dus des duisteren avond wordt menig passagier op de Sonse tramhalte rap beroofd.

Deze in 1897 aangelegde stoomtrambaan van Eindhoven naar Veghel bewijst haar nut met de vele houtafslag naast het raadhuis, waarbij gemeente-ambtenaren klagen over de versperring van De Straat door al die bedrijvigheid. De Zwaan en De Gouden Leeuw troeven elkaar af met de uithangborden ‘tramhalt’, azend op klandizie voor hun uitspanning.

Bedrijvigheid rukt ook op vanuit Eindhoven: in 1899 verrijst er op Vlokhoven een beltmolen, regelrechte concurrent van de molen op buurtschap Esp. Daarop wordt rond 1900 de Esper standerdmolen op buurtschap Esp afgebroken en aan de huidige Eindhovenseweg ter plaatse van de benzinepomp herbouwd - nog steeds dichtbij alle boeren ten zuiden van het kanaal, maar nu met uitstekende zichtlocatie aan de weg naar Eindhoven.

Met de invoering van de leerplichtwet wordt het dorpsschooltje te klein en wordt het klooster overspoeld met nog méér meisjes die daar onderwijs krijgen. De nonnen in het klooster stichten daarom in 1906 een nieuwe meisjesschool en in 1910 wordt er schuin tegenover een nieuwe jongensschool gebouwd (in 1989 afgebroken), gesticht door pastoor Van Ravensteijn.

Vanaf 1906 is Son een bedevaartsoord met de jaarlijkse Cornelius-bedevaart in mei, die ruim 60 jaar in stand zal worden gehouden.

De vele verstuiving van zand vanuit het heidegebied rond het Oud Meer is een grote ergernis voor de inwoners ten noorden van de Markt en Dommelstraat.


1910 - 1920

De voornaamste bron van inkomsten in zowel Son als Breugel is nog altijd akkerbouw en veeteelt,  naast enkele ambachten. In 1914 verrijst er aan De Straat een zuivelfabriek, die 40 jaar zal bestaan (in 1966 afgebroken).

In 1914 stichten de Broeders Alexianen uit Antwerpen het R.K. Sanatorium voor zenuwlijders aan ‘De Straat’, binnengehengeld door pastoor Van Ravensteijn. Van 1919 tot 1957 doet het tevens dienst als TBC-sanatorium.

Om de oprukkende zandduinen en de verstuiving te lijf te gaan, worden de heuvels van ‘De Sonse Bergen’ bebost, evenals een strook heidegebied ten westen van de weg naar St.-Oedenrode. Zelfs de Dommel wordt al millennia lang in oostelijke richting gedrukt, wat anno 2022 nog goed te zien is aan de bosrand van ‘De Sonse Bergen’ vanaf de Hoefbladlaan tot aan de Planetenlaan. In de prehistorie liep de Dommel vanaf het Vroonhovenpark diagonaal naar Wolfswinkel door het gebied wat nu de wijk ‘De Breeakker’ is. Wie daar een paar meter diep graaft, zal dan ook nog een leemlaag aantreffen.

1920 - 1930

Het raadhuis wordt in 1920 fors uitgebouwd met een sjieke raadszaal, brandspuit-garage en 2 gevangeniscellen. De Commissaris van de Koningin is onder de indruk bij zijn werkbezoek.

Het in 1923 gereedgekomen Wilhelminakanaal (sinds 1916 met de hand gegraven) brengt nieuwe bedrijvigheid, vooral in Son. Er komt industrie, zoals de betonfabriek BetonSon (in 1925), de destructor (in 1934), steenfabriek Terra en de handelsonderneming Hiva. Daarmee komen er meer inwoners. De dorpskom breidt zich uit naar het noorden en zuiden, zelfs tot over het kanaal.

De nieuwe woningen zijn anno 2022 goed herkenbaar aan de Mansarde-daken, een hype toen.


In 1920 telt de gemeente nog 1756 inwoners, in 1940 dubbel zoveel, namelijk 3538. Die groei is voor een deel ook te verklaren vanuit de ontwikkeling van de Philipswijk (1929) en de Sonniuswijk, waar in 1927 de kanaalgravers worden ingezet om ruim 200 hectare heidegrond te ontginnen. De cijfers tussen 1927 en 1929 laten een vestigingsoverschot zien van 604 personen. De gezinnen zijn groot, zelfs bovengemiddeld naar landelijke maatstaven en overwegend katholiek.

Vier kanaalbruggen (Stad van Gerwen, Stakenburg, het dorp en Houtens) verbinden de oevers en bij die bruggen lijkt een herberg net zo nodig als een brugwachtershuis. Breugel en ook de gehuchten er omheen behouden hun agrarische karakter.

1930 - 1940

De kern van Son omvat het raadhuis (anno 1783) aan de Markt (nu rijksmonument); de kerk van St.-Petrus Banden (anno 1459, afgebrand in 1958; toren is nu rijksmonument); de pastorie (anno 1798, afgebroken in 1965); het notarishuis (anno 1885, herkenbaar aan de bordeau-rood gesausde gevel en plat dak - rond 1930 was de zolderverdieping door brand verloren gegaan); het Corneliushuis in de Kerkstraat (anno 1930, gebouwd als patronaatshuis voor theater en jeugdvertier) en in de jaren ’60 en ’70 bibliotheek en sinds jaren ’80 tot 31 juli 2022 ‘Vestzaktheater, sinds 8 Juli 2022 is het[(sinds) wanneer?] verhuisd naar het "Dommelhuis"); een jongensschool (anno 1910), een meisjesschool (anno 1906); ernaast het nonnenklooster (anno 1878; in 1939 uitgebreid met een kapel; nu hotel La Sonnerie); er tegenover het sanatorium ‘Zonhove’ (anno 1914), een boterfabriek (anno 1914), enkele herbergen (‘De Zwaan’; er tegenover ‘De Gouden Leeuw’ en ‘De Roskam’); diverse cafés, enkele nette herenhuizen, woonhuizen annex winkels van een aantal middenstanders: bakker, slager, groenteboer, kapper, kruidenier, Edah, schoenmaker, electricien, houthandel, smederij, 2  klompenmakerijen op Wilhelminalaan 11 (anno 1832) en Dommelstraaat 22 (anno 1890); overwegend kleine boerenbedrijven langs de Straat en links en rechts nog wat arbeiderswoningen.

Het beeld van het kleinere Breugel wijkt daar enigszins van af: het is veel meer agrarisch van aard en zal dat tot ver in de jaren ’60 blijven. Niettemin heeft ook Breugel haar laat-middeleeuwse kerk met pastorie (anno 1889) en iets verderop in dezelfde straat de voormalige pastorie (anno 1801), enkele cafés, een kruidenierswinkel, bakkerij en smederij. Verder veel langgevel-boerderijen.

Veel mensen wonen buiten de twee kernen: ten westen en zuiden van Son op Houtens, Heuvel, Vossenhol, Kievit, Ekkersrijt, Aanschot, Hoeven, Esp, Bokt, Philipswijk (in 1929 in lus-vorm opgezet voor Philipsarbeiders van Drentse komaf met aan huis lange diepe groentetuinen); ten noorden van Son op de in 1927 ontgonnen heide die men ‘Sonniuswijk’ gedoopt had.

Ook Breugel kent zijn ‘hoeken’: Stokland, Keske, Olen en Hoogstraat.

De verbindingsweg tussen Son en Breugel is verhard met keien. Later worden ook de wegen naar Woensel, Sint-Oedenrode, Nuenen en Best (pas in 1953) verhard. Voorts resten slechts onverharde wegen.

De groei van de bedrijvigheid aan het eind van de twintiger jaren wordt geremd door de Grote Depressie. Zowel in de industrie als in de landbouw moeten veel inwoners vele stappen terug doen. Het toenemende gebrek aan werk wordt onder meer bestreden door tewerkstelling van werklozen (destijds de kanaalgravers annex heide-ontginners) in het heidegebied tussen Best en Son middels aanplant van honderdduizenden grove dennen voor de houtproductie t.b.v. de kolenmijnen. Van overheidswege wordt een uitgebreid distributiestelsel ingevoerd om vraag en aanbod van landbouwproducten te reguleren. Wie niet aan de slag kan, moet een beroep doen op het burgerlijk armbestuur of de hulp vanuit de kerk. Families helpen elkaar vooruit, burenhulp is een christenplicht.

De tramlijn raakt in onbruik, waarna de spoorbielzen in 1936 worden opgekocht door nazi-Duitsland, hier goed geld opbrengend en daar begeerd voor de wapenindustrie ( wij wisten niet beter met de hermetisch gesloten grenzen en perscensuur in die tijd).

Philips koopt het bosgebied ‘De Sonse Bergen’ en zet het in als recreatiegebied voor de kinderen van Eindhovense Philips-werknemers.

1940 - 1950

Foto’s uit dit decennium geven een beeld van de beslotenheid van twee kleine dorpsgemeenschappen. Langs De Straat rijgen zich de huizen aaneen, waarachter zich tuinen uitstrekken. En verder weg een uitzicht naar een horizon met hier en daar wat boerderijen, een molen, een schoorsteen van een fabriek en veel ruimte. Dat idyllisch beeld van een pastorale omgeving behoeft wel enige nuancering: tot het midden van de twintigste eeuw zal het duren dat voorzieningen voor gas, elektriciteit, water en riolering ook in de buitengebieden aangelegd worden.

Op 17 september 1944 worden in het kader van de Operatie Market Garden in de Sonniuswijk ten noorden van Son 8.000 Amerikaanse parachutisten en honderden vliegtuigen en gliders met militair materieel gedropt, nadat enkele uren ervoor de noordoosthoek van het bosgebied gebombardeerd wordt. Ook in de dagen erna gaat de aanvoer via de lucht door. Vier dagen lang wordt er heftig gevochten - de Duitsers proberen met man en macht de opmars van de Engelsen vanuit het zuiden tegen te houden, waarbij de kanaalbrug van Son wordt opgeblazen. De Amerikanen die vanuit het droppingsgebied Sonniuswijk naar het zuiden en zuidwesten optrekken om die brug nog tijdig in handen te krijgen, komen zwaar onder vuur te liggen, waarbij in de vier dagen durende strijd tientallen militairen sneuvelen. Om de opmars richting Arnhem te kunnen voortzetten, bouwen de Britten in Son een Baileybrug over het kanaal. Deze brug zal na de oorlog worden omgebouwd tot hefbrug om de scheepvaart weer doorgang te verlenen.

In het TBC-sanatorium in Son wordt een militair hospitaal ingericht en op Wolfswinkel wordt een militaire begraafplaats aangelegd. Diverse gedenkstenen in het dorp herinneren aan deze strijd.

Waarnemend burgemeester Hendrik Veeneman, die weigerde mannen uit zijn gemeente aan de bezetter te leveren voor dwangarbeid, werd samen met een aantal collega's van dorpen in de regio geïnterneerd in kamp Vught waarna hij werd afgevoerd naar concentratiekamp Sachsenhausen en later Mauthausen, waar hij kort voor de bevrijding overleed.

Na de bevrijding worden inwoners in nieuwbouw gehuisvest, wier woningen in de oorlog zware schade hadden opgelopen. Tevens wordt de dorpskom - voor die tijd aanzienlijk - naar het westen en oosten uitgebreid.


1950 - 1960

De Baileybrug wordt vervangen door een draaibrug die bijna 30 jaar dienst zal doen.

De standerdmolen aan de Eindhovenseweg, in 1946 nog hersteld, wordt in 1951 afgebroken.

In 1954 wordt de zuivelfabriek afgebroken. Op die plek verschijnt in de jaren ’60 een autoshowroom, om vervolgens meermalen te worden vervangen door successievelijk supermarkten Profimarkt, Groenwoudt en Jumbo.Het bijbehorende directiehuis blijft behouden.

Aan de westkant van de dorpskom van Son wordt ‘vanaf 1950 een kleinschalige villawijk in de bossen ontwikkeld en ten oosten vanaf 1958 een grote woonwijk ‘De Breeakker’. Het Philips-concern, eigenaar van ‘De Sonse Bergen’, ontwikkelt daar aan de noordkant van De Breeakker de buurt ‘De Nieuwe Erven’. Met de onstuimige bedrijfsgroei wil het concern ook de heuvels van ‘De Sonse Bergen’ opofferen voor woningbouw, wat tot opstand onder de lokale bevolking leidt. De naar het noorden oprukkende woningbouw wordt nog net tot staan gebracht.

In 1958 komt het sanatorium in andere handen en wordt geleidelijk omgevormd naar instituut ‘Zonhove’, bestemd voor meervoudig gehandicapte jongens.

Op 29 december 1958 brandt de laat-middeleeuwse kerk af, niet te redden met de weinige blusmiddelen voorhanden. Slechts muren en de toren resten (In 2022 zijn de contouren van de kerk nog in de bestrating achter de toren terug te zien). De vervangende nieuwbouwplannen die er vanwege het snelgroeiende inwonertal al sinds de jaren ’30 zijn, worden onmiddellijk in uitvoering genomen. De bouwtekeningen liggen al sinds september 1958 kant-en-klaar. Drie dagen na de catastrofale brand zou de kerk op de rijksmonumentenlijst geplaatst zullen worden. De kerk was veel te klein geworden voor het al maar groeiende inwonertal en de pastoor heeft een broertje dood aan dikke pilaren die het zicht op de parochianen ontnemen. Slechts 250 zitplaatsen bood de kerk, terwijl de pastoor een kerk met 1.000 zitplaatsen en zonder hinderlijke pilaren wenste. Daarom weigerde hij medewerking te verlenen aan uitbouw van de bestaande kerk aan weerszijden van het schip - zoals de rijksdienst voor monumenten het voor ogen had.

In juni 1959 brandt de bovenverdieping van ‘Zonhove’ uit. Wederom moeten korpsen van omliggende plaatsen bijstand verlenen - één locale brandspuit haalt weinig uit.

1960 - 1970

In 1960 wordt de nieuw gebouwde markthal-vormige Sint-Petrus Bandenkerk ingewijd, plaats biedend aan ruim 1000 mensen, 30 x 40 meter in oppervlakte, 11 meter hoog met een sterk staaltje moderne betonbouw met ruim 20 meter vrije overspanning - voor deze tijd uniek en experimenteel.

In twee stormen sneuvelen de noord- en zuidmuur van het schip van de afgebrande kerk, waarop in 1966 besloten wordt de restanten af te breken, alle pogingen van de rijksdienst om de kerk gerestaureerd te krijgen ten spijt. Het uitgekeerde verzekeringsgeld was al aan de nieuwbouw gespendeerd.

De Breugelse kerk wordt inpandig gemoderniseerd en twee zijbeuken die in 1822 gesloopt waren, worden weer opgetrokken.

In 1965 wordt het nieuw gebouwde gemeentehuis in gebruik genomen, van dezelfde architecten als van de katholieke kerk: Geenen en Oskam.

De traditioneel katholieke bevolkingssamenstelling van Son en Breugel verandert sterk. Wederom worden er nieuwe wijken gebouwd: de Vloed en (in de bossen:) ‘t Harde Ven; in Breugel: ’t Eigen.

Daarmee verschijnen er ook protestantse en nutsbasisscholen. Duizenden mensen van elders vestigen zich in luttele jaren, velen van boven de grote rivieren en velen protestant of zonder geloof. Met de enorme bevolkingsgroei worden diverse voorzieningen toegevoegd: 2 tennisparken, hockeyvelden, een protestantse kerk (1963), de eendenvijver, het bejaardentehuis ‘De Vloed’, een Rijkspolitiebureau, een brandweerkazerne en sporthal ‘Apollo’ (1969, aan de Europalaan).

De oude smalle bochtige dorpsstraat die slingert tussen Kanaalstraat en Hendrik Veenemanstraat wordt begin jaren ’60 aan de eisen van het toenemende verkeer aangepast. Het verkeer moet erdoor, dus de drie bochten moeten er uit. Vijftig huizen, boerderijen en de linde uit 1510 gaan tegen de vlakte om plaats te maken voor een asfalt-hoofdrijbaan en ventwegen aan beide zijden, bij elkaar 28 meter breed, met stoplichten en een voetgangerstunnel. In drie jaar tijd wordt drie eeuwen bouwgeschiedenis weggevaagd. Wat rest zijn de kerk en het raadhuis, her en der nog enige woonhuizen, waarvan er later nog diverse ter ziele zullen gaan. Houvast bieden raadhuis en de dorpspomp om tegen te leunen en bij de mijmeren, aanschouwend het nu en ‘De Plaats’ van toen - de helft behouden en de helft slechts op fotopapier.

Waar in 1957 nog slechts de lijnbus en een enkele auto voor gesloten brug stonden, persen in de jaren ’90 zo’n 30.000 auto’s per dag zich een weg door deze flessenhals, elke dag kilometers file in beide richtingen, bijna onafgebroken van ’s ochtends vroeg tot aan de vroege avond aan toe.


1970 - 1980

Met de immense woningbouw in het Eindhovense stadsdeel Woensel annexeert de gemeente Eindhoven in 1972 tweederde van het stuk grondgebied van Son en Breugel ten zuiden van het Wilhelminakanaal.

In 1977 wordt in dat gebied de gekromde snelweg vanaf de Eindhovense Kennedylaan naar de A58 richting Tilburg aangelegd en sneuvelen nagenoeg alle eeuwenoude buurtschappen in het hele gebied tot aan het kanaal.

In 1976 wordt de Agglomeratie Eindhoven gevormd, waarin de randgemeenten nauwer met Eindhoven gaan samenwerken. Vanaf 1977 plannen de gemeente Son en Breugel en Eindhoven gezamenlijk bedrijventerrein ‘Ekkersrijt’. Door de economische malaise rond 1980 komt het pas jaren later van de grond. De eerste en lange tijd enige onderneming aldaar gevestigd is Vialle Autogassystemen. Uit wanhoop door jaarlijks 2 miljoen gulden renteverlies op de 270 hectare aangekochte grond wordt nog even door de locale politiek overwogen om ruimte voor de opslag van kernafval aan Den Haag aan te bieden. Het zijn de jaren van demonstraties tegen de kerncentrales Borssele en Dodewaard en tegelijk de beweging ‘Kruisrakketten Nee’ met bijna een half miljoen demonstranten in Amsterdam.

Son krijgt in 1972 een overdekt zwembad. In Breugel wordt de wijk ‘t Eigen voltooid en verrijkt met sporthal ‘De Bongerd’ (1975) en een kleinschalig winkelcentrum.

In 1975 wordt de restauratie van de oude kerktoren in Son gevierd. De kerktoren is uitgerust met een carillon van 54 klokken, betaald door en gegraveerd met de namen van locale inwoners.


1980 - 1990

Breugel wordt naar het oosten uitgebreid met de wijk Hoogstraat. Het inwonertal van de twee dorpen samen is in 30 jaar tijd verviervoudigd.

Bedrijventerrein ‘Ekkersrijt’ komt na 1982 goed van de grond en wordt vanaf 1986 naar het westen uitgebreid met ‘Science Park Eindhoven’, bedoeld voor high-tech bedrijven, in tegenstelling tot ‘Ekkersrijt I’. Bovendien wordt daar in 1985 het ‘Meubelplein Ekkersrijt’ geopend.

In 1981 wordt de draaibrug over het kanaal vervangen door een hefbrug met 4 pilaren - de grootste in zijn soort in Nederland en de derde brug op die plek binnen 40 jaar.

In 1987 wordt ‘Zonhove’ afgebroken en vervangen door nieuwbouw in de vorm van paviljoens.


1990 - 2000

In 1993 worden het nonnenklooster en de meisjesschool verlaten en opgekocht door de horecafamilie Van de Loo, die het kloostercomplex ombouwt naar hotel;de school naar brasserie.

In Son wordt het voetbalterrein van SBC verplaatst van de Europalaan naar Gentiaan-Noord. Op de eerste locatie komt woningbouw, alsmede 3 appartementengebouwen voor senioren.

éénentwintigste eeuw

2000 - 2010

In 2001 dreigt Eindhoven de gemeente Son en Breugel te annexeren. Met de campagne ‘Dorpspower’ worden op een stralende zondag onder luidsprekergebrul en loeiende brandweersirenes 9.000 handtekeningen opgehaald als poging om Den Haag op andere gedachten te brengen. Een massaal bezochte manifestatie lardeert deze actie, maar de redding komt door de val van het kabinet ‘Kok II’, geïnitieerd door Jan Pronk. De regering struikelt over de nasleep van de val van Screbrenica in 1995. Het annexatieplan van Minister Klaas de Vries van Binnenlandse Zaken en burgemeester Rein Welschen van Eindhoven sneuvelt abrupt.


De nieuwe snelweg A50 van Eindhoven naar Nijmegen komt in 2003 gereed, waarop van de ene op de andere minuut het plots muisstil wordt in het centrum van Son. Ineens geen 30.000 auto’s per dag meer, maar decimering ervan. Allengs zal het echter aanzwellen, aangezien ook op deze nieuwe snelweg al rap dagelijkse avondfiles ontstaan. Son wordt weer een sluiproute. Vóór het zover is, wordt de Nieuwstraat vanaf de rotonde Driehoek / Eindhovenseweg tot aan de gemeentegrens met Sint-Oedenrode volledig heringericht. Hieraan wordt 12 miljoen euro besteed - de tweede ombouw binnen 40 jaar.

In 2008 sneuvelt het met ondergrondse parkeergarage bedachte plan ‘Visie Kerkplein’ in het centrum van Son op de hoogste classificatie archeologische waarde van de ondergrond.

Aan de noordrand van Son wordt vanaf 2008 tot 2022 de wijk ‘Sonniuspark’ ontwikkeld.


2010 - 2020

Breugel verliest in 2010 haar laatste van de diverse cafe’s: De Bonkelaar (anno 1920)

De reeds decennia lang geplande noordelijke randweg Eindhoven richting Helmond-Noord zou de voltooiing van de Ruit om Eindhoven moeten vormen. Uiteindelijk gaat dit plan in 2015 definitief van tafel.

De reeds in de jaren ’00 ingezette ontkerkelijking gaat steeds harder - aan de katholieke mis in Son wordt in 2017 door nog geen 100 gelovigen meer deelgenomen. Het bisdom besluit dan ook de kerk te sluiten en voor 1,1 miljoen euro aan de gemeente te verkopen. Met Kerst 2017 gaat het licht  uit en dreigt sloop om plaats te maken voor een hypermodern MFA (multi-functionele accommodatie). Overwinterende vleermuizen blokkeren begin 2018 de sloop en de daaropvolgende gemeenteraadsverkiezingen doen het MFA-plan de das om: de coalitie wordt door 70% van de bevolking weggestemd. Zo wordt alsnog in 2020 besloten om - na volksraadpleging met vijf ontwerpen - de kerkhal voor 9 miljoen euro om te bouwen naar MFA. Het plein-aanzicht is gered.

2020 - heden

In 2022 wordt het uiteindelijke MFA, gedoopt ’Dommelhuis’, in gebruik genomen. Daarheen verhuizen het Vestzaktheater, de bibliotheek, de harmonie Pro Honore et Virtute, het Centrum voor Maatschappelijke Dienstverlening en Radio Son en Breugel en worden diverse gebruiksfuncties toegevoegd.

Economie[bewerken | brontekst bewerken]

Oorspronkelijk kenden de kernen een agrarische bevolking. Na de Tweede Wereldoorlog werden zowel in Breugel als vooral in Son nieuwbouwwijken gebouwd, waarmee het een randgemeente van Eindhoven werd. De Gentiaan ten noorden van Son is daarvan een voorbeeld.

Vooral Son kent veel industrie. Van belang is het destructiebedrijf van de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond, tegenwoordig Rendac geheten. Hier worden slachtafval en kadavers verwerkt tot veevoer en champignonaarde. Vroeger verspreidde dit een welhaast ondraaglijke stank. waarbij de stinksloot of stinkloop het pikzwarte afvalwater rechtstreeks afvoerde naar de Dommel. Tegenwoordig [(sinds) wanneer?] zijn er reusachtige biofilters en een zeer grote waterzuiveringsinstallatie aangelegd. De stank behoort daarmee grotendeels tot het verleden.

Tussen het Wilhelminakanaal en de noordelijke randweg van Eindhoven ligt een groot bedrijventerrein, Ekkersrijt geheten. Hier bevindt zich o.a. het beursgenoteerde bedrijf Neways Electronics, dat professionele elektronische schakelingen ontwerpt, produceert en bijbehorende dienstverlening levert. Van belang is verder het Science Park Eindhoven dat, in weerwil van de naamgeving, op het grondgebied van Son is gelegen en deel uitmaakt van het bedrijventerrein Ekkersrijt. Het herbergt een aantal bedrijven die hoogwaardig technologische producten vervaardigen. Ook ondernemingen in de ICT- en telecommunicatiesectoren zijn hier gevestigd.

Kernen[bewerken | brontekst bewerken]

De kernen van de gemeente zijn Son (gemeentehuis) en Breugel.

In het woonplaatsbesluit van 2008 werd de gemeente Son en Breugel opgedeeld in de woonplaats Son en de woonplaats Breugel, gescheiden door de Dommel.[2][3] Op 26 juli 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten om de afzonderlijke woonplaatsen in te trekken en één nieuwe woonplaats ‘Son en Breugel’ vast te stellen, die het volledige grondgebied van de gemeente omvat.[4][5] Als gevolg van het samenvoegen van de woonplaatsen moest er een straatnaam veranderd worden.[6]

Burgemeesters[bewerken | brontekst bewerken]

Zie: Lijst van burgemeesters van Son en Breugel

Zetelverdeling gemeenteraad[bewerken | brontekst bewerken]

De gemeenteraad van Son en Breugel bestaat uit 17 zetels. Hieronder staat de samenstelling van de gemeenteraad sinds 1998:

Gemeenteraadszetels
Partij 1998 2002 2006 2010 2014 2018 2022
Dorpsvisie Son en Breugel 4 3 3 4 5 6 4
CDA 3 3 3 2 2 3 3
VVD 3 2 3 3 3 3 2
GroenLinks-PvdA 2 2 3 1 2 2 2
Dorpsbelang Son en Breugel 3 5 5 7 5 2 2
D66 - - - - - 1 2
Voor U - - - - - - 2
Totaal 15 15 17 17 17 17 17

Geboren in Son en Breugel[bewerken | brontekst bewerken]

Aangrenzende gemeenten[bewerken | brontekst bewerken]

   Aangrenzende gemeenten   
        Meierijstad        
      Brosen windrose nl.svg      
 Best   Nuenen c.a. 
           
        Eindhoven        

Monumenten en kunst[bewerken | brontekst bewerken]

In de gemeente zijn er een aantal rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten, oorlogsmonumenten en beelden, zie:

Noten[bewerken | brontekst bewerken]

  • Voor de geschiedenis is als bron gebruikt: Gemeentegids Son en Breugel
  • Literatuur over de geschiedenis van Son en Breugel:
    • ‘Son en Breugel. Van oudsher een kruispunt van wegen’, door Jean Coenen (1999).
    • Sonse Bokken en Breugelse Boeren, delen I en II, door Jan Burgers (2001, 2002).

Externe link[bewerken | brontekst bewerken]

Zie de categorie Son en Breugel van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.