Beuken-eikenbos

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Beuken-eikenbos
Beuken-eikenbos met zomereik
Beuken-eikenbos met zomereik
Syntaxonomische indeling
Klasse: Quercetea robori-petraeae (Klasse van de eiken- en beukenbossen op voedselarme grond)
Orde: Quercetalia roboris
Verbond: Quercion roboris (Zomereik-verbond)
Associatie
Fago-Quercetum
Tx., 1955

Het beuken-eikenbos of wintereiken-beukenbos (Fago-Quercetum) is een associatie uit de klasse van de eiken- en beukenbossen op voedselarme grond, een bosplantengemeenschap die voorkomt op matig voedselrijke lemige bodems, en gekenmerkt wordt door een duidelijke gelaagdheid en de dominantie van zomer- en/of wintereik, met beuk op de tweede plaats.

Deze associatie komt in voor Vlaanderen en Nederland vrij algemeen voor en kent vijf sub-associaties.

Naamgeving, etymologie en codering[bewerken]

  • Synoniem: Fago-Quercetum petraeae
  • Nederlands: Droog wintereiken-beukenbos, Zomereiken-beukenbos
  • Frans: Hetraie-chenaie
  • Duits: Buchen-Eichenwald, Buchen-Eichen-Mischwälder
  • Engels: Subatlantic acidophilous beech-oak forest
  • Syntaxoncode (Nederland): 42Aa2
  • Corine-code: 41.521 : Atlantic acidophilous oak forest with beech : North-western sessile oak forests
  • Natura 2000-code: 9190 - Oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus robur

De naam Fago-Quercetum is afgeleid van de wetenschappelijke namen van twee belangrijke soorten binnen deze klasse, de beuk (Fagus sylvatica) en de wintereik (Quercus petraea).

Kenmerken[bewerken]

Algemeen[bewerken]

Het beuken-eikenbos omvat oude, redelijk structuur- en soortenrijke bossen, kenmerkend voor droge tot matig vochtige, matig voedselarme tot matig voedselrijke bodems op lemige zandgronden, zandleem, keileem en zandige lössleemgronden.

Het beuken-eikenbos vormt een schakel in de natuurlijke successie van het berken-eikenbos naar het bochtige smele-beukenbos, de climaxvegetatie. De snelheid van deze evolutie is afhankelijk van de voedselrijkdom in de bodem; op rijkere bodems zal de successie gevoelig sneller gaan.

Structuur[bewerken]

Het beuken-eikenbos is een hoog opgaand loofbos met een boomlaag die tot 25 m hoog kan reiken, hoger dan het berken-eikenbos maar lager en minder dicht dan het bochtige smele-beukenbos. De struik- en de kruidlaag zijn meestal beter ontwikkeld en diverser dan in beide andere bostypes, terwijl de moslaag minder aanwezig is dan in het berken-eikenbos.

Onderverdeling[bewerken]

In het beuken-eikenbos worden in België en Nederland vijf sub-associaties onderscheiden, die wijzen op verschillen in de maturiteit, de voedselrijkdom en het vochtgehalte in de bodem.

Deze vallen uiteen in twee groepen, het vochtig wintereiken-beukenbos met sub-associatie molinietosum, en het droog wintereiken-beukenbos dat alle andere associaties omvat.

Sub-associatie vaccinietosum[bewerken]

Een subassociatie gekenmerkt door een stabilisering van de bodem, een opeenhoping van humus en een toenemend aandeel van dwergstruiken, vooral bosbessen (Vaccinium sp.). Deze subassociatie is het meest verwant aan het berken-eikenbos, vooral aan de gelijknamige subassociatie Betulo-Quercetum roboris vaccinietosum.

Syntaxoncode voor Nederland is 42Aa2a.

Sub-associatie pteridietosum[bewerken]

Het beuken-zomereikenbos met adelaarsvaren wordt gekenmerkt door de dominantie van adelaarsvaren (Pteridium aquilinum), die zich uitsluitend via wortelstokken verspreiden. Ze lijkt gebonden aan oude boskernen en komt zelden voor op nieuwe standplaatsen.

Syntaxoncode voor Nederland is 42Aa2b, BWK-karteringseenheden voor Vlaanderen zijn het zuur eikenbos (qs) en het zuur beukenbos (fs).

Sub-associatie convallarietosum[bewerken]

Het beuken-zomereikenbos met lelietje-van-dalen is een subassociatie vernoemd naar het lelietje-van-dalen (Convallaria majalis), maar die ook andere bosplanten als gewone salomonszegel, grote muur, witte klaverzuring en klimop omvat, en die voorkomt op ongestoorde, mature bosbodems op een ondergrond van keileem of beekzand.

Syntaxoncode voor Nederland is 42Aa2c, BWK-karteringseenheden voor Vlaanderen zijn het zuur eikenbos (qs) en het zuur beukenbos (fs).

Beuken-eikenbossen met lelietje-van-dalen die in oude, ontkalkte of kalkarme duinen voorkomen, worden in Nederland ook wel tot de duin-eikenbossen (Convallario-Quercetum dunense) gerekend.

Sub-associatie molinietosum[bewerken]

Het vochtig wintereiken-beukenbos is een sub-associatie met een hoge presentie van pijpenstrootje (Molinia caerulea), typisch voor vochtige standplaatsen waar de bodem door stagnerend grondwater ten minste periodiek nat wordt.

Syntaxoncode voor Nederland is 42Aa2d.

Sub-associatie holcetosum[bewerken]

Het beuken-zomereikenbos met gladde witbol is een sub-associatie met een hoge presentie van gladde witbol (Holcus mollis), die vooral voorkomt op plaatsen waar de bodem is verrijkt door voormalige of naburige landbouwactiviteiten.

Syntaxoncode voor Nederland is 42Aa2e, BWK-karteringseenheden voor Vlaanderen zijn het zuur eikenbos (qs) en het zuur beukenbos (fs).

Soortensamenstelling[bewerken]

Het beuken-eikenbos heeft voor België en Nederland als kensoorten het dalkruid en, lokaal, de zevenster. Op arme, droge zandgronden heeft de zomereik en iets minder de beuk de hoogste presentie en dominantie, terwijl op lemige en matig zure zandgronden en droge, stenige bodems de minder algemene wintereik en de tamme kastanje meer frequent voorkomen. Het bostype met zomereik wordt door sommigen als een aparte associatie beschouwd, het Violo-Quercetum roboris.

De struiklaag is dikwijls vrij divers, met wilde lijsterbes als meest voorkomende soort. In bossen die vroeger werden beweid is daarentegen hulst dominant en kan de plant zelfs uitgroeien tot een echte boom. De Amerikaanse vogelkers en het Amerikaans krentenboompje zijn nieuwkomers.

In de kruidlaag zijn, naast dalkruid, ook bochtige smele, wilde kamperfoelie en gewone braam steeds goed vertegenwoordigd, en komen naargelang de specifieke subassociatie andere begeleidende soorten op de voorgrond. Vooral de subassociatie convallarietosum met onder andere lelietje-van-dalen, gewone salomonszegel, grote muur, witte klaverzuring en klimop is soortenrijk. Klimop is in deze bossen een bodembedekker, hij gedraagt zich zelden als een liaan zoals in meer voedselrijke bossen.

In de moslaag vinden we meestal bladmossen, vooral het gewoon sterrenmos, het fraai haarmos en het gewoon pluisjesmos.

De voor België en Nederland belangrijkste soorten zijn:

Zomereik
Beuk
Wilde lijsterbes
Dalkruid
Zevenster
Adelaarsvaren
Lelietje-van-dalen
Gewoon sterrenmos
Boomlaag
Kensoort Diff.soort Presentie Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Opmerking
kV <10% Tamme kastanje Castanea sativa
kK >40% Ruwe berk Betula pendula
kK >10% Wintereik Quercus petraea
>90% Zomereik Quercus robur
>40% Beuk Fagus sylvatica
>30% Zachte berk Betula pubescens
>10% Ratelpopulier Populus tremula
>10% Amerikaanse eik Quercus rubra
>10% Gewone esdoorn Acer pseudoplatanus
Struiklaag
Kensoort Diff.soort Presentie Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Opmerking
kK >80% Wilde lijsterbes Sorbus aucuparia
>60% Sporkehout Rhamnus frangula
>30% Amerikaanse vogelkers Prunus serotina
>20% Hazelaar Corylus avellana
>20% Hulst Ilex aquifolium
>10% Gewone vlier Sambucus nigra
Amerikaans krentenboompje Amelanchier lamarckii
Kruidlaag
Kensoort Diff.soort Presentie Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Opmerking
kA >40% Dalkruid Maianthemum bifolium
kA <10% Zevenster Trientalis europaea
dS >50% Adelaarsvaren Pteridium aquilinum subassociatie pteridietosum
dS >30% Gewone salomonszegel Polygonatum multiflorum subassociatie convallarietosum
dS >30% Klimop Hedera helix subassociatie convallarietosum
dS >10% Lelietje-van-dalen Convallaria majalis subassociatie convallarietosum
dS >10% Grote muur Stellaria holostea subassociatie convallarietosum
dS >10% Witte klaverzuring Oxalis acetosella subassociatie convallarietosum
dS >30% Pijpenstrootje Mollinia caerulea subassociatie molinietosum
dS >40% Gladde witbol Holcus mollis subassociatie holcetosum
>60% Bochtige smele Deschampsia flexuosa
>60% Wilde kamperfoelie Lonicera periclymenum
>50% Gewone braam Rubus fruticosus
>20% Rankende helmbloem Ceratocapnos claviculata
Dubbelloof Blechnum spicant
Valse salie Teucrium scorodonia
Bleeksporig bosviooltje Viola riviniana
Donkersporig bosviooltje Viola reichenbachiana
Moslaag
Kensoort Diff.soort Presentie Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Opmerking
kV <10% Gewoon knopjesmos Aulacomnium androgynum
kV <10% Geelsteeltje Orthodontium lineare
kK >20% Gewoon pluisjesmos Dicranella heteromalla
>40% Gewoon sterrenmos Mnium hornum
>20% Fraai haarmos Polytrichum formosum

Biologische Waarderingskaart[bewerken]

In de Biologische Waarderingskaart (BWK) van Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden drie sub-associaties van het beuken-eikenbos opgenomen in twee karteringseenheden, het zuur eikenbos (qs) en het zuur beukenbos (fs).

Deze vegetatietypes staan alle gewaardeerd als 'Biologisch zeer waardevol'.

Verspreiding en voorkomen[bewerken]

Het beuken-eikenbos komt voor in de laaglanden van West- en Midden-Europa, voornamelijk in België, Nederland, Noord-Frankrijk, Noord-Duitsland, Denemarken en het westen van Polen, en deelt daarmee zijn verspreidingsgebied met dat van het bochtige smele-beukenbos.

In Nederland vinden we dit bostype op pleistocene zandgronden en in Zuid-Limburg op lemige bodems. Minder algemeen komt de associatie voor langs duinranden.

In Vlaanderen komt het vooral voor op tertiaire zandgronden in het Brabants district. Enkele van de meest bekende bossen van dit type zijn (de voedselarmere delen van) het Meerdaalwoud en het Heverleebos in de buurt van Leuven en het Hallerbos in Halle, het Buggenhoutbos in Oost-Vlaanderen, het Wijnendalebos in West-Vlaanderen en het Zoerselbos in de provincie Antwerpen.

Bedreiging en bescherming[bewerken]

Net als de meeste voedselarme bossen worden beuken-eikenbossen bedreigd door verruiging, en dat vooral door ammoniakdepositie vanuit de lucht. Het resultaat is dat algemene soorten uit minder gevoelige vegetaties de ondergroei gaan domineren, met een vermindering van de biodiversiteit tot gevolg. Een andere bedreigingen ontstaat door het gebrek aan beheer, waardoor het bladerdek dichtgroeit en de minder algemene halfschaduwplanten zoals havikskruiden en de soorten van de klasse van gladde witbol gaan verdwijnen.