België in de Eerste Wereldoorlog

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Een beschoten bos bij Ieper in 1917

In de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) was België onderdeel van de Entente. Dit was een gevolg van de Duitse invasie van België in 1914 (zie Von Schlieffenplan voor meer details). België zou vier jaar lang frontgebied blijven.

De strategische ligging van België[bewerken]

België lag voor het Duitse Keizerrijk op de route naar Frankrijk. De Fransen hadden na de verloren Frans-Duitse Oorlog van 1871 de grenssteden langs Elzas-Lotharingen versterkt. Het Duitse leger besloot in geval van een Europese oorlog de Fransen te verrassen door Parijs te veroveren via een omtrekkende beweging door het neutrale België. België leek bovendien een gemakkelijke prooi, aangezien het Duitse leger sterker was dan het Belgische leger.

België in de frontlinie[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Rape of Belgium voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Dikke Bertha schoot granaten van 42 cm af

Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak bleef België neutraal. Duitse troepen bezetten echter vrij snel Luxemburg, waarna men in België bezorgd werd over een mogelijke Duitse aanval. De Belgische politiek besloot het leger te mobiliseren. Op 4 augustus 1914 viel het Duitse keizerlijke leger de Belgische provincie Luik binnen en rukte op naar de Maas. In tegenstelling tot wat het verwachtte, bood het Belgische leger weerstand bij Visé en hielden de forten rond Luik langer weerstand dan verwacht. Tien dagen wist het Belgische leger de Duitsers bij Luik op te houden. Ondertussen was het British Expeditionary Force (B.E.F.) opgerukt naar de Belgische grens. In de Slag om de Grenzen wist de Entente de Duitse opmars opnieuw te vertragen. Aan de IJzer in België hield het Belgische leger stand. Hierdoor bleef een klein deel van België onbezet (en kon koning Albert bij zijn troepen blijven).

Bezet België (1914-1918)[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Keizerlijk Duits Algemeen Gouvernement België voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In bezet België werd er door de Duitsers een dubbele politiek gevoerd. Men wilde België economisch uitzuigen om de oorlog voort te zetten, maar men wilde tevens de steun van vooral de Vlaamse bevolking voor de oorlog. Vlaanderen en Wallonië werden administratief gescheiden in 1917, en in Vlaanderen kreeg de nationalistische Raad van Vlaanderen een symbolisch regeringsorgaan. Later in de oorlog verklaarde deze Raad Vlaanderen onafhankelijk, echter zonder gevolgen. Enkele maatregelen van de Duitsers in bezet België waren onder andere de Vernederlandsing van de universiteit van Gent en het instellen van autonomie voor Vlaanderen. Uiteindelijk had de Duitse bezettingspolitiek geen succes.

Van bij de aanvang hadden de Duitsers een langdurige bezetting op het oog. Ze gaven een eigen staatsblad uit, waarin op 5 oktober 1914 een verordening verscheen die van de Reichsmark een wettig betaalmiddel maakte in België.[1] Belastingen en boetes moesten in mark worden betaald, waarbij een minimale wisselkoers van 1,25 Belgische frank gold.[2] Kort daarop droegen de bezetters het emissierecht over van de Nationale Bank aan de Generale Maatschappij. Dit leidde tot een monetair complexe situatie, waarbij naast de marken en de vooroorlogse Belgische biljetten ook geld circuleerde dat uitgegeven was door de Generale en door de gemeenten ('noodgeld'). De afwikkeling hiervan na de oorlog zou België nopen tot een kostelijke muntsanering.

In de Eerste Wereldoorlog vluchtten grote aantallen Belgen naar het neutrale Nederland. Om meer controle over de grens te krijgen, begon in 1915 de Duitse bezetter met de aanleg van De Draad, een draadversperring met dodelijke elektrische spanning, langs de grens tussen België en Nederland.

De Nationale Schietbaan en de Burgerwacht.[bewerken]

Onder Leopold I werd in 1858 beslist de Nationale Schietbaan (Tir National) op te richten aan de Auguste Reyerslaan in Schaarbeek. Het eerste complex werd in 1859 ingehuldigd door Charles Rogier, minister van Landsverdediging. Het diende om het leger en de burgerwacht te laten oefenen in schieten op langere afstanden. Tijdens de septemberdagen van 1830 (de Belgische Revolutie) werd een burgerwacht opgericht die bij wet van 31.12.1831 geofficialiseerd werd. Omdat het jonge België nog niet over een georganiseerd leger beschikte, werden in de meeste steden gewapende korpsen opgericht om de orde te handhaven of een terugkeer van het Nederlandse leger af te slaan. De Burgerwacht evolueerde. Omdat het leger principieel in handen van de koning was werd later beslist dat de burgerij als tegengewicht een burgerwacht mocht behouden. Die bestond uit mannen die geen legerdienst gedaan hadden omdat ze vrijgeloot waren of hun lot met iemand anders wisselden. Waar in 1830 nog iedereen van die burgerwacht kon deel uitmaken, moet men in 1833 zelf kunnen instaan voor de kosten van uniform en bewapening, wat de meeste arbeiders uitsluit. De burgerij vreest een gewapende arbeidersmacht, zo wordt de Burgerwacht de gewapende macht van de rijke burgerij. Omdat ze alleen op zondag mochten oefenen werden ze spottend ook wel “zondagsoldaten” genoemd. Ze mochten ook maar 8 keer per jaar oefenen met wapens. Dit omzeilden ze door op vrijwillige basis deel te nemen aan nationale en internationale schietoefeningen op de Tir National. Uiteindelijk was de Burgerwacht alleen nog een paradeleger dat in 1914 ontbonden werd en pas met de grondwetsherziening van 1920-21 opgeheven. De schietbaan kwam dan in handen van de Duisters die verzetsstrijders terechtstelde. Twee ervan waren de Britse verpleegster Edith Cavell (+12.10.1915) en de Belgische Gabrielle Petit (+1.4.1916) die voor de Britse inlichtingendienst spioneerde. De gebouwen werden in de jaren ’60 afgebroken om plaats te maken voor de gebouwen van VRT en RTBF. Daar ligt nog steeds het “Ereveld der Gefusilleerden”. Er staan 365 kruisen, davidssterren en andere zerken als herinnering aan gefusilleerde Belgische, Franse, Engelse en (dikwijls eerder naar België gevluchte) Joodse verzetsmannen en -vrouwen.

Belgisch burgerverzet[bewerken]

Direct na de Duitse bezetting ontstonden er diverse verzetsgroepen. Gezien de zeer gewelddadige reacties van het Duitse leger op gewapend verzet, hield het verzet zich vooral bezig met het vergaren van militaire inlichtingen m.b.t. het Westelijk Front. Verschillende verzetsgroepen lieerden zichzelf met name aan een Britse inlichtingendienst. Vooral het spotten van troepentransport via het spoor was van groot belang. Grootschalig Duits troepentransport kon namelijk duiden op een aanstaand offensief. Belangrijke spoorknooppunten waren Luik en Mechelen, waar dan ook actief werd gespioneerd. Veruit het succesvolste spionagenetwerk was het Luikse La Dame Blanche geleid door Walthère Dewé. De groep werkte van 1917 t/m 1918 voor de Britse geheime dienst MI1(c), nu bekend als MI6. Het hoofd van MI6, C, schatte dat zij verantwoordelijk was voor 70% van alle militaire inlichtingen vergaard door alle geallieerde diensten. Een andere aan MI6 gelieerde groep was de service ORAM van de familie Moreau. MI6 maakte ook veel gebruik van de Vlaamse Kempenaar Charel Willekens om informatie en personen door De Draad te smokkelen.[3]

Er werden bijna 300 Belgen door de Duitsers opgepakt en terechtgesteld vanwege hun lidmaatschap van een verzetsgroep. Onder hen bevonden zich ook enkele buitenlanders zoals de Britse verpleegster Edith Cavell of de Nederlandse schipper Arie Hougée. Vooral de groep Ambulants et Gendarmes werd zwaar getroffen.[4]

Loopgraven (1915-1918)[bewerken]

Een met water volgelopen loopgraaf bij Passendale in 1917

Het kleine Belgische gebied achter de IJzer zag tussen 1914 en 1918 verschillende keren grote veldslagen op haar gebied. In 1914 en 1915 werden de Eerste Slag om Ieper en de Tweede Slag om Ieper uitgevochten, zonder noemenswaardige terreinwinst voor beide partijen. In 1917 werd de Slag om Passendale uitgevochten. In 1918, nadat de Entente de Hindenburglinie had doorbroken, werd België bevrijd.

In 1917 leek het nog eventjes of België toch de oorlog zou verliezen. Aan het Belgische front wierp de taalstrijd een schaduw op het Belgische leger. Vlaamse soldaten werden geleid door Franstalige Waalse officieren, zonder kans op promotie. Vlaamse graven werden in het Frans gesteld. De Vlaamse soldaten verenigden zich in studiegroepen, maar toen deze door de commandanten werden verboden begonnen de Vlamingen te muiten. Pas na verbetering van hun situatie besloten de Vlaamse soldaten weer te vechten.

Na de oorlog[bewerken]

België nam deel aan het Verdrag van Versailles in 1918 als overwinnaar. België verkreeg uiteindelijk bij het verdrag herstelbetalingen van het verslagen Duitsland en de tegenwoordige Oostkantons, bestaande uit de steden Eupen en Malmédy. Een deel van dit gebied was en is vandaag de dag Duitstalig. Belgische claims op Nederlands grondgebied, Zeeuws-Vlaanderen en Zuid-Limburg, werden niet gehonoreerd. In de Belgische samenleving was de Vlaamse kwestie ondertussen opgelaaid.