Staatshoofd

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
George Washington, eerste president van de VS.

Een staatshoofd is de persoon die het hoogste gezag vertegenwoordigt of belichaamt in een land.

In monarchieën wordt het staatshoofd over het algemeen bepaald door erfelijke troonopvolging. Deze kan verschillende titels dragen, zoals koning, keizer of prins. Sommige monarchieën als Maleisië hebben een verkozen monarch voor de periode van 5 jaar, gekozen uit al de sultans van de deelstaten.

In republieken wordt het staatshoofd over het algemeen verkozen, of direct door de kiezers of door de volksvertegenwoordiging. De titel is meestal president. Naast het Franse en Amerikaanse model met een zeer machtige president, bestaan er lichtere systemen zoals in Duitsland, waar de president slechts een ceremoniële functie heeft, of zoals in Zwitserland, waar elk jaar een ander lid van de regering de functie van staatshoofd waarneemt en de gehele bondsraad gezien kan worden als staatshoofd. In sommige communistische landen, zoals Cuba en de vroegere DDR werd de functie van staatshoofd bekleed door de voorzitter van de Staatsraad. Daarnaast was in sommige communistische landen de hoogste volksvertegenwoordiging formeel het hoogste staatsorgaan, zodat de voorzitter van het parlement als staatshoofd werd beschouwd.

In sommige landen, zoals de Verenigde Staten, is het staatshoofd tevens regeringsleider. Nederland kent een tamelijk aparte positie, omdat de koning volgens de grondwet en het statuut hoofd van de regering is, maar deze functie in feite wordt uitgeoefend door de minister-president.[1][2]

De Prins Grootmeester van de Souvereine Militaire Orde van Sint Jan van Jeruzalem en Malta (de Maltezer Orde) heeft, hoewel de Orde geen grondgebied meer bezit, de rang en status van Staatshoofd. De Orde wordt door veel landen erkend als een soevereine staat.

Lijst van soorten staatshoofden[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Art. 2 Statuut.
  2. D.J. Elzinga, R. De Lange en H.G. Hoogers, Van der Pot. Handboek van het Nederlandse Staatsrecht, Deventer: Kluwer 2006, p. 532.