Geschiedenis van Brussel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De geschiedenis van Brussel loopt vanaf het ontstaan van de stad rond een nederzetting op een eiland in de Zenne, over de explosieve groei over aanliggende gemeenten na het ontstaan van België, de overwelving van de Zenne, en een intensieve verfransing, tot de metropool van meer dan een miljoen inwoners die de stad vandaag is. Brussel was achtereenvolgens de hoofdstad van het hertogdom Brabant, de Zeventien Provinciën, de Zuidelijke Nederlanden, het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, België, de Vlaamse en Franse Gemeenschap en is het administratief centrum van de Europese Unie.

Kaart van de stad Brussel rond 1745

Middeleeuwen, hertogdom Brabant[bewerken]

Vroegste periode[bewerken]

Karel van Frankrijk, stichter van Brussel, 976. Litho (± 1850), naar de ruim verbreide opvatting van toenmalige Brusselse historici.

De vroegste geschiedenis van Brussel blijft onduidelijk. De oudste bekende naam van de stad is Bruocsela, wat zoveel betekent als 'nederzetting in het moeras'. Uit die naam kwam Broekzele voort. Die naam evolueerde tot Brussel.

De oudste bevolkingsgroepen bewoonden het randgebied van het huidige Brussels Hoofdstedelijk Gewest, weg van de moerassige Zennevallei. Er werden hiervan sporen teruggevonden uit het Neolithicum in het Zoniënwoud. In de Bronstijd en de IJzertijd vestigden zich landbouwers op ontboste gronden. In de Romeinse tijd verrezen er in de 1e en 2e eeuw na Chr. villa's langs weerszijden van de Zenne. In de Merovingische tijd, in de 6e en 7e eeuw, verrezen er gehuchten op heuvels nabij de Zenne.

10e tot 15e eeuw[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Ontstaan van Brussel voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In de tiende eeuw (voor 979) ontstond Brussel rond een castrum op een eiland in de Zenne (het Groot Eiland, ter hoogte van het huidige Sint-Goriksplein). De gouw Brabant bestond uit vier graafschappen, waarvan het graafschap Brussel het meest oostelijk gelegen was (vermoedelijk beperkt tot het gebied tussen de rivieren de Zenne en de Dijle). Nog voor het einde van het jaar 1000 kwam het graafschap Brussel in bezit van de graaf van Leuven. Deze beschikte weldra te Brussel over een castrum als stamburcht van het graafschap Brussel. De Zenne was bevaarbaar tot de portus (haven) van Brussel, die al in de 11e eeuw een handelspost werd op de belangrijke handelsroute tussen Brugge en Keulen.

In de elfde eeuw werd op de Molenberg, in het oosten van de stad, een heiligdom opgericht voor Sint-Goedele en een nieuwe burcht op de Koudenberg. Een ander belangrijke kerk, de Sint-Michielskerk, bevond zich op de Treurenberg al sinds de 10e-11e eeuw. In de 12e eeuw kwam er een eerste stadswal. Deze was vier kilometer lang en had zeven stadspoorten. Deze stadswal omsloot het eiland in de Zenne en de omliggende heuvels. Van deze ringmuur zijn belangrijke delen bewaard gebleven.

De graven van Leuven en Brussel werden omstreeks 1085/1086 ook landgraven van Brabant. In 1106 verwierven ze het hertogschap van Neder-Lotharingen en omstreeks 1183/1184 werden ze in het landgraafschap Brabant verheven tot hertog van Brabant. Brussel genoot in de daaropvolgende eeuwen steeds meer aandacht van de landsheren, enigszins ten nadele van de stad Leuven.

In 1229 kreeg Brussel stadsrechten van Hendrik I van Brabant. Onder zijn toezien wordt gestart met de bouw van de kathedraal. Met het verkregen zelfbestuur werd de lakennijverheid en -handel belangrijk. Uit het stadspatriciaat ontstonden talrijke welgestelde families waarvan vele tijdens het Spaanse en Oostenrijkse Tijdvak adelbrieven verwierven. De stad Brussel werd bestuurlijk nog belangrijker onder het Oostenrijkse bestuur en kon haar hoofdstedelijke functie ook onder het Franse en Hollandse regime verstevigen.

In 1236 en 1276 vonden er in Brussel grote stadsbranden plaats. Vanaf de tweede helft van de dertiende eeuw groeide het belang van Brussel in het hertogdom Brabant, ten nadele van Leuven. Van 1357 tot 1379 werd een nieuwe omwalling gebouwd omdat door de stadsexpansie de eerste te klein geworden was. Deze omwalling viel samen met wat nu de kleine ring of de vijfhoek genoemd wordt. Deze vijfhoekige stadsomwalling was acht kilometer lang en omvatte zeven heuvels: de Koudenberg, de St-Michielsberg, de Warmoesberg, de Kunstberg, de St-Pietersberg, de Zavel en de Kruidtuin. Het grondgebied werd aldus verviervoudigd.

In de 14e eeuw kwam de lakennijverheid tot grote bloei. De Grote Markt werd het economisch centrum van de stad. Reeds in de 13e eeuw stond er de vleeshal, de wolhal, de lakenhal en de broodhal. Dit waren eenvoudige constructies waar de handelaren hun kraampjes konden opzetten. De broodhal werd vanaf de 14e eeuw verder uitgebouwd en reeds voorzien van een verdieping waar de wolhal dan gehuisvest was. In 1401 begon men met de bouw van het stadhuis aan de overkant van de Grote Markt.

Deel van Bourgondië[bewerken]

In 1430 stierf de hertog van Brabant, Filips van Saint-Pol, waarbij het hertogdom naar zijn neef Filips III van Bourgondië (ook wel Filips de Goede) ging. Op die manier verloor het hertogdom Brabant zijn formele zelfstandigheid, en werd het deel van het Bourgondische Rijk. In hetzelfde jaar gaf de nieuwe hertog Filips de Goede de aanzet tot de bouw van het Paleis op de Koudenberg, een imposant paleis om van hieruit het hele Rijk der Nederlanden te beheren. Vanaf 1451 zou het hertogelijk hof voornamelijk in dit paleis resideren. Zeker na de voltooiing van de Aula Magna in 1459 werd Brussel de hoofdstad van Filips de Goede. Deze wilde de Zenne, die zeer belangrijk was voor de handel, kanaliseren. Dit bleek echter geen succes. Wanneer Maria van Bourgondië in 1477 vorstin van de Nederlandse gewesten werd, verleende zij toelating aan de stad Brussel voor het graven van een volledig nieuw kanaal van Brussel, via Vilvoorde naar de Dijle in Mechelen.

Hoofdstad der Nederlanden[bewerken]

16e eeuw[bewerken]

van Bourgondië naar de Spanjaarden[bewerken]

Door de aanwezigheid van het Bourgondisch hof groeide het belang van Brussel als symbool van vorstelijke macht ten nadele van de autonomie van het stedelijk gezag. Toen de jonge hertogin Maria van Bourgondië in 1477 onverwachts haar vader Karel de Stoute moest opvolgen, moest ze het hoofd bieden aan de ontevredenheid van de burgers en, door het verlenen van keuren, heel wat eisen inwilligen. Wanneer Maria van Bourgondië in 1482 sterft, erfde haar man, Maximiliaan van Oostenrijk en haar zoon Filips I van Castilië (beiden uit het Huis Habsburg) alle Bourgondische bezittingen in de Nederlanden. In 1506, toen zijn vader Filips de Schone (van Oostenrijk / Castilië) stierf, erfde Karel van Habsburg, de latere keizer Karel V de Nederlanden. De regeertijd van Karel V zou een bloeitijd voor de stad Brussel betekenen. In 1516 werd Karel in de Brusselse Sint Goedelekerk daarenboven uitgeroepen tot koning van Spanje. Toen zijn grootvader, Maximiliaan I van Oostenrijk, in 1519 overleed, volgde Karel hem op als aartshertog van de Oostenrijkse erflanden en keizer van het Heilige Roomse Rijk.

In 1523 vonden de eerste ketterverbrandingen in de Nederlanden plaats toen de augustijner monniken, Jan van Essen en Hendrik Voes, op de Grote Markt van Brussel terecht werden gesteld. Zij hadden in Antwerpen het woord van Luther verspreid.

In 1531 keurde keizer Karel V een gewijzigd tracé goed voor het kanaal van Brussel naar Willebroek. Aangezien Mechelen grote tegenstand bood voor een tracé via Vilvoorde naar de Dijle in Mechelen, wordt het kanaal naar de Rupel ter hoogte van het gehucht Klein-Willebroek gegraven. Onder de regering van keizer Karel V werd Brussel in 1531 definitief het regeringscentrum van de Nederlanden. Dit drukte zijn stempel op het stadsbeeld met de bouw van veel luisterrijke monumenten. In de Princelijcke Hoofstadt van ’t Nederlandt werd een monumentale hofkapel gebouwd achter de Grote Zaal (Aula Magna) van Filips de Goede in het (voorheen hertogelijk) Paleis op de Koudenberg. Karel V deed hier op 25 oktober 1555 troonsafstand. Later verbleven er ook de aartshertogen Albrecht en Isabella. Het paleiscomplex met bijbehorende tuinen en vijvers was in heel Europa vermaard. (In 1731 werd het paleis verwoest door een reusachtige brand.) In 1561 wordt het kanaal van Willebroek geopend, dat Brussel met de Rupel verbindt. In de loop der jaren werden er binnen de stadsmuren van de tweede omwalling een heuse binnenhaven aangelegd met een zestal dokken.

Tachtigjarige oorlog[bewerken]

Standbeeld Egmont en Horne

Karels opvolger, Filips II van Spanje, verkoos zich in Spanje te vestigen en laat het bestuur van de Nederlanden over aan gouverneur-generaals. In 1567 brak de Tachtigjarige Oorlog uit omwille de eigenzinnige kerkhervormingen en centralisatiepolitiek van Filips II. Hij stuurde de hertog van Alva om het in 1566 ontstane oproer, bekend als de Beeldenstorm (die Brussel bespaard bleef), te bestrijden en de orde te herstellen. Daartoe stelde hij op 9 september 1567 te Brussel de Raad van Beroerten in. Vele edelen ontvluchtten de Nederlanden uit angst voor vervolging. Na het verlies van de Spaansgezinde stadhouder graaf van Arenberg bij de Slag bij Heiligerlee in 1568 liet een woedende Alva 18 edelen - waaronder van Jan van Montigny - onthoofden op de Grote Markt van Brussel. Twee geliefde edelen, graaf Lamoraal van Egmont en Filips van Montmorency, graaf van Horne, werden er later eveneens als voorbeeld publiekelijk onthoofd. Willem van Oranje had daar ook bij moeten zijn, maar omdat hij tijdig gevlucht was, ontkwam hij eraan. Na deze daad trok Alva met zijn leger naar het noorden.

Tijdens zijn bewind als afgevaardigde van de Spaanse koning vanuit Brussel zette Alva zijn schrikbewind verder. De Raad van Beroerten was met een staf van 170 man (in 1569) naar de maatstaven van die tijd erg efficiënt. Tijdens de vijf jaar van Alva's bewind werden zo'n 8950 personen uit alle lagen van de bevolking ondervraagd en veroordeeld wegens verraad, ketterij of beide; verbeurdverklaring van goederen bij vermogende veroordeelden kwam veel voor. In totaal werden er meer dan 1000 mensen te Brussel op de Grote Markt terechtgesteld.

Deze terreur werkte echter volkomen contraproductief; de opstandelingen buitten het karakter van Alva's bewind uit in hun propaganda-pamfletten, waarvan een enorme impuls uitging voor de opstand in de Nederlanden. In de lente en zomer van 1572 veroverden de opstandelingen met behulp van de geuzen diverse steden in de Nederlanden, waaronder Mechelen, Leuven en Diest (zie bezettingen van 1572), maar Alva's zoon Don Frederik heroverde vanuit Brussel de meeste steden spoedig en gewelddadig in de herfst.

Tot 1576 heerste betrekkelijke rust in Brussel, die verstoord werd toen de in het zuiden gelegerde koninklijke troepen aan het muiten sloegen na al maanden geen soldij te hebben ontvangen; in Antwerpen en Aalst gingen ze vreselijk tekeer tegen de burgers. Geschokt door de gebeurtenissen riepen de Staten van Brabant op eigen initiatief de Staten-Generaal bijeen (verboden; enkel de koning mocht de Staten-Generaal bijeenroepen) te Gent, waar zij op 8 november 1576 de Pacificatie van Gent sloten waarin men het vertrek van de Spaanse soldaten eiste, maar de katholieke godsdienst en de koning bleef erkennen. Deze eisen werden herhaald in de Unie van Brussel, waarbij alle gewesten op Luxemburg na zich bij aansloten. Don Juan van Oostenrijk aanvaardde deze en bepaalde bij het Eeuwig Edict dat alle vreemde troepen het grondgebied van de Uniegewesten zouden verlaten; dit begon eind april 1577, de meesten verplaatsten naar Luxemburg.

Don Juan schond het Edict echter door op 24 juli de citadel van Namen te bezetten. Willem van Oranje deed daarop in september zijn intocht in Brussel, waarmee hij triomf uitstraalde ten opzichte van Spanje; nu de hoofdstad in handen van de rebellen was, zou de opstand zeker slagen. Matthias van Oostenrijk werd aangenomen als nieuwe landvoogd, maar hij bleef in Oranjes schaduw, die feitelijk de leider van de opstand bleef en van de Brusselse stadsraad bovendien de titel ruwaard van Brabant kreeg. Olivier van den Tympel werd de burggraaf van Brussel en leider van de calvinistische republiek in de stad. De spanningen namen toe, tussen Brussel en Namen, dat de tijdelijke 'Spaanse' hoofdstad werd, maar ook tussen de katholieke en calvinistische opstandelingen toen op 28 oktober radicale calvinisten de macht grepen in Vlaanderen en de Gentse Republiek ontstond. Toen de slag bij Gembloers (31 januari 1578) uitdraaide op een vernietigende nederlaag voor de Opstand, ontstond in Henegouwen en Artesië de malcontentenbeweging die zich fel tegen de protestanten keerde. De malcontenten plunderden het Vlaamse en Brabantse platteland, terwijl de Spanjaarden Leuven, Nijvel en Halle heroverden en Brussel steeds meer bedreigden. De Staatsen besloten daarop de Staten-Generaal van Brussel naar het veiligere Antwerpen te verplaatsen, hoewel men de stad niet wilde opgeven. Men begon te onderhandelen over een Nadere Unie binnen de Unie van Brussel, die te vrijblijvend en te zwak was.

Op 23 januari 1579 kwam de Nadere Unie van Utrecht daadwerkelijk tot stand: een samenwerkingsverband tussen een aantal Nederlandse gewesten, waar ook de belangrijkste Vlaamse en Brabantse steden zich aansloten (de toetreding van Brussel gebeurde in ieder geval vóór juli 1579[1]). De calvinistische 'republieken' Gent en Brussel trachtten zich meester te maken van kleine steden in hun omgeving: dit lukte bij Mechelen en Diest, maar mislukte bij Leuven en Halle. Op 26 juli 1581 brak de Nadere Unie definitief met de Spaanse vorst (Plakkaat van Verlatinghe; in plaats van Brussel werd te Antwerpen Frans van Anjou binnengehaald als nieuwe landvoogd; echter deed hij een mislukte couppoging en werd verdreven, waarna de Staten-Generaal nog verder van Brussel zich in Middelburg vestigden. Brussel raakte deze jaren steeds verder geïsoleerd doordat de kleine buursteden in Spaanse handen vielen, terwijl het calvinisme binnen de stadsmuren steeds sterker werd. In september 1584 begon ten slotte het beleg van Brussel door de Spaanse landvoogd Alexander Farnese, de hertog van Parma. Uiteindelijk moest Olivier van den Tympel op 10 maart 1585 de stad overgeven, die opnieuw de Spaanse hoofdstad der Nederlanden werd. Protestanten kregen kort de tijd om te vertrekken of tot het katholieke geloof terug te keren. Bij hen die gedwongen door de omstandigheden vertrokken, behoorde ook de predikant Petrus Plancius (Eigennaam Pieter Platevoet) om in Amsterdam opnieuw predikant te worden en bij te dragen aan de oprichting van o.a. de VOC.

In 1595 wordt Albrecht van Oostenrijk, neef van de Spaanse koning Filips II aangesteld als landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden. Hij huwt in 1599 met Isabella van Spanje, dochter van Filips II. Zij had een jaar eerder van haar vader de soevereiniteit over de Nederlanden geërfd "en wel voor zo lang als zij door wettige afstammelingen zou worden opgevolgd"

17e eeuw[bewerken]

Albrecht en Isabella[bewerken]

Kaart van de stad (naar Bruxella, Blaeu) rond 1657

Tijdens de regeerperiode van Albrecht en Isabella, die zou duren tot in 1633, jaar van overlijden van Isabella, kende Brussel een bloeiperiode als hoofdstad der (Zuidelijke) Nederlanden. Keizers-Brabant verkreeg een grote mate van autonomie van de landvoogden Albrecht en Isabella. Die bestuurden het grondgebied samen met de Zuidelijke Staten-Generaal.

In 1609 werd tussen Spanje en het opstandige Noorden het zogenaamde Twaalfjarig Bestand gesloten, een adempauze in de vijandelijkheden tussen beide strijdende partijen. Albrecht en Isabella besteedden de tijd en de middelen die hierdoor vrijkwamen aan de reorganisatie en wederopbouw van hun land. In Brussel werd opnieuw aangeknoopt met de traditie een jaarlijkse Ommegang te houden.

Omdat het huwelijk van Albrecht en Isabella kinderloos was gebleven keren de Zuidelijke Nederlanden in 1633 opnieuw terug onder het directe bewind van Filips IV van Spanje en zijn opvolgers.

In 1648 wordt tussen Spanje en de Verenigde Provinciën in Münster de vrede van Westfalen gesloten, waarin Spanje de Verenigde Provinciën erkent als een soevereine vrije staat en waarin de grenslijn tussen "noord" en "zuid" definitief wordt vastgelegd.(Deze grenslijn is sindsdien nauwelijks veranderd) Dit vredesverdrag maakte officieel een einde aan de Tachtigjarige Oorlog. De Zuidelijke Nederlanden, met Brussel als voornaamste stad, bleven deel uitmaken van Spanje. Tot in 1830 zullen zij van het ene buitenlandse vorstenhuis overgaan naar het andere en worden aldus een pion op het Europese politieke schaakbord. Economisch verlamd en financieel verarmd verwerven zij bovendien de triestige vermaardheid "het slagveld van Europa te zijn". Ook op cultureel gebied gaan de Zuidelijke Nederlanden en Brussel een zeer schrale 200 jaar tegemoet.

In 1672 lieten de Spanjaarden een citadel bouwen ten zuiden van de stad om de stad te beschermen tegen Franse invallen. Dit zou nodig blijken, want de volgende decennia werden de Zuidelijke Nederlanden herhaaldelijk het strijdtoneel van een expansionistisch Frankrijk tegen een Spanje dat te zwak bleek om de Zuidelijke Nederlanden goed te beschermen. De Frans-Spaanse Oorlog (1683-1684) en de Devolutieoorlog (1667-1668) zijn enkele voorbeelden.

Negenjarige Oorlog[bewerken]

Het Franse geschut vernietigt Brussel (augustus 1695). Voortaan houden versterkte steden op om forten te zijn

In augustus 1695 komt het in het kader van de zogenaamde Negenjarige Oorlog tussen Frankrijk en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en waarin ook Spanje betrokken raakte tot een beschieting van de Grote Markt (zie Bombardement op Brussel). De Franse koning Lodewijk XIV liet vanuit Sint-Jans-Molenbeek het centrum van Brussel beschieten. Zijn troepen stonden onder rechtstreeks bevel van, maarschalk de Villeroy. De Grote Markt werd zwaar beschadigd. Meer dan 4000 huizen waaronder alle gebouwen op de Grote Markt behalve het stadhuis werden vernield. In de jaren daarna werden de gebouwen rond de Grote Markt opnieuw heropgebouwd. Het zijn deze gebouwen die we daar nu nog steeds kunnen bewonderen in de stijl van die tijd. De beschieting van Brussel had niet het door de Fransen gewenste effect, want de verbondenen namen de citadel in en trokken via de Maas naar Frankrijk, wat de Fransen dwong om de Zuidelijke Nederlanden te ontruimen.

18e eeuw[bewerken]

Van Spanje naar Oostenrijk[bewerken]

Wanneer Karel II van Spanje in 1700 sterft, breekt de Spaanse Successieoorlog uit. Met de Verdragen van Utrecht van 1713 werd uiteindelijk overeengekomen dat de Spaanse Nederlanden aan de keizer van het heilig Roomse Rijk, Karel VI te beurt zouden vallen. Op deze manier kwam het bestuur van de Zuidelijke Nederlanden tot 1795 in handen van de Oostenrijkers (Habsburgse monarchie). In 1724 belastte keizer Karel VI, zijn zus Maria Elisabeth van Oostenrijk, met de functie van landvoogdes over de Zuidelijke Nederlanden. Tot haar dood in 1741 bleef ze deze taak uitoefenen. In 1731 werd het Paleis op de Koudenberg door brand verwoest en verhuisde het hof aldaar naar het nabijgelegen Paleis van Nassau.

Keizerin Maria Theresia

Na de dood van Karel VI op 20 oktober 1740 werd Maria Theresia van Oostenrijk landsheer van de Nederlanden. Aanvankelijk was Maria Theresia voornemens geweest in ruil voor de Nederlanden de vrede af te kopen van Beieren en vervolgens van Frankrijk. Omdat de koning van Beieren geen interesse had in de Nederlanden, moesten de Nederlanden nu beter worden verdedigd. Er werden legers opgericht en rond Brussel werden versterkingswerken uitgevoerd.

Karel van Lotharingen en de Oostenrijkse Successieoorlog[bewerken]

Na de dood van de vorige landvoogd in 1741 werd Karel van Lotharingen, een broer van keizer Frans I Stefan (echtgenoot van keizerin Maria Theresia), benoemd tot landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden. Hiervoor diende diende Karel van Lotharingen al als adjunct van aartshertogin en landvoogd der Nederlanden Maria Elisabeth van Oostenrijk. Nadat hij in 1744 eindelijk in Brussel aankwam en zijn intrek nam in het Paleis van Nassau, verlaat hij op 26 maart in 1744 de stad alweer om de troepen in de Elzas te leiden in de Oostenrijkse Successieoorlog, waarbij Frankrijk tegenover Oostenrijk, Groot-Brittanië en de Republiek komt te staan.

In 1745 vallen Franse troepen de Nederlanden binnenvielen. Nadat het graafschap Vlaanderen veroverd werd, richtten de Fransen hun aandacht op het Brabant: Vilvoorde gaf zich op 4 februari 1746 over, en Brussel was zo slecht verdedigd dat het niet eens beschoten hoefde te worden. Vier dagen na de capitulatie, die op 21 februari ondertekend werd, trokken Franse troepen voor het eerst de hoofdstad binnen. De Zuid-Nederlandse regering vluchtte naar Antwerpen en later naar Aken. De Oostenrijkse Successieoorlog werd datzelfde jaar nog aan de onderhandelingstafel beslecht met de Vrede van Aken. Van zodra de Nederlanden aan Maria-Theresia waren teruggegeven, zond zij Karel van Lotharingen er opnieuw heen. De landvoogd keerde in Brussel terug op 23 april 1749. Het Weense hof had de teruggave van Silezië boven de Zuidelijke Nederlanden verkozen. Omstreeks 1750 werd het Paleis van Nassau op de kapel na afgebroken om plaats te maken voor het paleis van Karel van Lotharingen.

Vrede[bewerken]

Na de vrede van Hubertusburg en van Parijs van februari 1763 bleef de Oostenrijkse aartshertog in het bezit van de Nederlandse vorstendommen. Deze verdragen openden voor het land evenwel een tijdperk van een halve eeuw onafgebroken vrede. Voor de eerste maal sedert het begin van de 17e eeuw werd de zuidgrens niet meer bedreigd. Het Oostenrijks-Frans bondgenootschap was voor de rust van de elf provinciën een garantie voor veiligheid. Daardoor steeg in de Nederlanden ook de populariteit van keizerin Maria Theresia. In 1779 werd gestart met de bouw van een centraal stapelhuis voor de tijdelijke opslag van waren. In hetzelfde jaar gaf Maria-Theresia de opdracht voor de bouw van een paleis voor de vergadering van de Staten-Generaal.

Na de dood van zijn moeder benoemde keizer Jozef II in 1780, Maria Christina van Oostenrijk (zus van Jozef II) en haar echtgenoot Albert Casimir van Saksen-Teschen tot landvoogd van de Nederlanden. Tussen 1782 en 1784 werd het Kasteel van Laken als buitenverblijf voor het paar gebouwd.

Brabantse Omwenteling[bewerken]

Driekleur van de Verenigde Nederlandse Staten

Ondanks de afspraken bij de Vrede van Utrecht, die in 1713 bepaalde dat de vorst alle charters met betrekking tot rechten van de Staten van de Nederlandse provinciën zou respecteren, wilde Jozef II, de Oostenrijkse Nederlanden snel uniformeren en centraliseren. Op 1 januari 1787 vaardigde hij een aantal edicten uit die het bestuurlijk en gerechtelijk apparaat volledig hervormden en de staatsmacht versterkten. De zelfstandige Nederlandse provinciën zouden worden vervangen door 9 kreitsen en 35 districten. De Staten van Henegouwen en Brabant reageerden het felst door goedkeuring van belastingen te weigeren. De landvoogden Maria Christina en Albert Casimir zwichtten en schortten in mei 1787 de invoering van de edicten op, maar de keizer wilde volharden in zijn plannen. Brabant en Henegouwen volhardden eveneens in hun verzet tegen de belastingen, ten gevolge daarvan verklaarde de keizer op 7 januari 1789 niet meer gebonden te zijn door hun charters.

Nu vonden de behoudsgezinde reacties op de hervormingen van de keizer, die vooral leefden bij de geestelijkheid en het volk, en democratische opvattingen, die vooral ingang vonden bij de nieuwe burgerij (de Derde stand), elkaar. De behoudsgezinde Van der Noot verzamelde met zijn genootschap "Voor Outer en Heerd" een legertje in Staats-Brabant. Onder leiding van generaal Vander Mersch trok dat Keizers-Brabant binnen. Op 17 november verlieten de landvoogden Brussel, samen met Oostenrijkse overheden en ambtenaren. De keizer deed nog een verzoeningspoging door de Henegouwse en Brabantse charters te herstellen, maar de 'revolutionairen' wilden, mede door de steun van de opstand door de gewone bevolking, niet meer van een terugkeer naar een status-quo weten.

Op 18 december 1789 deed het Comiteit van Breda te midden van algemene geestdrift zijn intrede in het met de driekleur bevlagde Brussel. Hiermee eindigde het Oostenrijks stelsel dat vierenzeventig jaar had geduurd. De Staten namen op 27 december achter gesloten deuren de soevereiniteit in handen, waarbij ze de 'natiën' en ambachten, door versterking van de Derde Stand die zij vertegenwoordigden, aan zich bonden. Dit Brussels voorbeeld vond dadelijk navolging te Mechelen en te Namen. Er moest ook nog een hoofdregering gevestigd worden voor de nieuwe Verenigde Nederlandse Staten, maar de behoudsgezinden, onder leiding van Van der Noot wilden vooral vermijden, dat die hoofdregering in handen van een Nationale Vergadering zou vallen zoals in Frankrijk. Op 11 januari kondigden de Staten, verenigd in een Staten-Generaal, die in deze hoedanigheid voor het laatst vergaderde, de akte van oprichting der Verenigde Nederlandse Staten. De negen stichtende leden van deze statenbond waren Brabant, Henegouwen, Vlaanderen, West-Vlaanderen, Namen, Mechelen, "Zuidelijk" Gelre, Doornik en het Doornikse.

De Oostenrijkers sloegen echter terug met een ultimatum om voor 21 november de wapens neer te leggen in ruil voor amnestie. De 'progressieven' (vonckisten) waren uitzinnig van woede en de verklaring werd publiek verbrand op de Grote Markt van Brussel onder toezicht van de politie. In november 1790 heroverden de Oostenrijkse troepen echter zonder veel geweld de Zuidelijke Nederlanden. Na de laatste zitting van het 'Congres' op 27 november haastten de meest gecompromitteerde statisten zich met leider Van der Noot naar Staats-Brabant te vluchten en bleven de vonckisten onthutst achter. Op 2 december 1790 konden de keizerlijke troepen opnieuw Brussel innemen.

Eerste Coalitieoorlog en Franse annexatie[bewerken]

Wapenschild van Brussel, als Keizerlijke stad.

Op 20 april 1792 werd Oostenrijk de oorlog verklaard door het revolutionaire Frankrijk (Eerste Coalitieoorlog). Op 29 april vallen de Fransen de Zuidelijke Nederlanden binnen, en winnen de Slag bij Jemappes. De Oostenrijkers slaan terug en na de tweede slag bij Neerwinden op 18 maart 1793 wordt het Oostenrijks bewind hersteld. De Oostenrijkse keizer Frans II komt op 9 april 1794 zelf te Brussel om het begin van een nieuwe veldtocht tegen Frankrijk bij te wonen. Hij liet er zich op 23 april in open lucht op het Koningsplein inhuldigen als hertog van Brabant en Limburg en viert zelfs nog een Blijde Inkomst in Brussel op 24 april 1794 (naar wat later zou blijken de laatste). Na enkele successen van de Oostenrijkers verkrijgen de Fransen in juli 1794 met de slag bij Fleurus een beslissende overwinning op de Oostenrijkers. Op 11 juli wordt Brussel ingenomen door de gezamelijke legers van Pichegru en Jourdan. De Oostenrijkers worden gedwongen om terug te trekken achter de Rijn en de Nederlanden voorgoed te verlaten. Dit markeert het begin van de Franse tijd in België.

Op 1 oktober 1795 stemde de Franse Nationale Conventie in met de aanhechting van de Zuidelijke Nederlanden en het prinsbisdom Luik. De Oostenrijkse Nederlanden worden hierbij als de negen verenigde departementen ingelijfd als een deel van de Franse republiek en Brussel wordt gedegradeerd tot departementshoofdstad van het Franse departement Dyle. Op 17 maart 1797 werd de Vrede van Leoben getekend, gevolgd door de Vrede van Campo Formio op 17 oktober, waarbij Oostenrijk de zuidelijke Nederlanden afstond aan Frankrijk

Op 12 oktober 1798 komt de behoudsgezinde Vlaamse boerenbevolking (de brigands) in opstand tegen Napoleon Bonaparte, de Franse bezetter (Sansculotten) met als leuze "Voor Outer en Heerd". Deze opstand wordt de Boerenkrijg genoemd. Aanleiding tot deze rebellie waren de hoge belastingen, de antigodsdienstige politiek van sluiting van de kerken gepaard gaande met de vervolging van de priesters en de invoering van de conscriptie door de bezetter. De opstand eindigde op 5 december 1798 toen het boerenleger op Ter Hilst (Hasselt) werd verslagen. Doch de Belgen verkrijgen de steun van de Hollanders, de Britten en het Pruisische leger en verslaan het Franse leger definitief in 1815 in de Slag bij Waterloo.

19e eeuw[bewerken]

De Zuidelijke Nederlanden worden deel van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden waarbij Den Haag en Brussel de functie van hoofdstad delen. In 1820 werd gestart met de bouw van het Koninklijk Paleis van Brussel. Wanneer in hetzelfde jaar het Paleis van de Staten-Generaal afbrandde, werd op dezelfde plaats een nieuw gebouw opgetrokken, het huidige Paleis der Natie (zetel van het Belgisch parlement). In 1822 richt koning Willem de Algemeene Nederlandsche Maatschappij ter Begunstiging van de Volksvlijt op, de voorloper van de Generale Maatschappij van België. In 1826 werd de Kruidtuin aangelegd.

Onder het beleid van Willem I werd ernaar gestreefd van het Nederlands de officiële taal in Vlaanderen te maken. De katholieken verzetten zich echter hevig tegen deze onderwijspolitiek van de koning en er ontstond een heuse schoolstrijd. Na 1825 sloten liberalen en katholieken zich aaneen en in 1828 kwam de Unie van de katholieke en liberale oppositie tot stand (Unionisme). Willem van Oranje voerde een ongelijk beleid in de Nederlanden. Zo was het aantal vertegenwoordigers van de Zuidelijke Staten in de Raad der Verenigde Nederlanden niet evenredig met het bevolkingsaantal en het leger werd voornamelijk door Noordelijke officieren geleid en voornamelijk bevolkt door Zuidelijke soldaten. Daarbij deed Willem I er alles aan om de Zuidelijke steden hun macht te ontnemen. Zo verving hij overal stedelijke bewindsmensen door Noordelijke afgezanten. Dit beleid zorgde voor vele politieke patstellingen en kwam tot een hoogtepunt met de afschaffing van de onderwijstoelagen voor de Vlaamse scholen zodat onderwijs onmogelijk werd. In de voortdurende onderhandelingen blijkt Willem II, de zoon van de vorst, inschikkelijker met de Vlaamse grieven. In het Noorden worden vooral de Waalse steden van opstandigheid beschuldigd omwille van de invoering van het Nederlands als voertaal voor elk niveau van beleid.

Onder invloed van de slechte economische toestand en van de Julirevolutie in Frankrijk kwam het op 25 augustus 1830 tot relletjes in Brussel. Die avond vond ook een opvoering van de Muette van Portici plaats. Op het Muntplein was de toestand echter heel anders. Verschillende groepen betogers hadden zich tijdens de voorstelling gevormd en trokken eerst naar café Suisse en Mille Colonnes. Daarop gingen ze richting Wolvengracht, achter de Munt, waar de pro-Nederlandse krant Le National gevestigd was. Klokslag 22 uur sneuvelde de eerste lantaarn. Dit was het startschot voor een reeks vernielingen door de stad. De menigte had het gemunt op wie verondersteld werd voor het beleid van Willem I te zijn, namelijk de rijke Nederlanders, wiens huizen werden geplunderd. De ordediensten konden de toestand niet aan. De volgende dag vreesde de Brusselse burgerij zelf ook het slachtoffer te worden van de volkswoede en besloot een burgerwacht op te richten. Ze kregen geweren van het leger uit de kazerne Annonciades. Toen de eerste groep uitrukte om opnieuw rust en orde in de stad af te dwingen, mispakten de oproerzaaiers zich totaal: ze applaudisseerden en juichten deze burgerwacht toe in de veronderstelling dat ook de burgerij zich bij de opstand aansloot. Niets was minder waar, maar zo kreeg de burgerij terug controle over de stad. De menigte werd gepaaid met enkele gebaren van sympathie zoals enkele traktaties in verschillende cafés. Ongewild kwam de burgerij zo aan de leiding van een opstand die ze zelf eerst wenste te onderdrukken.[2] Op 23 september trok prins Frederik met het regeringsleger Brussel binnen, maar door het hevige verzet van de separatisten was hij gedwongen vier dagen later te vertrekken. Tijdens deze gevechten kwam het Voorlopig Bewind tot stand. Deze regering riep op 4 oktober 1830 de onafhankelijkheid uit.

Belgische hoofdstad[bewerken]

19e eeuw[bewerken]

Onafhankelijkheid[bewerken]

Op 21 juli 1831 besteeg Leopold I de troon als eerste Koning der Belgen. De nieuwe Belgische staat zorgde voor een aanzienlijke versnelling in de uitbouw van Brussel. In 1830 was Brussel een Brabantse stad waar Nederlands in de vorm van een Brabants dialect de voertaal was. Na de onafhankelijkheid kende het een sterke inwijking van Fransen (gevluchte revolutionairen en anderen), en van Waalse ambtenaren die het jonge Belgische bewind aantrok uit de Waalse provincies om er haar nationale administratie mee te bemannen. Dat bewind werd beheerst door de hogere burgerij en de adel. Enkel deze groepen genoten toen stemrecht. Zij wensten de nationale instellingen enkel in hun eigen taal uit te bouwen. Hierdoor werd het Nederlands verbannen uit alle stedelijke instellingen en uit het bestuur. Deze taalkundige discriminatie viel dus samen met sociale en politieke discriminatie van de gewone bevolking (en lagere burgerij). Een uniek verschijnsel daarbij is het ontstaan van de typische Brusselse spreektaal, in wezen een variante van het Nederlands, maar met sterke invloeden van het Frans.

In de negentiende eeuw kende Brussel ook een sterke industriële ontwikkeling. In 1832 werd het kanaal Brussel-Charleroi in gebruik genomen. De spoorlijn Brussel-Mechelen, slechts vier jaar na de onafhankelijkheid, was de eerste spoorweg op het Europese vasteland. In 1844 startte de bouw van het Noordstation aan het Rogierplein. In 1847 werd een nieuw stapelhuis geopend dat over betere verbindingen met de nieuwe spoorwegen beschikte.

Leopold II[bewerken]

Onder Leopold II, schertsend de 'koning-architect' genoemd, werden ettelijke prestigieuze gebouwen voor de hoofdstedelijke instellingen opgetrokken. Ook enkele hedendaagse parken, grote lanen (zoals de Tervurenlaan en de Anspachlaan) en gehele wijken (Noordruimte, Zuidwijk (Brussel), Leopoldswijk, Wijk van de Squares ...) werden aangelegd. De Zenne werd overkapt (omdat de vervuiling ziekten meebracht) en het Justitiepaleis werd gebouwd. In 1853 werd de Leopoldswijk (grondgebied van Sint-Joost-ten-Node aangehecht en in 1864 volgde de Louizalaan en het Terkamerenbos (Elsene). Het Jubelpark werd aangelegd om in 1880 de vijftigste verjaardag van de Belgische onafhankelijkheid te vieren. In 1888 en 1897 werd daar de wereldtentoonstelling gehouden.

Door de zware druk vanwege de overheid en door de inwijking van Walen en Fransen ontstond toen ook een aanhoudende verfransing van de bevolking. Niettemin kregen de Franstaligen slechts rond het midden van de twintigste eeuw numeriek de overhand. Samen met deze evolutie groeide ook het hoofdstedelijke gebied. Begin 19e eeuw telde dat slechts een zestal gemeenten rond de hoofdstad. Naarmate de verstedelijking en de verfransing oprukten, werden omringende gemeenten bijgevoegd. Dat gebeurde bij tienjaarlijkse talentellingen. Zodra daarbij het aantal Franstaligen en tweetaligen boven bepaalde grenzen raakte, werd de betrokken gemeente bij het hoofdstedelijke gebied gevoegd.

20e eeuw[bewerken]

In 1910 werd het goederenstation van Thurn en Taxis in gebruik genomen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog bouwde de Duitse bezetter op een grasstrook langs de Haachtsesteenweg in Haren enkele houten loodsen voor zeppelins. Dit vormt de basis voor de eerste nationale luchthaven van België. In 1921 werden Haren, Laken en Neder-Over-Heembeek geannexeerd zodat Brussel voortaan de grootste gemeente van het Brusselse gewest werd (Wet van 30 maart 1921 tot het vergroten der stad Brussel, met het oog op de uitbreiding der zeevaartinstellingen). Een jaar later werd het verbrede kanaal Brussel-Rupel in gebruik genomen en werd 'Brussel Zeehaven' ingewijd.

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Tijdens de twee Wereldoorlog werd Brussel op 17 mei 1940 bezet door de Duitse nazilegers. Op 28 mei 1940 eindigde de 18-daagse campagne en capitulatie van het Belgisch leger en keerde de koning naar zijn paleis in Laken terug. Op 28 oktober 1940 drukten de bezetters wetten met betrekking tot de Joden door. In 1941 volgde sluiting van de universiteit 'ULB' op Duits bevel. De universiteit wilde geen medewerkers uit pro-Duitse Vlaamse kringen accepteren.

Burgemeester Joseph Vandemeulebroeck ging in 1940 akkoord met een register op te stellen waarin 5640 Brusselse Joden werden vermeld. Eind augustus 1942 zetten de Duitsers Vandemeulebroeck af en stelden de pro-nazistische Jules Coelst aan als waarnemend burgemeester. Deze weigerde overigens Jodensterren te verdelen. Ook verbood hij de Belgische politie mee te doen aan razzia's. In september 1942 volgt oprichting van Groot-Brussel dat wordt beheerd door pro-Duitse politici en J. Grauls wordt burgemeester van Groot-Brussel.

Op 3 september 1944 kwam de bevrijding van Brussel door de Britse troepen onder generaal Sir Miles Dempsey en terugkeer van burgemeester Vandemeulebroeck naar het Stadhuis. Het paleis van Justitie werd door de Duitsers tijdens de bevrijding alsnog in brand gestoken. In dat jaar vonden bombardementen van Brussel door V1-vliegende bommen plaats.[3]

Jodenvervolging[bewerken]

De Jodenvervolging was vanwege het militaire bestuur van België, in Brussel niet zo scherp als bijvoorbeeld in Nederland. De Joden vormen de grootste groep Brusselse slachtoffers uit de bezettingstijd.

De bezetters vestigden in Brussel hun Landelijke Anti-Joodsche Centrale onder leiding van Pierre Beeckmans. Volgens een telling van deze centrale uit 1941 woonden er in Groot-Brussel 21.734 Joden boven de 15 jaar. De bezetters trachtten gaandeweg de meeste Joden uit het land in Brussel, hoewel de Joodse gemeenschap in Antwerpen voor de oorlog ongevbeer 45.000 mensen telde.

De meeste Brusselse Joden hadden de Poolse nationaliteit. Mede daardoor was volgens historici hun willigheid om mee te werken aan maatregelen van de bezetter gering. Van de 12.000 geregistreerde Joden in Brussel werden er 4.460 gedeporteerd, percentueel de helft van de Antwerpse Joodse bevolking. Op 26 juni 1942 werden 86 volwassen Joodse mannen naar Noord-Frankrijk afgevoerd voor werk aan de Atlantikwall. Er vond in Brussel slechts één razzia plaats, op 3 september 1942. Hierna doken Joden in groten getale onder [4].

In 2012 bood de burgemeester van Brussel officieel zijn excuses aan voor de Jodenvervolging.

Na de oorlog: verbrusseling[bewerken]

Na de oorlog werd na decennia werken, waarbij het hart van de stad een open bouwwerf was, eindelijk de Noord-zuidverbinding geopend. In 1958 werd er op de terreinen van het Heizelplateau in het noordwesten van Brussel 'Expo 58' georganiseerd, wat een beweegreden was voor grote ingrepen in de stad zoals de aanleg van de tunnels op de kleine ring, de bouw van het viaduct van Koekelberg en de aanleg van het eerste deel van de grote ring. Nadien kreeg Brussel (nog meer) te maken met het fenomeen van de verbrusseling, een pejoratieve term voor de stedelijke ontwikkeling in Brussel in de jaren 60 en 70. Zo werd de Noordwijk met de grond gelijk gemaakt voor futuristische plannen als het Manhattanplan en werden monumenten als het Volkshuis van Horta afgebroken.

In 1976 opende de eerste metrolijn van Brussel.

Immigratie[bewerken]

Een belangrijke evolutie was de verschuiving van de aard van de immigratie. De (groot)stedelijke bevolking werd in de jaren 60 en vooral 70 aangevuld met immigranten uit Noord-Afrika (vooral Marokkanen) en Turkije. In de jaren 80 en 90 ging deze evolutie verder, vooral via zogenaamde familieherenigingen (in wezen eerder vorming van nieuwe families). Daarnaast kwam ook een sterke immigratie uit Centraal-Europa, met name Polen. Door de functie als Europese hoofdstad verblijven ook veel andere EU-burgers al dan niet permanent in Brussel.

Overige gebeurtenissen[bewerken]

Op 22 mei 1967 verwoestte een zeer ernstige brand overdag het warenhuis L'Innovation, waarbij circa 251 doden en 63 gewonden vielen.

In de jaren 1980 werd diverse malen massaal gedemonstreerd tegen de kernbewapening, onder andere op 25 oktober 1981 door 150.000 mensen en op 23 oktober 1983 door 300.000 mensen, tegen de plaatsing van Amerikaanse kruisraketten op Belgische bodem (op de vliegbasis Florennes).

In 1987 verdwijnt het Meli-pretpark op de Heizel, een restant van Expo 58 om plaats te maken voor Bruparck, Kinepolis en Mini-Europa.

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met eigen Brussels Parlement en Brusselse regering werd opgericht in 1989. De eerste minister-president van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest was Charles Picqué.

In 2000 werd Brussel officieel benoemd tot 'Capital of Europe'. In hetzelfde jaar was de stad culturele hoofdstad van Europa.

Met de sluiting van de metroring in 2009 werd het metronetwerk geherstructureerd. In 2015 werd het Gewestelijke ExpresNet rond Brussel in gebruik genomen. De volledige afwerking van het S-net wordt echter pas tegen 2025 voorzien.

Op 22 maart 2016 vielen bij bijna gelijktijdige aanslagen op de luchthaven van Zaventem en het metrostation Maalbeek in Brussel 31 doden en circa 200 gewonden.

Grote markt

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]