Slag bij Waterloo

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Slag bij Waterloo
Onderdeel van de napoleontische oorlogen (7de Coalitie), Honderd Dagen
De Slag bij Waterloo door William Sadler
De Slag bij Waterloo door William Sadler
Datum 18 juni 1815
Locatie Waterloo, België
Resultaat Overwinning voor de 7de Coalitie
Strijdende partijen
Flag of France.svg Frankrijk Zevende Coalitie:
Flag of the United Kingdom.svg Verenigd Koninkrijk
Flag of the Kingdom of Prussia (1803-1892).svg Pruisen
Flag of the Netherlands.svg Nederlanden
Flag of Hanover (1692).svg Hannover
Flagge Herzogtum Braunschweig (1814-1830).svg Brunswijk
Flag of Herzogtum Nassau.png Nassau
Commandanten en leiders
Vlag van Frankrijk Napoleon Bonaparte
Vlag van Frankrijk Michel Ney
Vlag van Verenigd Koninkrijk Arthur Wellesley
Flag of the Kingdom of Prussia (1803-1892).svg Gebhard von Blücher
Vlag van Nederland de Prins van Oranje
Troepensterkte
73.000 67.000 geallieerden
60.000 Pruisen (48.000 ingezet rond 18:00)
Verliezen
25.000 dood of gewond, 8000 gevangen 22.000 dood of gewond
Kaart van de campagne

De Slag bij Waterloo was een veldslag bij Waterloo, een plaatsje destijds gelegen in de Zuidelijke Nederlanden, tegenwoordig in België. Napoleon Bonaparte werd hier op 18 juni 1815 definitief verslagen door een coalitie van enerzijds Britse, Nederlands/Belgische en Hannoverse troepen onder opperbevel van de hertog van Wellington en anderzijds een Pruisisch leger onder commando van maarschalk Gebhard Leberecht von Blücher.

Na in 1814 verbannen te zijn naar Elba, keerde Napoleon in maart 1815 naar Frankrijk terug. Hij installeerde zich daar opnieuw als keizer. Zijn oude vijanden konden dat niet aanvaarden en vormden de Zevende Coalitie om hem weer te verjagen. Engeland en Pruisen trokken grote legers samen in de zuidelijke Nederlanden om Frankrijk op 1 juli 1815 binnen te vallen. Napoleon besloot ze voor te zijn en trok op 14 juni de grens van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden over bij Charleroi. Hij hoopte de legers van Wellington en Blücher uiteen te drijven om ze apart te kunnen vernietigen maar dat mislukte grotendeels. Zijn linkervleugel werd op 16 juni door de Nederlanders opgehouden in de Slag bij Quatre-Bras. Hij bracht de Pruisen dezelfde dag met zijn rechtervleugel een nederlaag toe in de Slag bij Ligny maar die trokken zich naar het noorden terug om Wellington te blijven bijstaan. Napoleon achtervolgde het Engels-Nederlandse leger op 17 juni met zijn hoofdmacht en liet de Pruisen volgen door maarschalk Emmanuel de Grouchy. Wellington nam een verdedigende positie in op een heuvelrug ten zuiden van Waterloo in de hoop dat de Pruisen hem op tijd te hulp zouden schieten.

Na vertraagd te zijn door hevige regenval liet Napoleon op 18 juni tegen het middaguur de aanval openen. Een grote massa Franse infanterie viel de geallieerde linkervleugel aan en dreigde door te breken. Een flankaanval van Britse zware cavalerie dreef ze echter op de vlucht. Op dat moment arriveerden uit het oosten de eerste Pruisen, die Grouchy ontglipt waren. Grouchy kon zich niet meer op tijd bij de Franse hoofdmacht voegen die daardoor zwaar in de minderheid raakte. Napoleon liet zijn voornaamste infanteriereserve tegen de Pruisen opstellen. De Franse cavalerie moest alsnog de Britten verslaan. Die stelden zich echter op in verdedigende vierkanten en bezweken uiteindelijk niet onder de herhaalde charges. Napoleon beval zijn laatste reserves van de keizerlijke garde op te rukken in een wanhopige poging het tij te keren maar die werden verslagen door Nederlandse reserves. De Franse rechterflank bezweek onder de groeiende Pruisische overmacht en het Franse leger sloeg op de vlucht.

Napoleon werd in Parijs gedwongen afstand te doen van de troon. De Britten verbanden hem naar Sint-Helena.

Het voorspel[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Honderd Dagen (1815) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In 1814 was Bonaparte na een reeks nederlagen (Slag bij Leipzig en een aantal nederlagen in Frankrijk) naar het eiland Elba verbannen. Daar volgde hij met interesse de politieke strijd die in Wenen over de landverdeling in Europa was losgebarsten en de groeiende ontevredenheid onder de Franse bevolking over het herstel van het koninkrijk. Hij begreep dat voor hem nog niet alles verloren was. Op 13 februari hoorde hij dat Joseph Fouché een staatsgreep wilde plegen en besloot hem voor te zijn. Op 26 februari 1815 ontsnapte hij van het eiland, en op 1 maart arriveerde hij met een legertje van 800 man in het Franse havenstadje Golfe-Juan. Snel trok hij met zijn persoonlijke garde op naar het noorden, richting Parijs. Maarschalk Michel Ney, aanvoerder van het Franse leger en voormalig maarschalk onder Napoleon, werd opgeroepen om de keizer tegen te houden, maar liep met zijn gehele leger over naar zijn voormalige leider. Op 20 maart zetelde die weer in zijn keizerlijk paleis en was Lodewijk XVIII gevlucht naar Gent.

Na de verbanning van Napoleon naar het eiland Elba hadden de geallieerden hun legers teruggetrokken naar de zuidelijke Nederlanden. Napoleon bood de andere Europese grote mogendheden vrede aan in ruil voor een berusten in zijn heerschappij over Frankrijk maar die hadden geen enkel vertrouwen in zulke beloften. Op het Wener Congres zegden Engeland, Pruisen, Oostenrijk en Rusland ieder 50.000 man toe om hem weer te verdrijven. Het zou echter enkele maanden duren voordat zulke grote legers gemobiliseerd konden worden en van Oostenrijk en Rusland viel op korte termijn geen bijdrage in de strijd te verwachten. Onder het opperbevel van Wellington werden Britse, Nederlandse, Hannoverse en Nassauer troepen geconcentreerd in het zuiden van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden dat het huidige Nederland, België en Luxemburg omvatte. Tegelijkertijd werden Pruisische legerkorpsen opgebouwd bij Luik en Namen.

Napoleon besloot niet passief af te wachten tot Frankrijk zou worden aangevallen door een overmacht aan geallieerde troepen. Hij wilde zo snel mogelijk, eer de andere staten in Europa klaar waren om Frankrijk binnen te vallen, zelf tot het offensief overgaan. Hij mobiliseerde in twee maanden tijd een leger van 250.000 manschappen[1] en trok met 123.000[1] daarvan naar de Frans-Nederlandse grens. Op 14 juni stak hij die onverwachts over bij Charleroi. Hij had dit punt gekozen omdat het tussen het Pruisische leger in het oosten en het Brits-Nederlandse leger onder de Hertog van Wellington in het westen lag. Hij hoopte door een snelle opmars te kunnen verhinderen dat die zich verenigden en een strijdmacht vormden die groter was dan de zijne. Zo had hij een kans ze ieder afzonderlijk te verslaan.

De opzet van Napoleon lukte maar zeer onvolkomen. Hij zou niet de ruimte krijgen om zijn volledige strijdmacht tegen een van de vijandelijke legers te ontplooien. Hij viel eerst de Pruisen op zijn rechterflank aan maar was gedwongen een grote eenheid zijn linkerflank te laten dekken. Aan de Slag bij Waterloo gingen hierdoor op 16 juni twee andere veldslagen vooraf. De hoofdmacht van Napoleon stuitte op het Pruisische leger van Blücher, dat in de Slag bij Ligny tot de terugtocht gedwongen werd. Blücher hield echter zijn leger intact en liet het naar het noorden terugvallen zodat het steun kon blijven leveren aan het Engels-Nederlandse leger en zich verenigen met Pruisische versterkingen. Op dezelfde dag besloot prins Willem, als commandant van de Engels-Nederlandse voorhoede, niet terug te vallen naar Nijvel zoals Wellington hem bevolen had maar het knooppunt van Quatre-Bras te blijven bezetten om de Fransen zo min mogelijk ruimte te bieden. Daardoor kwamen zijn Anglo-Nederlandse troepen in de Slag bij Quatre-Bras eerst tegenover een grote Franse overmacht onder maarschalk Ney te staan. Ney rukte echter te omzichtig op, en tegen de tijd dat hij zijn aanval wilde doorzetten had Wellington, die op de 15e nog erg verrast was door Napoleons snelle opmars, de tijd gekregen Willem te versterken met de hoofdmacht van zijn leger. Toen Wellington echter het bericht kreeg dat de Pruisen verslagen waren, besloot hij in noordelijke richting een beter verdedigbare positie op te zoeken bij Waterloo.

Wellington en Blücher[bewerken]

De Hertog van Wellington in 1814

Napoleon besloot nu het zwaartepunt naar zijn linkerflank te verleggen en Wellington aan te vallen. Opnieuw moest hij een grote dekkingsmacht apart houden, dit keer tegen de Pruisen. Hij beval maarschalk Grouchy het terugtrekkende Pruisische leger te achtervolgen met een legermacht van 35.000 man, het Franse 3e en 4e korps. Daarbij nam hij echter aan dat de Pruisen zich in noordoostelijke richting terugtrokken. Grouchy begon zich daardoor in feite om de oostelijke flank van het Pruisische leger te bewegen. De Fransen konden zo niet meer voorkomen dat Blücher zijn leger hergroepeerde, westelijk richting Wellington trok en uiteindelijk de geallieerde legers verenigde. De Fransen daarentegen raakten zelf gescheiden: Grouchy zou niet meer op tijd Napoleon kunnen bereiken.

Von Blücher

Door de Pruisische nederlaag bij Ligny was Wellingtons positie bij Quatre-Bras onhoudbaar geworden. Op 17 juni, een dag waarop het vrijwel voortdurend regende, liet hij het geallieerde leger terugtrekken en verzamelen achter een natuurlijke glooiing, het plateau van Mont-Saint-Jean ten zuiden van Waterloo. Wellington had per brief vernomen dat Blücher zich richting Waver terugtrok en hem zou bijstaan. Het was zaak om de Franse aanval zo lang mogelijk te weerstaan, totdat de Pruisen zich bij hen zouden voegen. Wellington meende dat zonder Pruisische hulp een succesvolle verdediging onwaarschijnlijk was. Hij had weinig vertrouwen in de dienstplichtigen uit de Nederlanden, en zijn eigen Britse troepen bestonden niet uit de veteranen van zijn beroemde campagnes in Spanje – die waren tegen de VS uitgestuurd in het kader van de Oorlog van 1812 – maar uit slecht getrainde milities uit Engeland, zonder enige gevechtservaring. Wellington stelde zijn legers op langs de weg van Eigenbrakel naar Genappe en wachtte daar de vijand op. Daarbij maakte hij zijn rechterflank het sterkst en wees er de meeste van zijn 156 stuks geschut aan toe, wellicht uit vrees dat Napoleon zijn mogelijke ontsnappingsroutes naar de kust zou afsnijden. Zijn leger bestond uit ongeveer 25.000 Britten, 6000 man van het koninklijke Duitse legioen van George III van Engeland, 17.000 man uit de Nederlanden, 11.000 man uit Hannover, 6.000 man uit Brunswijk en 3.000 uit Nassau. Napoleon op zijn beurt was vol vertrouwen dat hij Wellington kon verslaan. Niet alleen had hij ook zonder Grouchy een licht numeriek overwicht van 73.000 man maar zijn troepen hadden veel meer ervaring en waren uiterst gemotiveerd: door de terugkeer van de keizer hadden ze hun oude bevoorrechte positie in de samenleving herwonnen en bij een nederlaag dreigde hun maatschappelijke ondergang.

Waterloo[bewerken]

De nacht van zaterdag 17 op zondag 18 juni regende het nog altijd.[2] De lössachtige grond veranderde in bruine modder. Dat was de reden dat Napoleon de volgende dag pas om half twaalf het sein tot de aanval gaf. Maar ook toen was het nog te nat om artillerie snel te kunnen verslepen. Mede daardoor slaagde Napoleons broer Jérôme Bonaparte er niet in de kasteelhoeve Hougoumont in te nemen, gelegen vóór de geallieerde rechterflank. Die aanval is wel gezien als een afleidingsmanoeuvre voor de centrale aanval die omstreeks twee uur 's middags door maarschalk Ney tegen Mont-Saint-Jean werd ingezet. Vermoedelijk ging het echter om een zich min of meer toevallig escalerende strijd waarin de Fransen zich steeds verder lieten verwikkelen. Op bevel van Jérôme werden meer en meer Franse troepen tegen Hougoumont ingezet. Het gevolg was dat de geallieerden niet gedwongen waren hun linies te verzwakken om Hougoumont te versterken, maar juist de Fransen een toenemend aantal troepen in deze sector verloren.

Aan de aanval ging een incident vooraf dat een belangrijke invloed had op het aanzien van het Nederlandse leger bij de Britten.[bron?] De brigade van Bylandt, die bij Quatre-Bras reeds forse verliezen had geleden, was tot stomme verbazing van vele ooggetuigen en geschiedschrijvers op de linkerflank vóór de geallieerde linie opgesteld. Ze stonden zo open en bloot voor de Fransen, terwijl de rest van het geallieerde leger achter de heuvelkam stond. Bovendien waren de flanken ongedekt. Anders dan in de latere mythe is neergelegd, werd de Brigade Bylandt overigens wel op tijd teruggetrokken achter de heuvelkam en heeft ze uiteindelijk weinig verliezen geleden.

Ondertussen werd er door de Fransen een Grande Batterie verzameld van 76 kanonnen. Omstreeks 1 uur 's middags barstte het bombardement van dit geschut los. Het bombardement had minder effect dan verwacht: de Britten en Nederlanders stonden beschut achter de heuvelkam opgesteld en hadden zelfs het bevel gekregen te gaan liggen. De zeer drassige grond heeft mogelijk bijgedragen aan het geringe effect van de artillerie: scherven bleven erin steken en massieve kogels stuiterden niet zoals op harde grond maar boorden zich in de aarde.

Infanterieaanval door d'Erlons[bewerken]

Historische kaart van de slag
Modern diagram van het verloop van de slag
Bronzen standbeeld van Napoleon vlak bij de Leeuw van Waterloo, België.

Napoleon gaf bevel tot een aanval door de vier divisies van d'Erlons 1e legerkorps, samen zo'n 16.000 man, op de geallieerde linkervleugel. In vier gigantische aanvalscolonnes marcheerden zijn troepen voorwaarts.

De aanval was gericht op de zwakkere oostflank van de geallieerden en kwam dus recht op de brigade van Bylandt af. Al bij het eerste vuurcontact leed de brigade vrij zware verliezen. In tegenstelling tot sommige Britse historici, die deden voorkomen alsof de brigade hierop op de vlucht sloeg, melden ooggetuigenverslagen dat de brigade de Franse aanval zelfs enige tijd weerstaan heeft. Onder druk van de overmacht trok ze zich uiteindelijk terug achter de eerste Britse linie en hergroepeerde. Hier werden de ontplooide Franse colonnes weer tot staan gebracht door een tegenaanval van twee Britse infanteriebrigades van luitenant-generaal Thomas Pictons divisie, gesteund door de brigade van Bylandt en een andere Britse brigade. Picton, nog gekleed in zijn nachthemd en een hoge hoed omdat zijn uniform hem op de 15e niet had kunnen bereiken, sneuvelde echter en onder de niet-aflatende Franse druk dreigde de hele geallieerde linkerflank uiteen te vallen. Napoleon had rond twee uur de indruk dat de slag gewonnen was.

De Britse zware cavalerie voert een tegenstoot uit[bewerken]

Dit was voor Wellingtons onderbevelhebber, veldmaarschalk Henry William Paget, de Earl of Uxbridge, het sein om persoonlijk met tweeduizend ruiters van zijn cavalerie, waaronder de Scots Greys, een tegenstoot uit te voeren, van het centrum van de geallieerde linie uit. De betrokken ruitereenheden vertegenwoordigden de elite van het geallieerde leger. Twee Britse brigades zware cavalerie golfden in dichte concentratie de heuvelkam over en zwenkten naar het oosten, op de linkerflank van de Franse infanterie inrijdend. D'Erlons troepen begonnen te wijken, wat al snel uitmondde in een vlucht met de Britse ruiterij in de achtervolging. De Britse cavalerie werd overmoedig en wilde meteen ook maar de Grande Batterie oprollen, maar die schoot terug. Ondertussen kwam uit het zuiden Franse cavalerie aangesneld die de Britten afsneed van de rest van het geallieerde leger, hun zware verliezen toebrengend. Drie andere, lichte, geallieerde cavaleriebrigades, waaronder een Nederlandse, kwamen de Britten ontzetten. De geallieerde linie kon zich herstellen, maar Wellington had nog maar één grote formatie zware cavalerie in reserve: de Nederlandse brigade van Trip. Aan de Franse zijde zou het eerste legerkorps van d'Erlons echter een aantal uren nodig hebben om te hergroeperen.

De Pruisen arriveren[bewerken]

Aan het begin van de middag merkte Napoleon dat er nieuwe troepen op zijn rechterflank verschenen. Eerst dacht hij dat het maarschalk Grouchy was, die hij met 32.000 man achter Blücher en het Pruisische leger, dat hij verslagen waande, had aangestuurd. Al snel besefte hij echter dat het de Pruisen waren. Hij zond zijn reserve, het VI korps en twee cavaleriedivisies, samen 15.000 man, om front te maken richting de Pruisen. Hierdoor had Napoleon op de garde na geen enkele grote infanteriereserve meer.

De Franse cavalerie valt vergeefs de Britten aan[bewerken]

Napoleon viel hierom terug op zijn cavalerie teneinde alsnog de geallieerde linie te breken en de slag in zijn voordeel te beslechten. Het plan was om in het midden van het front de geallieerden met de cavalerie te bestormen, ondersteund door lichte artillerie en wat infanterie om die weer te beschermen. Maar maarschalk Ney, die de hoofdaanval zou moeten coördineren, concludeerde te snel dat Wellingtons troepen zich terugtrokken — in werkelijkheid ging men slechts honderd passen terug om artillerievuur beter te ontwijken. Ney stuurde daarom de cavalerie te vroeg het strijdperk in, zonder dat er al infanterie- en artilleriesteun beschikbaar waren. Een cruciale rol hierin speelde de hoeve La Haye Sainte. Dit complex lag vóór de heuvelkam maar was door Wellington speciaal versterkt omdat het een holle weg beheerste die de enige praktische route was om de kanonnen de helling op te krijgen. Verdedigd door Hannoverse troepen van het Duitse legioen was de boerderij omsingeld geraakt en werd al uren door Franse troepen aangevallen maar de verdedigers hielden stand, ondersteund door de geallieerde artillerie. Toen Ney tot de cavalerieaanval beval, was de Franse infanterie en artillerie nog steeds geblokkeerd.

Een Brits carré slaat de Franse cavalerie af

Trompetten bliezen de aanval van de Franse cavalerie, en dwars door de modder trachtten Neys vijfduizend ruiters in het centrum de glooiing van de Mont-Saint-Jean te bestormen. Napoleon had dit terrein door zijn verrekijker wel bestudeerd, maar de steilte van de glooiing en het drassige karakter ervan waren hem ontgaan. Mede door de slechte staat van de grond kwam het niet tot een charge in galop, en had de aanval nooit het vereiste effect; de helling kon pas worden gepasseerd ten koste van vele gewonde en gesneuvelde manschappen en paarden. De Fransen brachten de Engelsen wel verliezen toe, maar de geallieerde infanterie groepeerde zich - zoals verwacht - in defensieve carrés. Hierbij stellen de eenheden zich op in holle vierkanten die naar alle zijden front maken. De voorste rijen hurken, de bajonetten schuin omhoog stekend. Paarden weigeren hier doorheen te breken en de kurassiers, vaak met een sabel als het belangrijkste wapen, waren niet in staat de Britse infanterie veel schade te doen, machteloos de carrés omspoelend. Tot drie maal toe werd de Franse cavaleriecharge herhaald met als enig resultaat dat de Franse verliezen steeds verder opliepen. De normale methode om de carrés te breken was ze eerst te bestoken met lichte kanonnen, die voorlopig afwezig bleven. Zo kon de kern van het Engelse leger standhouden.

De Pruisen worden gestuit[bewerken]

Ney bleef nieuwe troepen eisen, niet wetend dat Napoleon op zijn oostflank al door de voorhoede van de Pruisen werd aangevallen. De Franse reserve kon niet op tegen de Pruisische overmacht. Napoleon zette daarom zijn 10.000 man sterke Jonge Garde in, de lichte troepen van de keizerlijke garde. In felle straatgevechten in Plancenoit, al bijna in de rug van het Franse centrum, slaagden de Fransen er nog steeds niet in om de Pruisen terug te dringen. Hierdoor was Napoleon genoodzaakt om twee bataljons van de Oude Garde in te zetten, de kern en elite van de keizerlijke garde. Wonder boven wonder lukte het de Oude Garde het tij te keren, Plancenoit met de bajonet zuiverend, en werden de Pruisen voorlopig teruggedrongen, zodat althans de weg naar het zuiden openbleef.

De Britse linie wankelt[bewerken]

Ondertussen slaagde Ney erin om onder dekking van de cavalerie met opgetrommelde infanterie van D'Erlons alsnog de hoeve La Haye Sainte in te nemen. Het King's German Legion werd verdreven en de hoeve viel in de handen van de Fransen. Ogenblikkelijk werden infanterie en artillerie-eenheden naar voren gebracht om de geallieerde carrés onder vuur te nemen en een doorbraak te forceren. Onder deze nieuwe ontwikkeling dreigde het hele geallieerde centrum te bezwijken. De troepen in de carrés begonnen zichtbaar te wankelen. Men poogde ze met ruiterij en infanterie te versterken maar de reserves waren nu te zwak om veel invloed te hebben. De Prins van Oranje liet nog een tegenaanval ondernemen door enkele Hannoverse bataljons, die echter door Franse cavalerie werd afgeslagen. Deze mislukte aanval zou ook bijdragen aan de negatieve berichtgeving in de Britse geschriften over de Prins van Oranje en de Nederlandse troepen.[bron?] Verschillende geallieerde eenheden vluchtten van het slagveld. Voor de Fransen leek de overwinning nabij maar hun aanval begon door de snel oplopende verliezen stil te vallen. Daarbij was hun tijd bijna om. Steeds meer Pruisische troepen bereikten van het oosten uit het slagveld en het hele Franse leger dreigde hieronder verpletterd te worden. Door het uitblijven van de verhoopte aankomst van de troepen van Grouchy, die overeenkomstig Napoleons oorspronkelijke opdracht de Pruisen nog in noordoostelijke richting dacht te achtervolgen, waren zij nu sterk in de minderheid.

De aanval van de Garde wordt gestuit door de Nederlanders[bewerken]

Jan Willem Pieneman beeldt hier linksonder de gewonde Prins van Oranje af; in het midden Wellington en met bruine kolbak Uxbridge die weldra het rechterbeen afgeschoten zou worden

Napoleon probeerde met een laatste krachtsinspanning de zege zeker te stellen, en gaf om zeven uur 's avonds bevel voor nóg een stormloop. Hij wist dat hij door zijn reserves heen was, en zette zijn Keizerlijke Garde in. Om het moreel hoog te houden liet Napoleon door brigade-generaal Charles de la Bédoyère aan zijn linkerflank het bericht overbrengen dat Grouchy gearriveerd zou zijn.

Chassé

Als de aanval de sector bereikt had waar de verdediging al wankelde, iets ten westen van het centrum, had hij nog een kans gehad. Door een coördinatiefout echter, trof hij eerder de geallieerde rechterflank die nog relatief vers was. De geallieerde posities daar werden verdedigd door Engelsen, Hannovers en Brunswijkers. De Franse Middelste Garde, hoewel in de minderheid, viel hen twee keer aan. De Middelste Garde bestond uit fuseliers-grenadiers die de Oude Garde moesten ondersteunen. De eerste keer ontstond er een gat in de geallieerde linie. Een tegenaanval door de Prins van Oranje mislukte en hijzelf raakte zwaargewond. Wellington raakte door zijn reserves heen, maar de verse Nederlandse 3e divisie, geleid door generaal David Hendrik Chassé, vulde het gat op. De eerste aanval van de middengarde verzandde in een vuurgevecht waarna beide partijen zich terugtrokken, maar de tweede aanval verliep voor de Fransen rampzalig: met een aantal kartetssalvo's van de Nederlandse Rijdende Artillerie werd een ware slachting aangericht onder de Fransen, de Engelsen ontvingen de middengarde met een salvo, en de divisie van Chassé overrompelde hen met een bajonetaanval.

Hoewel het gewond raken door de Prins van Oranje later in Nederland de meeste aandacht zou krijgen, was de actie door Chassé een keerpunt in de slag.[3] Chassé's 3e divisie was in reserve achter de rechterflank opgesteld geweest, rondom het dorp Eigenbrakel. Al snel kwam het bevel om zich in reserve op te stellen achter het centrum van de geallieerde linie. Chassé merkte dat de Britse troepen vóór hem op de vlucht sloegen en de Artillerie niet langer vuurde. Hij zag al snel dat Napoleon de Keizerlijke Garde op het centrum afstuurde en gaf het bevel aan zijn artillerie om positie te nemen en de vijand onder vuur te nemen, terwijl hij intussen de brigade van kolonel Detmers in colonnes liet opstellen voor de tegenaanval. Het vuur van kapitein Krahmer de Bichins batterij rijdende artillerie en de kracht van de jonge Detmers bajonettenbrigade braken de aanval van de beroemde Garde en dreven haar toen op de vlucht.[4] De brigade van Detmers zette de aanval door, verdreef de Franse garde van een laatste positie bij La Haye Sainte en achtervolgde de vluchtende Fransen tot aan het Maison du Roi bij Plancenoit, waar ze Pruisische troepen tegenkwamen. De terugtocht van de Franse garde eindigde in een wilde vlucht, die oversloeg op de rest van het Franse leger. Daarop beval Wellington de algehele opmars van het geallieerde leger.

De Pruisen breken door[bewerken]

Ondertussen waren ook de Pruisen weer doorgedrongen tot Plancenoit. Dat dorpje werd verdedigd door ongeveer 20.000 Fransen van Lobaus VI korps, twee cavaleriedivisies, de acht bataljons van de Jonge Garde en twee bataljons van de Oude Garde tegen ongeveer 30.000 Pruisen. De Fransen hielden de verdediging ongeveer een uur vol voordat ze door een gigantische Pruisische tegenaanval en bloedige straatgevechten uit Plancenoit werden gedreven. De laatste eenheid die vluchtte was de Oude Garde die de kerk en het kerkhof verdedigde. De Franse verliezen waren verschrikkelijk. Het Eerste bataljon Tirailleurs van de Jonge Garde bijvoorbeeld verloor die dag 92% van zijn mannen aan doden en gewonden.

Het Franse leger vlucht[bewerken]

Napoleon na de slag

De Oude Garde, de meest geharde soldaten van allemaal en nog altijd trouw aan Napoleon, dekte de aftocht van hun keizer. In perfecte formaties wisten zij nog een aantal aanvallen van de geallieerden af te slaan alvorens zich al vechtend terug te trekken. Generaal Pierre Cambronne, uitgedaagd om zich over te geven, zou toen de historische woorden hebben gesproken: "De garde sterft, maar geeft zich niet over!" Een andere variant is dat hij zich beperkte tot een kort maar krachtig antwoord: "Merde!"[5] In werkelijkheid werd hij gevangengenomen door de Britse generaal Halkett.[6] De laatste twee carrés van de Oude Garde vormden een levend schild voor Napoleon en zijn staf. Deze carrés waren het Eerste Regiment Grenadiers en het Eerste Bataljon van het Eerste Regiment Jagers, de beste soldaten van het Franse leger.

Deze carrés wisten tezamen met de nog resterende Franse cavaleriebrigades alle aanvallen van de geallieerden af te slaan. Het laatste carré Jagers van de Keizerlijke Oude Garde dat de aftocht dekte, werd geleid door de Rotterdamse kolonel Jan Coenraad Duuring. Napoleon bevond zich hier een geruime tijd in alvorens hij zijn soldaten moest verlaten om naar Parijs te rijden - hij vreesde een opstand van de Parijzenaars.

De Nederlandse 3e Divisie en enkele Nederlandse cavalerie-onderdelen, die de Fransen tot ver achter hun linies had achtervolgd, ontmoetten achter de Franse beginposities de Pruisen en hielden halt. De Pruisen namen de achtervolging van hun uitgeputte Nederlandse collega's over.

Na de slag[bewerken]

De monumenten en de Leeuw van Waterloo
De monumenten en de Leeuw van Waterloo
De Leeuw van Waterloo en de plek waar de prins van Oranje gewond raakte

Het Franse leger, dat zo'n dertigduizend man verloren had, verliet het slagveld in volledige chaos en trok zich via Charleroi terug over de Franse grens. Napoleon keerde terug naar Parijs, dat hij op 21 juni 1815 bereikte, maar onder druk van de Kamer van Afgevaardigden deed hij op 22 juni troonsafstand ten gunste van zijn vierjarige zoon, Napoleon II, die echter nooit tot keizer zou worden uitgeroepen. Een paar weken wachtte hij werkeloos op het landgoed Malmaison bij Parijs. Een poging om naar Amerika te vluchten werd verijdeld omdat de Engelsen alle havens hadden afgegrendeld. Vervolgens vroeg hij politiek asiel aan in Engeland. Hij probeerde dat op diplomatieke wijze: Laat ik mij onderwerpen aan de edelmoedigste van mijn vijanden.

Sint-Helena[bewerken]

Napoleon kreeg asiel van de Britten, maar anders dan hij had verwacht. Hij werd als gevangene aan boord van het marineschip Northumberland vervoerd en na een tocht van 70 dagen afgezet op het afgelegen, verlaten Britse eiland Sint-Helena, in het zuidelijke deel van de Atlantische Oceaan. Nog zes jaar bracht Napoleon daar door voordat hij op 5 mei 1821 stierf. In 1840 werd zijn stoffelijk overschot naar Parijs overgebracht, en bijgezet in de Dôme des Invalides.

Betekenis en gevolgen[bewerken]

De Slag bij Waterloo markeerde het einde van een reeks oorlogen die was begonnen met de door de Fransen gewonnen Slag bij Valmy (1793). Frankrijk had als sterkste Europese mogendheid afgedaan. Duitsland werd teruggegeven aan zijn vorsten, die minder talrijk waren dan aan het eind van de 18e eeuw, maar bij elkaar toch nog een confederatie vormden van 39 Duitse staten. Van Italië bleef het noordelijke deel onder Oostenrijks bestuur en de Bourbons keerden terug naar Napels. De Heilige Alliantie van Oostenrijk, Pruisen en Rusland riep een Duitse federatie uit met onder andere als doel elke staat een liberale constitutie te bezorgen. In Frankrijk kwamen de Bourbons weer op de troon, maar wel met een handvest waarin de democratische rechten werden gegarandeerd. Het werk van het Congres van Wenen was goed voor 40 jaar Europese vrede. De Duitse en Italiaanse natiestaat zouden in de jaren zestig door middel van een oorlog bereikt worden.

Waterloo maakte de weg vrij voor het Britse Rijk: dit zou - na anderhalve eeuw Franse hegemonie - tot aan de Eerste Wereldoorlog een gestage uitbreiding en weinig ernstige tegenslagen kennen. Het Britse rijk zou het toppunt van zijn macht bereiken en de Britse vloot zou in de wereld de Pax Britannica bewaren. Het is geen verrassing dat de 19e-eeuwse Britse historicus Edward Creasy de slag onder zijn Vijftien beslissende veldslagen in de wereld rekende.

De Nederlandse veteranen[bewerken]

Een deel van de Nederlandse troepen, met name de Indische brigade was eigenlijk voor de strijd op Java bestemd geweest maar zij konden nog voor de afvaart naar de Zuidelijke Nederlanden worden gestuurd. Na de val van Napoleon werden de veteranen van Waterloo naar Java gestuurd waar zij de Java-oorlog konden winnen, zij het met veel moeite.

Terwijl de Britten en de Duitse deelnemers medailles kregen als herinnering werd het Nederlandse Zilveren Herdenkingskruis 1813-1815 pas in 1865 ingesteld. Het duurde tot de regeringsperiode van koningin Wilhelmina voor de laatste, inmiddels hoogbejaarde, veteranen een pensioentje toegekend kregen. De laatste Nederlandse veteraan stierf in 1896. Het kruis hangt tegenwoordig aan het vaandel van het Regiment Infanterie Oranje Gelderland.

In Nederland werd Waterloodag nog tot aan het einde van de 19e eeuw als nationale feestdag gevierd. Men kreeg vrij van het werk en er werden optochten, concerten en feesten georganiseerd, vooral in het Noorden van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. In 1940 verdween de feestdag.

Het slagveld vandaag[bewerken]

Het slagveld ten zuiden van Waterloo werd al snel tot beschermd gebied verklaard en is daarom nog grotendeels hetzelfde als 200 jaar geleden. De heuvel met de Leeuw van Waterloo is na de slag opgeworpen en biedt een mooi uitzicht over het slagveld. De meeste hoeves zijn ook nog aanwezig zoals Hougoumont op de rechterflank van Wellington, de la Haie Sainte in het midden en Papelotte op de linkerflank. Er staan vele monumenten voor alle strijdende partijen en zijn er musea in Waterloo, Ligny en Genappe.

Herdenkingsmunten[bewerken]

Ter gelegenheid van de 200ste verjaardag van de slag bij Waterloo wilde de Koninklijke Munt van België een herdenkingsmunt uitbrengen van twee euro. Na protest van Frankrijk, waar de nederlaag te Waterloo nog altijd vrij gevoelig ligt, werd hiervan afgezien. Er waren reeds 175.000 exemplaren van de munt geslagen. Deze moesten weer vernietigd worden, wat de staat zo'n vijftigduizend euro kostte. Er is een nieuwe munt geslagen, met dezelfde afbeelding, maar dit keer met een waarde van 2,5 euro en in een oplage van 100.000 exemplaren. Aangezien deze munten enkel wettig betaalmiddel zijn in België, kan Frankrijk er geen bezwaar tegen maken.

In Nederland heeft de Koninklijke Nederlandse Munt in opdracht van het Ministerie van Financiën een herdenkingsmunt met een nominale waarde van vijf euro geslagen, het 'Waterloo Vijfje'. De in de slag gewond geraakte Prins van Oranje werd door sommigen de 'held van Waterloo' genoemd, daarom is zijn steek, het kenmerkende hoofddeksel dat hij droeg, door ontwerpster Marjolein Rothman gebruikt als basis voor de afbeelding op de keerzijde van de munt. De voorzijde toont het portret van koning Willem-Alexander. In Nederland werd ook een gouden 'Waterloo Tientje' uitgegeven.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]