Stadsomwallingen van Brussel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Op deze kaart van Brussel in 1555 zijn de twee omwallingen duidelijk te zien
Een stuk van de eerste omwalling, gezien vanuit de binnenkant, aan de Villersstraat.
De Anneessenstoren, deel van de eerste omwalling, langs de binnenzijde.
De Anneessenstoren of hoektoren langs de buitenzijde van de omwalling
Kaart van de stad Brussel met stadsomwalling rond 1745

De stadsomwallingen van Brussel waren stenen stadswallen rond Brussel. De bouw van de eerste omwalling werd vermoedelijk aangevat in de vroege 13de eeuw tijdens de regeerperiode van Hendrik I van Brabant, Graaf van Leuven en Hertog van Brabant, en nam meerdere decennia in beslag.[1][2]

De tweede wal werd gebouwd in de 14de eeuw, nadat bleek dat de oude wal te klein was geworden om de stad nog voldoende veiligheid te bieden. Het traject van de tweede stadsmuur komt overeen met de huidige Brusselse binnenring, die werd aangelegd na de afbraak van de stadswal.

Eerste stadsomwalling[bewerken]

Voorgeschiedenis en bouw[bewerken]

Brussel ontstond als kleine dorpsgemeenschap op een Eilandje in de Zenne. In de loop der eeuwen groeide het echter uit tot een grote stedelijke agglomeratie met en groot economisch en Politiek belang. De stad lag aan enkele belangrijke handelsroutes, wat voorspoed en welvaart met zich meebracht. Spoedig groeide dan ook de noodzaak om een beschermende omwalling rond de stad te plaatsen.

Onder impuls van Hendrik I van Brabant werd de bouw uiteindelijk aangevat in de 13de eeuw. Door het grillige landschap, met een hoogteverschil van wel 40 meter tussen boven en benedenstad en de vele belangrijke wijken die binnen de omwalling moesten komen te liggen duurde de constructie verschillende decennia. Men koos voor een type stadswal dat in onze gebieden vrij courant was: een walmuur met funderingsbogen verankerd in een aarden wal.

De bouw verliep als volgt: Eerst werden de toegangspoorten en wachttorens gebouwd. Daarna groef men rond het tracé van de geplande omwalling een tien meter brede gracht. Tussen de poorten en wachttorens werd vervolgens een versterkte walmuur gemetseld, met een gang die de torens met elkaar verbond.

Uitzicht van de wal[bewerken]

De muur had een omtrek van ongeveer 4 kilometer en omsloot een gebied van om en bij de 80 hectare,[2] dat zowel het Sint-Gorikseiland in de Zenne — waarrond de stad was ontstaan — als de Treurenberg met de Collegiale kerk van Sint-Michiel en Sint-Goedele en de Koudenberg met het Hertogelijk Paleis omvatte.[3]

Om de 50 meter stonden hoefijzervormige wachttorens met twee verdiepingen en schietgaten. Bovenaan stond een terrasvormig platvorm met kantelen. Vier van dergelijke torens zijn vandaag nog bewaard, waaronder de Anneessenstoren (ook hoektoren genoemd), waar Frans Anneessens volgens de overlevering zes maanden lang gevangen zou hebben gezeten alvorens de doodstraf te krijgen. Verder bevatte deze muur zeven stadspoorten. Hoewel de latere tweede stadsomwalling van Brussel ook zeven poorten telde, ging het hier om andere als de eerste. De zeven eerste stadsomwallingen waren de steenpoort, de Overmolenpoort, de Sint-Katelijnepoort, de Warmoesbroekse poort, de Lakense poort, de Coudenbergpoort en de Treurenbergpoort. Overdag werden via deze poorten accijnzen geïnd op handelswaren, en éénmaal na zonsondergang gingen deze stadspoorten onherroepelijk dicht. Om de toegang tussen het eigenlijke stadscentrum en de omliggende woonwijken enigszins te vergemakkelijken werden daarenboven reeds vanaf eind dertiende eeuw secundaire poorten en winketten (kleinere deuren of openingen in een grotere poort) in de omwalling aangebracht.

Einde van de eerste omwalling[bewerken]

Na de eerste omwalling bleef de stad echter verder groeien. Door het plaatsgebrek binnen de stadsmuren begonnen zich wijken te ontwikkelen buiten de omwalling. Dit maakte de stad helaas erg kwetsbaar. In 1356 kon de graaf van Vlaanderen, Lodewijk van Male , dan ook vrij gemakkelijk de stad enige tijd innemen. Dit spoorde het stadsbestuur ertoe aan een nieuwe ruimere omwalling te bouwen. Vanaf 1357 werd de tweede stadsomwalling van Brussel gebouwd.[2] De oude wal bleef bestaan maar verloor zijn militaire en economische functies volledig. Het werd daarop steeds meer geïntegreerd in het stadsweefsel, om in de loop der eeuwen afgebroken te worden, met uitzondering van enkele torens en funderingen.

Overblijfselen[bewerken]

Ondanks het afbreken van de Brusselse omwallingen zijn er nog een aantal significante bovengrondse overblijfselen, waaronder de Anneessenstoren. Toen de oude omwalling werd opgeslokt door de uitdienende stad raakt bepaalde delen van de wal ingesloten in huizenblokken, wat hun behoedde van de afbraak. Een vrij volledige beschrijving van de overgebleven delen kan je vinden in de wandelroute opgesteld door de cel erfgoed van de stad Brussel [4] en in de wandelgids "De eerste stadsomwalling van Brussel"[2] uitgegeven in 2008 door de Directie Monumenten en Landschappen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Tweede Omwalling[bewerken]

Voorgeschiedenis[bewerken]

Omstreeks 1356 bleek de Eerste stadsomwalling van Brussel te klein voor het steeds verder groeiende bevolkingsaantal. Hierdoor begonnen zich ook buiten de stadsmuren wijken te ontwikkelen. Dit bemoeilijkte de militaire bescherming van de stad Brussel, wat pijnlijk duidelijk werd toen Lodewijk van male, graaf van vlaanderen, de stad vrij gemakkelijk enige tijd in kon nemen. Het stadsbestuur besliste hierop dat de oude omwalling niet langer kon volstaan in zijn militaire en economische functie. De bouw van een nieuwe, grotere omwalling werd overwogen.

Uitzicht van de wal[bewerken]

De tweede stadsomwalling was dubbel zo groot als de eerste en was ongeveer acht kilometer lang. Ze telde een 70-tal halfronde wachttorens en twee grote ronde torens, gelegen aan de oostkant van de stad. Net als de eerste omwalling telde de tweede zeven poorten, die nu echter wel op andere plaatsen gelegen waren.

De zeven poorten waren respectievelijk:

De namen van deze poorten verwijzen elk naar de richting van de toegangswegen die ze doorkruisen. In de 16de eeuw werd nog een achtste poort bijgebouwd: de Oeverpoort, om het kanaal met de dokken in de stad te verbinden. Van al deze poorten is slechts de Hallepoort bewaard gebleven, omdat deze ook dienst deed als gevangenis en later als museum. Het gebouw werd echter grotendeels verbouwd bij een restauratie in de 19de eeuw.

Einde van de tweede omwalling[bewerken]

De godsdienstoorlogen in de tweede helft van de zestiende eeuw en de latere aanslepende conflicten met de Franse koning Lodewijk XIV drukten evenwel hun stempel op de versterkingen die aan de omwalling werden toegevoegd. Zo werden indrukwekkende aarden constructies van bastions en ravelijnen aangelegd om in te spelen op de vooruitgang van de artillerie. De snel evoluerende oorlogsvoering zorgde er echter voor dat eind achttiende eeuw de stadsversterkingen geen militair nut meer hadden en aan de geleidelijke afbraak werd begonnen. In 1810 gaf Napoleon Bonaparte het uiteindelijke bevel de stadswal volledig te ontmantelen en te vervangen door brede lanen. Deze lanen vormden de basis voor wat later de Brusselse Binnenring zou worden.

Overblijfselen[bewerken]

Van de tweede omwalling is ironisch genoeg minder bewaard gebleven dan van de eerste. Enkel de Hallepoort is nog stille getuige van deze ommuring. Enkele kruispunten,zoals de Naamse poort, kregen wel de naam mee van de gebouwen die ervoor moesten wijken.

Trivia[bewerken]

  • Hoewel de Anneessenstoren zijn naam dankt aan Frans Anneessens, heeft die er nooit gevangen gezeten. Hijzelf zat in de nabijgelegen Steenpoort, die als gevangenis gebruikt werd.
  • De Hallepoort kreeg haar huidige neogotische uiterlijk omdat het meer paste bij het romantische beeld van de middeleeuwen, dat in de 19de eeuw veel aanhang kende.
  • Om de ruïnes aan de Villersstraat te restaureren werden stenen van de Anneessenstoren gebruikt.

Zie ook[bewerken]

Referenties[bewerken]