Frans Anneessens

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Het standbeeld van Anneessens
Het Anneessensplein, de vroegere Oude Markt, met het standbeeld van Anneessens

Frans Anneessens (Brussel, 1660 - aldaar, 19 september 1719) was gildedeken in Brussel. Hij werd op de Grote Markt onthoofd, wegens zijn betrokkenheid bij een volksoproer in de Oostenrijkse Nederlanden. Vier collega's werden verbannen.

Anneessens ligt begraven in de Kapellekerk.

De opstand van 1717[bewerken]

Bij de Vrede van Utrecht in 1713 werden de Zuidelijke Nederlanden aan Oostenrijk toegewezen. De Spaanse Successieoorlog had Vlaanderen en Brabant erg getroffen. In 1716 legt het Oostenrijkse regime nieuwe belastingen op aan de steden en stelt hun privileges in vraag. Dit leidt in het voorjaar van 1717 tot rellen in Gent, Antwerpen, Mechelen en Brussel. De Naties van Brussel weigeren de belastingen, ingediend bij de Staten van Brabant. De dekens, aangevoerd door Frans Anneessens, doen een beroep op de oude stedelijke privileges.

Het keizerlijke leger bezet de stad en organiseert een harde repressie, waarbij Anneessens ter dood veroordeeld wordt.

Oproer te Brussel - Frans Anneessens[bewerken]

De eerste Oostenrijkse landsheer van de Zuidelijke Nederlanden was keizer Karel VI. Hij bleef zelf altijd in Oostenrijk en zond een landvoogd naar hier om het land in zijn plaats te besturen. Die eerste landvoogd was prins Eugenius van Savoye (1663-1736), die nooit ter plaatse kwam. Savoye werd opgevolgd door markies de Prié. Die begon als een knap en behendig staatsman, maar hield te weinig rekening met de complexe politieke en legale toestand en de gehechtheid van de bevolking en de vele machtsgroepen daaraan. Het was in die tijd ook moeilijk regeren. Als gevolg van de langdurige oorlogen en de bezetting van het land was geen algemeen en regelmatig bestuur meer. Elke stad en elke gemeente, regeerde zichzelf - het centraliserend absolutisme zoals Frankrijk dat kende was aan België voorbijgegaan en elk deeltje was in particularisme achtergebleven. Macht, luister en rijkdom was de bevolking ontnomen door de achtereenvolgende bezettingen van Spanjaarden, Fransen, Engelsen, Nederlanders en Oostenrijkers. Het land moest vanwege het Barrièretraktaat van 1715 een permanente Nederlandse bezettingsmacht financieren. Er heerste ook grote armoede en daarvan was het lagere volk het grote slachtoffer. Talrijke steden kwamen in verzet; te Brussel woedde de opstand. Daar waren de ambachten nog zo machtig dat zij er deelnamen aan het stadsbestuur en de stemming der belastingen. De Oostenrijkers wilden dat veranderen. Ze lieten de ambachten niet meer zo machtig als vroeger. Gevolg was dat het oproer losbarstte en de Prié verplicht werd in te gaan op de eisen der ambachten; herstel van de oude voorrechten. De Prié beloofde herstel, maar voerde het aarzelend uit. Het volk werd dit gewaar en raakte opnieuw aan het gisten. Nu werd het een échte opstand die ontaardde in plunderingen. De Prié van zijn kant deed Oostenrijkse regimenten de stad Brussel binnenrukken in het voorjaar van 1717. Maar de rust keerde niet weer. Hier en daar vonden in de straten schermutselingen plaats.

Anneessens' arrestatie[bewerken]

De Prié trad nu ook verder doortastend op. Verscheidene dekens van ambachten werden aangehouden. De 60-jarige Frans Anneessens bevond zich onder de gearresteerden. Hij gold als dé voornaamste oproerstoker. De Prié schreef over hem naar de keizer in de volgende termen: "Daar hij veel gelezen heeft en een halve geleerde is, was hij verwaand en hoogmoedig genoeg om zich in te beelden dat hij het volk volgens zijn goedvinden zou kunnen leiden en het hoofd bieden aan 's lands bestuur onder het valse voorwendsel de oude voorrechten te handhaven." Anneessens werd met een valstrik gevangen. Op zekere dag moest hij zich bij de overste van een Oostenrijks regiment aanmelden, zogezegd voor besprekingen over leveringen aan het leger. Toen hij ter plaatse kwam werd hij in hechtenis genomen. De Prié dacht, met zo te handelen dat de ambachten bevreesd hun acties zouden stilleggen. Markies de Prié riep ze samen en vroeg hun de goedkeuring van nieuwe belastingen. De ambachten weigerden. Daarop maakte de markies de Prié zich zo kwaad dat hij dreigde al de weerspannigen te laten opknopen. Voorlopig bleef het echter bij die bedreiging.

Anneessens' gevangenschap[bewerken]

De gevangenschap van Anneessens en de vier andere dekens duurde zes maanden. Volgens de overlevering zou hij gevangengezeten hebben in de Anneessenstoren, een wachttoren van de eerste stadsomwalling van Brussel. In werkelijkheid zat hij in de nabijgelegen steenpoort gevangen, die in die tijd dienstdeed als gevangenis. De gevangenen werden er zeer streng behandeld. Ze mochten zelfs hun Pasen niet houden en geen bezoek van familieleden of vrienden ontvangen. Eén van de Brusselse geestelijken klaagde deze toestand vanaf de preekstoel, dus in het openbaar, aan. Maar hij moest zich weldra schuil houden om aan hechtenis te ontsnappen. Na die zes lange maanden werd Anneessens door de raad van Brabant ter dood veroordeeld, op 12 september 1719. De vier andere dekens tot eeuwigdurende ballingschap. Reeds een week later zou de terechtstelling van Anneessens plaatsvinden. de Oostenrijkers vreesden onlusten en terecht. Ze namen dan ook een aantal voorzorgsmaatregelen. Ze verplichtten de pastoors de touwen van de klokken weg te nemen om te beletten dat de noodklokken zouden geluid worden. De voornaamste pleinen en straten werden door Duitse huursoldaten bezet.

Executie van Anneessens[bewerken]

Op 19 september 1719 werd Anneessens om 8 uur 's morgens uit de gevangenis gehaald. Hij werd als een gevaarlijke misdadiger, aan handen en voeten gebonden en zo op de beulskar geplaatst. Met die kar werd hij naar het gebouw van de raad van Brabant gevoerd. Zijn vonnis werd hem voorgelezen. Anneessens luisterde kalm en zwijgend maar hij weigerde het vonnis te ondertekenen. Dat was nochtans de gewoonte. Toen de rechter er op aandrong zei Frans Anneessens; "Ik heb geen enkele misdaad bedreven, dat kan God getuigen." Even kalm en waardig als hij zijn intrede had gedaan, verliet hij de zaal. Op de Grote Markt stond reeds enkele dagen, het schavot opgetimmerd, vlak voor het Brusselse Stadhuis. Er waren zeer weinig toeschouwers. Toen Frans Anneessens ze wilden toespreken, overstemde tromgeroffel zijn woorden. De oude man bleef de laatste ogenblikken van zijn leven uiterlijk onbewogen. Hij liet zich rustig de lange pruik afnemen en zijn hoofd met een witte muts bedekken. De beul moest hem behulpzaam zijn. De laatste woorden van Anneessens waren; "Heer, in Uw handen beveel ik mijn ziel." Iets later sloeg de beul met zijn slagzwaard zijn hoofd af.

Het nieuws van de onthoofding verspreidde zich snel door de gehele stad. 's Avonds kregen de Alexianenmonniken de toelating om het stoffelijk overschot te begraven in de kerk van Onze Lieve Vrouw. In 1889 werd voor Frans Anneessens, de vrijheidsheld, te Brussel een standbeeld opgericht. Ongetwijfeld had Anneessens de innige overtuiging van zijn goed recht. Toch was hij, vanuit een modern oogpunt, een voorvechter van verouderde 15e-eeuwse voorrechten, die, naar onze maatstaven, onrechtvaardig waren. In de loop van de 18e eeuw konden de ambachten zich met moeite handhaven en zelfs verdwenen ze, op het einde van de 18e eeuw door de Franse Revolutie, die ze afschafte.

Dit doet alles natuurlijk niets af aan de grote figuur die Frans Anneessens was en nog is. Wij kunnen hem in elk geval beschouwen als hét symbool van het verweer tegen de willekeur van een vreemd gezag.

Trivia[bewerken]

Literatuur[bewerken]

E. HALFLANTS, Genealogie Anneessens, in: L'Intermédiaire des Généalogistes, n°204, p. 458 e.v.