Stadhuis van Brussel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Belfort van Brussel
Onderdeel van de werelderfgoedinschrijving:
Grote Markt van Brussel
Stadhuis van Brussel (2005)
Land Vlag van België België
UNESCO-regio Europa en Noord-Amerika
Criteria ii, iv
Inschrijvingsverloop
UNESCO-volgnr. 857
Inschrijving 1998 (22e sessie)
UNESCO-werelderfgoedlijst
Het stadhuis in 1887

Het stadhuis van Brussel staat op de Grote Markt van Brussel. De bouwstijl is een voorbeeld van flamboyante gotiek. Het stadhuis is opgetrokken in kalkhoudende zandsteen uit de Dilbeekse steengroeven, enkele kilometers verderop.

Het gebouw wordt boven op zijn 96 meter hoge toren bekroond met een verguld standbeeld van de aartsengel Michaël die een draak velt. Deze beeldengroep van Maarten van Rode vormt een windwijzer.

Bouw[bewerken | bron bewerken]

De bouw van het stadhuis werd toevertrouwd aan Jacob van Tienen, leerling van Jan van Osy, die de grondlegger was van de Brabantse gotiek. De bouw van de linkervleugel en het belfort (onderste deel van de huidige toren) startte in 1402 onder auspiciën van de rijke families van de stad. In een versterkte kamer op de eerste verdieping werden naar alle waarschijnlijkheid de stedelijke oorkonden bewaard.[1] Onduidelijk is of ook de stedelijke klokken er hingen. In de woelige periode rond de stedelijke opstand van 1420-1421 is het stadhuis een aantal keren bestormd. Er heerste factiestrijd bij de patriciërs, sociale onrust onder de ambachten, economische crisis in de lakennijverheid en dynastieke problemen in het hertogdom. Allicht daardoor duurde de belfortfunctie hoogstens enkele decennia. De charters en privileges werden overgebracht naar de tresoriekamers van de Sint-Goedele- en de Sint-Niklaaskerk.[2]

Het stadhuis van Brussel 's avonds

De ambachtsnaties veroverden in 1421 een plaats in de stadsmagistraat, wat misschien mee de uitbreiding motiveerde die in 1444 werd aangevat. Karel de Stoute legde de eerste steen van de rechtervleugel, die zeker ook bedoeld was om ondersteuning te bieden voor de ophoging van de toren. Dat laatste was een kwestie van prestige. De rechtervleugel is kleiner dan de linker en is het werk van Willem de Voghel, die in 1452 ook de architect werd van de Magna Aula. De toren van het stadhuis, 96 meter hoog, werd vanaf 1449 bekroond door Jan van Ruisbroeck, bouwmeester van Filips de Goede.

Brand en heropbouw[bewerken | bron bewerken]

In 1695 werd het stadhuis ernstig beschadigd bij het bombardement op Brussel door Franse troepen. Het gebouw werd in brand geschoten. De kunstwerken en archieven die er waren ondergebracht, gingen verloren (onder meer de gerechtigheidstaferelen van Rogier van der Weyden en de wandtapijten die er verkocht werden). Ook de houten dakstructuur vatte vuur: enkel de muren en toren stonden nog overeind.

De herstellingswerken verliepen onder toezicht van architect Cornelis van Nerven. Hij breidde het stadhuis uit met drie nieuwe vleugels op de plaats van de afgebrande lakenhal (1706 tot 1717). Tot 1795 zetelden de Staten van Brabant er.

Restauratie[bewerken | bron bewerken]

In 1841 werd door de pas opgerichte KCM (Koninklijke Commissie voor Monumentenzorg) bevel gegeven voor een restauratie van het Brusselse stadhuis. De klemtoon werd gelegd op het verfraaien van de gevel en de aanpassing van de Leeuwentrap. De restauratie stond onder leiding van architect Tieleman Franciscus Suys en werd beëindigd door Victor Jamaer. Die laatste was stadsarchitect van Brussel en restaureerde ook het Broodhuis op de Grote Markt van Brussel.

Belangrijkste component van de restauratie was de toevoeging van beelden, die in de nissen werden geplaatst van de gevel. Ook al waren er oorspronkelijk niet zoveel beelden aanwezig op de gevel. Voornamelijk Brusselse beeldhouwers creëerden de beeldhouwwerken, waaronder: Charles Geefs, Charles Auguste Fraikin, Eugène Simonis en George Minne.

De afgebeelde figuren zijn belangrijke personen uit de geschiedenis van Brussel. Op de voorgevel gaat het om de soevereinen, voornamelijk de graven en hertogen van Brabant. De burgemeesters zijn te zien op de zijgevel aan de Karel Bulsstraat. In de andere zijgevel aan de Guldenhoofdstraat zijn Brusselse genieën verwerkt.

De aanpassing van de Leeuwentrap gebeurde omstreeks 1866 door architect Jamaer. Hiervoor vroeg die laatste raad aan de bekende restaurateur Eugène Viollet-le-Duc. De trap werd naar binnen verdrongen en van twee kanten toegankelijk gemaakt.

Bescherming[bewerken | bron bewerken]

Het stadhuis staat op de werelderfgoedlijst van UNESCO als onderdeel van de inschrijving van de Grote Markt.

Legende[bewerken | bron bewerken]

De toren staat niet exact in het midden van het gebouw. Hierdoor oogt het gebouw asymmetrisch. Ook de toegangsdeuren in de toren staan niet in lijn met de rest ervan. Volgens een Brusselse legende zou de architect het gebouw zo niet bedoeld hebben en heeft hij zich, toen hij zich van zijn dwaling bewust werd, van de toren laten vallen. In werkelijkheid is het "onvolmaakte" resultaat het gevolg van de lange bouwgeschiedenis.

Literatuur[bewerken | bron bewerken]

  • L'Hôtel de Ville de Bruxelles. Bilan des trois années d'études du bâti (= Studia Bruxellae, nr. 12), 2018
  • Yves Jacqmin en Quentin Demeure, Het stadhuis van Brussel, Museum van de Stad Brussel, 64 blz. (= Historia Bruxellae, nr. 14), 2011
  • Maarten Goedee, De standbeelden van het Brusselse stadhuis, Brussel, Archief en Museum van het Vlaams Leven te Brussel, 1992, 208 p.
  • Alfonsine Maesschalck en Jos Viaene, Het stadhuis van Brussel, 1960, 205 p.

Voetnoten[bewerken | bron bewerken]

  1. Bram Vannieuwenhuyze, Brussel, de ontwikkeling van een middeleeuwse stedelijke ruimte pdf-document, Proefschrift Geschiedenis, Universiteit Gent, 2008, p. 367-368 en 391-396
  2. Dit gebeurde uiterlijk in 1439.
Zie de categorie Brussels town hall van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.