Slag bij Fleurus (1794)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Slag bij Fleurus
Onderdeel van de Eerste Coalitieoorlog
De Franse bevelhebber Jourdan tijdens de slag bij Fleurus met op de achtergrond de verkenningsballon (Galerie des Batailles, Versailles)
De Franse bevelhebber Jourdan tijdens de slag bij Fleurus met op de achtergrond de verkenningsballon (Galerie des Batailles, Versailles)
Datum 26 juni 1794
Locatie Fleurus (België)
Resultaat Beslissende Franse overwinning
Strijdende partijen
Flag of France.svg Franse Republiek Flag of the Habsburg Monarchy.svg Oostenrijk
Statenvlag.svg Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden
Flag of Hanover (1692).svg Brunswijk-Lüneburg
Flag of the United Kingdom.svg Groot-Brittannië
Leiders en commandanten
Jean-Baptiste Jourdan
Jean-Baptiste Kléber
Frederik Josias van Saksen-Coburg-Saalfeld
Willem V van Oranje-Nassau
Troepensterkte
70.000 infanterie
12.000 cavalerie
100 kanonnen
1 luchtballon
52.500 infanterie
18.000 cavalerie
111 kanonnen
Verliezen
ca. 5000 doden of gewonden
1 kanon
ca. 5000 doden of gewonden
1 kanon
Inzet van een Franse luchtballon voor verkenningsdoeleinden

De Slag bij Fleurus op 26 juni 1794 was een veldslag in de Lage Landen tijdens de Eerste Coalitieoorlog. Tijdens de veldslag raakte een Frans leger van meer dan 70.000 man onder generaal Jean-Baptiste Jourdan bij Fleurus in Henegouwen slaags met een Coalitieleger van onder andere Oostenrijkers en Zuid-Nederlanders en ook Noord-Nederlanders onder Frederik Jozias van Saksen-Coburg-Saalfeld. Door een effectievere concentratie van troepen wisten de Fransen het Coalitieleger beslissend te verslaan. De geallieerde nederlaag leidde tot het definitieve verlies van de zelfstandigheid van de Zuidelijke Nederlanden onder de Habsburgse monarchie en even later ook de ondergang van de (noordelijke) Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

De Fransen gebruikten tijdens de slag bij Fleurus voor het eerst in de geschiedenis een luchtballon voor verkenning van het slagveld.

Achtergrond en aanloop[bewerken]

Na de Slag bij Tourcoing op 17 en 18 mei 1794 kreeg Jourdan het bevel over het Franse Leger van de Ardennen en een deel van het Leger van het Noorden, ongeveer 96.000 man in totaal. Deze nieuwe legergroep werd samen het Leger van de Samber en de Maas. Het kreeg tot taak om de stad Charleroi in te nemen.

Op 12 juni sloeg het Franse leger met ongeveer 70.000 man het beleg van Charleroi. Op 16 juni dreef een Oostenrijks-Nederlandse strijdmacht de Franse troepen in een tegenaanval met zware verliezen terug naar de Samber. Twee dagen later viel Jourdan weer aan en kreeg Charleroi andermaal onder beleg. Op 26 juni gaf de stad zich over, net toen het Zuid-Nederlandse leger aankwam om te stad te ontzetten.

De Slag bij Fleurus[bewerken]

Op die dag verscheen Jozias van Coburg bij Charleroi met een leger van 52.000 voornamelijk Oostenrijkers en Nederlanders om het Franse beleg op te heffen. Hij was echter te laat om de stad te redden, die zich toen immers al had overgegeven. De Oostenrijkse bevelhebber deelde zijn leger in vijf divisies en viel de Fransen aan. De Franse observatieballon l'Entreprenant hield Jourdan gedurende de veldslag voortdurend op de hoogte van de Oostenrijkse bewegingen. De Oostenrijkers slaagden erin om door de Franse flanken te breken. Het Franse centrum hield echter stand en voerde een tegenaanval uit, waardoor de Oostenrijkse aanvallen op de flanken stokten. Kolonel Nicolas Soult, chef-staf van de Franse generaal François Joseph Lefebvre, schreef over deze gevechten dat het

"vijftien uur van de meest wanhopige strijd was die ik ooit in mijn leven heb gezien."

Coburg verzuimde om door te stoten. Onzeker over de mogelijke uitkomst van de strijd trok hij zich terug richting Eigenbrakel (Braine-l'Alleud) en Waterloo. Hij bezorgde de Fransen hiermee een onverwacht snelle overwinning.

Nasleep[bewerken]

Het is algemeen aangenomen dat de slag bij Fleurus ook voor de Fransen kostbaar was met rond de vijfduizend slachtoffers. De verliezen van de geallieerden zijn niet eenduidig: de Fransen claimden significant grotere verliezen dan zij zelf hadden, terwijl de geallieerden zelf spraken van een veel kleiner aantal slachtoffers. Vaak wordt aangenomen dat ook de geallieerden rond de vijfduizend doden en gewonden zijn gevallen. Historicus Digby Smith stelt echter dat de Oostenrijks-Nederlandse verliezen liggen op 208 doden, 1.017 gewonden en 361 gevangenen. Daarnaast zouden de Fransen een mortier, drie caissons en één standaard hebben veroverd en de geallieerden een kanon en een standaard.

Na hun nederlaag bij Hooglede en Fleurus verloren de geallieerden de moed om in de Lage Landen verder te strijden. De Oostenrijkers gaven het gebied op en trokken zich terug, eerst achter de Ourthe en de Maas, en toen ze bij de slag bij Sprimont op 18 september waren verslagen, achter de Roer. Eind 1794 hadden de Fransen onder leiding van Jourdan de hele linker Rijnoever bezet. De Engelsen trokken terug naar het noorden. Deze terugtocht stelde Pichegru in staat verder op te rukken naar de Noordelijke Nederlanden. Tegen het einde van januari 1795 had hij de Nederlandse Republiek onder de voet gelopen. Tot aan het einde van de Eerste Coalitieoorlog in 1797 zou het Franse leger in het offensief blijven.