Achttiendaagse Veldtocht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Achttiendaagse Veldtocht
Onderdeel van de Tweede Wereldoorlog
Ontwapening van Belgische troepen in Brugge.
Ontwapening van Belgische troepen in Brugge.
Datum 10 mei - 28 mei 1940
Locatie België
Resultaat Duitse overwinning
Strijdende partijen
Flag of Belgium (civil).svg België
Flag of France.svg Frankrijk
Flag of the United Kingdom.svg Verenigd Koninkrijk
Flag of German Reich (1935–1945).svg Nazi-Duitsland
Commandanten en leiders
Flag of Belgium (civil).svg Koning Leopold III
Flag of Belgium (civil).svg Raoul Van Overstraeten
Flag of France.svg Maurice Gamelin (tot 19 mei 1940)
Flag of France.svg Maxime Weygand (vanaf 19 mei 1940)
Flag of the United Kingdom.svg Lord John Gort (British Expeditionary Force)
Flag of German Reich (1935–1945).svg Gerd von Rundstedt (Heeresgruppe A)
Flag of German Reich (1935–1945).svg Fedor von Bock (Heeresgruppe B)
Flag of German Reich (1935–1945).svg Wilhelm von Leeb (Heeresgruppe C)
Troepensterkte
Flag of Belgium (civil).svg ca. 600.000
Verliezen
Flag of Belgium (civil).svg ca. 6500
Westfront (Tweede Wereldoorlog)

Nederland · België · Frankrijk · Duinkerke · Engeland · Dieppe · Normandië · Cobra · Parijs · Dragoon · Market Garden · Hürtgenwald · Overloon · Aken · Schelde · Siegfriedlinie · Elzas · Ardennen · Colmar · Plunder · Lumberjack

Duitse aanval op België

Fort Eben-Emael · Hannuit · Gembloers · Leie (rivier)

De Achttiendaagse Veldtocht is de naam die achteraf gegeven werd aan de operaties van het Belgische leger tijdens de Tweede Wereldoorlog vanaf de inval door het Duitse leger in Nederland, België, Frankrijk op 10 mei 1940 tot de capitulatie van het Belgische leger op 28 mei 1940. Het Duitse aanvalsplan hield geen rekening met nationale grenzen. De defensieve operaties van het Belgische leger worden daarom benaderd als een onderdeel van de gezamenlijke defensieve operaties van de aangevallen landen.

De politiek-militaire situatie in Europa in 1940[bewerken]

In 1920 had België een militair verdrag gesloten met Frankrijk om in geval van een Duitse aanval hun inspanningen op elkaar af te stemmen. Op 7 maart 1936 bezetten Duitse troepen de gedemilitariseerde zone van het Rijnland. Frankrijk reageerde niet. België twijfelde nu aan de Franse geloofwaardigheid en koos voor een veiligheidsbeleid gebaseerd op een strikte neutraliteit.

Bij de Duitse annexatie van Tsjechische gebieden in 1938 en 1939 reageerde Frankrijk bijzonder laks .

Op 23 augustus 1939 werd het Duits-Russisch Niet-Aanvalspact bekendgemaakt. Het was duidelijk dat Duitsland aanstuurde op oorlog in het Oosten en het Westen. Drie dagen later begon België de mobilisatie. Toen de Duitse Wehrmacht op 1 september 1939 Polen binnen viel, oordeelde het Belgisch oppercommando dat er van Duitse zijde voorlopig weinig te vrezen viel. Alle aandacht ging naar de Frans-Britse alliantie waarvan gevreesd werd dat ze over Belgisch grondgebied zou doortrekken om Duitsland aan te vallen, wat voor het neutrale België onaanvaardbaar was.

Frankrijk beperkte zich tot een oorlogsverklaring, mobilisatie van de reserves en een beperkt en mislukt offensief in de Saar. Het Verenigd Koninkrijk verklaarde de oorlog aan Duitsland.

Dit was het begin van wat later de Schemeroorlog zou worden genoemd.[1]

Na de capitulatie van Polen op 28 september 1939 oordeelde België dat Duitsland zijn troepen naar het Westen zou kunnen verplaatsen. Van dan af maakt België met het gros van zijn strijdkrachten front naar het oosten. Terecht, want zoals inmiddels bekend is, wilde Hitler nog in de herfst van 1939 in het Westen aanvallen.

Oorlogsdoelen[bewerken]

Met een oorlog in het westen wilde Duitsland de basis leggen voor een invasie van het Verenigd Koninkrijk om uiteindelijk het Europees continent en Groot-Brittannië te overheersen. Het aanvankelijk aanvalsplan beoogde enkel zoveel mogelijk Belgische-Britse-Franse strijdkrachten te vernietigen en havens aan de Noordzeekust in bezit te nemen. Dat oorlogsdoel zou later onder invloed van Erich von Manstein uitgebreid worden tot een totale overwinning op het West-Europees continent.

Het doel van Nederland, België, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk in geval van oorlog kan als volgt gereconstrueerd worden: de bedreiging door Duitsland afwenden.

Tot de dag van de invasie op 10 mei zou België consequent vasthouden aan zijn neutraliteitspolitiek. Er werden geen vreemde troepen toegelaten in België. Franse troepen en de British Expeditionary Force (BEF) waren in Frankrijk aan de Belgische grens gestationeerd.

Mobilisatie[bewerken]

Slagorde van het Belgische leger op 10 mei 1940[bewerken]

De sterkte van het Belgische leger werd opgevoerd tot 22 divisies van ongeveer elk 17.000 manschappen, onderverdeeld in acht legerkorpsen waaronder één cavaleriekorps. Er waren achttien infanteriedivisies (waarvan zes actieve divisies, zes divisies van de eerste reserve en zes divisies van de tweede reserve), twee divisies Ardense Jagers (waarvan een volledig gemotoriseerd) en twee cavaleriedivisies (allebei gemotoriseerd) en een gemotoriseerde brigade. In totaal telde het Veldleger ongeveer 600.000 manschappen (8% van de Belgische bevolking). Daarmee was het in verhouding tot het aantal inwoners één van de grootste Europese legers. Het Belgische leger bestond uit beroepsmilitairen en veertien lichtingen dienstplichtigen (tussen 1926 en 1939). Elke lichting bestond uit ongeveer 47.000 manschappen.

Militaire dienst tijdens de mobilisatie[bewerken]

De troepen werden ingekwartierd in openbare gebouwen, scholen en houten barakken in de nabijheid van de voorbereide defensieve stellingen. De dagen van de troepen waren gevuld met instructie en schietoefeningen, het verkennen en organiseren van de defensieve posities en het uitvoeren van veldwerken. Er werden alarmoefeningen gehouden. Na de noodlanding op 10 januari 1940 in België van een Duitse verdwaalde Messerschmitt Bf 108 Taifun liaisonvliegtuig, met aan boord de plannen voor het offensief wordt werkelijk alarm geblazen. Een laatste werkelijk alarm werd afgekondigd op 9 april 1940 toen de Duitsers Denemarken en Noorwegen binnen vielen (zie Operatie Weserübung).

Na verloop van tijd werd een stelsel van vergunningen ingesteld. Vaders van grote gezinnen, onderwijzend personeel, spoorwegpersoneel, mijnwerkers, mijningenieurs werden vrijgesteld en naar huis gestuurd. Landbouwers kregen extra verlof. Onder de vrijgestelden waren veel reserveofficieren. Hun vertrek veroorzaakte een zekere desorganisatie. Veel soldaten voelden de vrijstellingen aan als onrechtvaardig. Tucht en moreel raakten aangetast en werden verder ondermijnd door de propaganda van nationaalsocialisme gezinde en nationalistische Belgen (Rexisten, VNV, Verdinaso).

Mobilisatie in Frankrijk[bewerken]

In Frankrijk verliep de mobilisatie en de "drôle de guerre" op vergelijkbare wijze. De vrijstellingen heetten er "affectations spéciales" en hadden dezelfde effecten als in België. Het leger en de bevolking schikten zich in de situatie. Er dreigde geen direct gevaar voor Frankrijk en wellicht kon de vrede nogmaals gered worden zoals in München na de inval in Tsjecho-Slowakije. Frankrijk liet alle initiatief aan Duitsland.

1rightarrow blue.svg Zie ook Schemeroorlog

Het Nederlands, Belgisch, Frans, Brits verdedigingsplan[bewerken]

Defensieve strategie[bewerken]

In weerwil van de neutraliteitspolitiek werkten de Belgische en Franse legertop met de Britten en de Nederlanders in het geheim een gemeenschappelijk verdedigingsplan uit. Ze verwachtten een soort heruitgave van het Schlieffenplan van 1914 en, zoals in 1914, een Duitse opmars door de vlakke landen om de Maginotlinie te vermijden. Achteraf kan dat naïef lijken. Ten onrechte, want in de eerste Duitse plannen voor de veldtocht in het Westen lag het zwaartepunt van de aanval inderdaad in noordelijk België.

De gemeenschappelijke strategie kwam er op neer het defensief te voeren op een lineaire "weerstandsstelling" van Nederland tot Zwitserland. In de geest van de ontwerpers was deze weerstandsstelling een kopie van een Eerste Wereldoorlog-front. Op de weerstandsstelling moest de aanvaller gestopt worden.
De gemeenschappelijke weerstandsstelling sloot ter hoogte van Breda aan op de Nederlandse weerstandsstelling. De stelling werd verder vastgelegd op de lijn Breda (Nederland), de forten van de Stelling van Antwerpen, Koningshooikt. Van Koningshooikt langs Leuven tot Waver volgde de weerstandsstelling gedeeltelijk de Dijle. Ze is bekend als de KW-stelling. Vanaf Waver werd de stelling naar het Zuiden verlengd over Gembloers tot Rhisnes waar ze aansloot op de vesting Namen. De stelling Koningshooikt-Waver-Namen lag dwars op de natuurlijke Oost-West naderingsweg, de waterscheidingslijn tussen het Scheldebekken en het Maasbekken. Vanaf Namen volgde de stelling de Maas tot Sedan in Frankrijk. Vanaf daar volgde de weerstandsstelling de Belgische grens om ten slotte aan te sluiten op de Maginotlinie tot aan de Zwitserse grens.

Operationele strategie en tactiek[bewerken]

De operationele strategie kwam neer op het bezetten van nationale sectoren van de weerstandsstelling: het Dijle-Breda-maneuver. Het gemotoriseerde 7de Franse Leger zou zich verplaatsen naar de streek ten Noorden van Antwerpen om in Breda de verbinding met de Nederlandse troepen te verzekeren. Belgische troepen hielden de forten in de Stelling van Antwerpen. Het Belgische veldleger moest de voorbereide KW-stelling bezetten van Koningshooikt, tot Leuven. De British Expeditionary Force moest de voorbereide KW-stelling bezetten tussen Leuven en Waver. Het 1ste Franse Leger moest de voorbereide defensieve stelling tussen Waver en Namen bezetten. Het 9de Franse Leger en het 2de Franse Leger de defensieve stelling op de Maas ten zuiden van Namen. Op die wijze werd van Nederland tot Zwitserland een ononderbroken defensieve stelling betrokken met Nederlandse -, Franse -, Belgische -, Britse -, en verder weer Franse troepen. De eenheden waren klaar om te strijden volgens de methoden van de Eerste Wereldoorlog.

De ontplooiing van het Belgische Leger[bewerken]

Algemeen[bewerken]

Om voor de hand liggende militaire redenen werden voor de weerstandsstelling drie vooruitgeschoven stellingen vastgelegd, ingericht en bemand: een dekkingsstelling, een vooruitgeschoven stelling en helemaal vooraan een alarmstelling. De ontplooiing in diepte op deze drie stellingen kwam er ook onder politieke druk. Het zou inderdaad moeilijk geweest zijn de publieke opinie er van te overtuigen dat België van bij de aanvang zou verdedigd worden op de lijn van Antwerpen–Namen-Franse grens, dat wil zeggen door a priori de helft van het land prijs te geven.

Behalve de weerstandsstelling en de drie vooruitgeschoven stellingen waren er ook binnenlandse stellingen. Dit waren hoofdzakelijk stellingen die wegens de neutraliteitspolitiek vereist waren om het hoofd te kunnen bieden aan een mogelijke Franse invasie.

De KW-stelling[bewerken]

De KW-stelling was versterkt met een onafgebroken lijn van anti-tankhindernissen (Cointet-element en Tetraëders, spoorwegvelden, anti-tankgrachten) en voorzien van gevechtsbunkers en communicatiebunkers. De stelling was aangevuld met loopgrachten en prikkeldraadversperringen en was voorzien van antitankkanonnen en mitrailleurs. De weerstandsstelling werd niet a priori bezet. Op 10 mei 1940 stond alleen de 10e Belgische Infanteriedivisie opgesteld langs de Weerstandsstelling te Leuven. Meer dan de helft van het Belgische veldleger was opgesteld op de vooruitgeschoven stellingen. Een paar dagen later stonden in de Belgische sector van de Weerstandsstelling (tussen Lier en Antwerpen) het 2e Belgische Legerkorps (met de 6e, 9e en 11e Infanteriedivisies) en het 6e Legerkorps (met de 2e, 5e en 10e Infanteriedivisies) opgesteld.

De Alarmstelling[bewerken]

De Alarmstelling liep langs de grens met Nederland (Nederlands Limburg) en langs de grens met Duitsland. Deze linie had als doel elke grensoverschrijding te detecteren en onmiddellijk te melden. Deze stelling werd bemand door territoriale brigades van de Rijkswacht en gedetacheerde manschappen van de Vooruitgeschoven Stelling. Na het verlaten van strategische punten (zoals bruggen) moesten de manschappen zich terugtrekken.

De Vooruitgeschoven Stelling[bewerken]

De Vooruitgeschoven Stelling liep langs de grens, van Antwerpen tot Aarlen, via Maaseik. De vooruitgeschoven stelling moest de sterkte van de Duitse troepen testen en proberen weerstand te bieden zodat het gros van het veldleger zonder vijandelijke druk de Dekkingsstelling langs het Albertkanaal zou kunnen bezetten. De vooruitgeschoven stelling was ingedeeld in twee aparte sectoren: sector Noord en sector Zuid. Sector Noord liep van Antwerpen tot Lanaken. Sector Zuid liep van Hendrik-Kapelle tot Aarlen. Tussen Lanaken en Luik viel de stelling samen met de Dekkingsstelling langs het Albertkanaal, terwijl de fortengordel rond Luik tussen de twee sectoren in lag.
In de sector Noord volgde de vooruitgeschoven stelling het Kanaal Dessel-Turnhout-Schoten, het Kempisch kanaal en het Belgische deel van de Zuid-Willemsvaart. Om de stelling te versterken werden langs de kanaaloevers grosso modo om de 600 meter mitrailleurbunkers gebouwd. In de meeste gevallen hadden deze bunkers twee zijdelingse schietgaten voor Maxim-mitrailleurs of Browning-mitrailleurs. Zo konden verdedigende troepen de volledige lengte van het kanaal bestrijken in geval van een vijandelijke oversteekpoging. In de zuidelijke sector waren er geen kanalen en viel de stelling terug op verspreide steunpunten, meestal versterkt met bunkers.

Op 10 mei 1940 was de stelling volledig bezet; alle sectoren en bunkers waren bemand. Waar de Versterkte Stelling rond Antwerpen eindigde, begon de Vooruitgeschoven stelling. De legerleiding zette hier consequent mobiele eenheden in: wielrijders van de verkenningseenheden van infanteriedivisies, dan wel eenheden van het Cavaleriekorps (per fiets, motor of vrachtwagen). Deze eenheden moesten mobiel, zodat ze snel naar de Dekkingsstelling verplaatst konden worden als hun taak aan de Vooruitgeschoven Stelling erop zat.

  • Tot Turnhout bewaakten eenheden van de Versterkte Stelling Antwerpen de linie.
  • Tussen Turnhout en Arendonk lag de Groep Wielrijders van de 15de Infanteriedivisie. Dit was een divisie van tweede reserve, met minder zware wapens, maar wel een grotere verkenningseenheid met wielrijders. Op 10 mei lag de 15de Infanteriedivisie langs het Albertkanaal, terwijl haar verkenningseenheid (3 eskadrons (compagnies) wielrijders) de Vooruitgeschoven Stelling bewaakte.
  • Tussen Arendonk en De Maat (Lommel) bemande de Groep Wielrijders van de 18de Infanteriedivisie de linie. Dit was eveneens een divisie van tweede reserve, met opnieuw een verkenningseenheid van drie eskadrons wielrijders.
  • Voor het meest kritieke deel van de linie, tussen Lommel en Lanaken, deed de legerleiding beroep op betere eenheden. Voor deze taak werd in de maanden voor 10 mei een speciale tijdelijke 'Battlegroup' gevormd, de Groepering Ninitte.[2] Deze tijdelijke eenheid viel onder het bevel van het Cavaleriekorps. Ze bestond uit het 1ste Regiment Karabiniers-Cyclisten, die sector tussen Lommel en Kaulille bezetten en zich per fiets verplaatsten. Tussen Kaulille en Eisden nam het per vrachtwagen vervoerde 2de Regiment Gidsen de linie over. Tussen Eisden en Lanaken verdedigde het 1ste Regiment Jagers te Paard het kanaal. Daarvoor kreeg deze eenheid ook nog de versterking van de wielrijdersgroep van de 17de infanteriedivisie, die tussen Briegden en Vucht de linie versterkte, en van de 5de en 6de compagnie van de Grenswielrijders Limburg.

Op 10 mei 1940 werden de stellingen op meerdere plaatsen tussen Neeroeteren en Briegden aangevallen door Duitse troepen die de Maas waren overgestoken en de Belgische verdediging aftastten. De Belgische troepen slaagden erin om alle bruggen over de kanalen op tijd te laten springen en kregen tegen 17 uur het bevel om zich van hun stelling terug te trekken naar het Albertkanaal. Alle eenheden slaagden daarin.

De Dekkingsstelling[bewerken]

De Dekkingsstelling liep langs het Albertkanaal, de forten rond Luik, de Maas tot Namen. Langs het Albertkanaal stond om de 600 meter een bunker met twee mitrailleurs (ter hoogte van de waterspiegel). Alle bruggen werden ondermijnd met springladingen, velden werden onder water gezet en tankversperringen opgebouwd.

Deze stelling werd bemand door 14 divisies; meer dan de helft van het Belgisch leger.

De Binnenlandse stellingen[bewerken]

Deze stellingen omvatte onder andere de linie Waver-Ninove, een onafgebroken tankhindernis met bunkers, een bunkergordel van Astene aan de Leie tot Kwatrecht aan de Schelde, het Nationaal Bolnetwerk langs het kanaal Gent-Terneuzen (dat nog niet was afgewerkt), de kustverdediging en geplande vernielingen langs de Franse grens (Semois, Samber, en de kanalen van Henegouwen).

Tussen de kust en de KW-linie bevond zich nog Bruggenhoofd Gent, in die tijd beter bekend onder zijn Franse naam Tête de Pont de Gand.

Het Duitse aanvalsplan[bewerken]

De Duitse operationele strategie kreeg vorm in het aanvalsplan "Gelb".

Het oorspronkelijke Duitse aanvalsplan, voorzien voor uitvoering in de herfst van 1939, was tot op zekere hoogte een heruitgave van het Schlieffenplan van augustus 1914. In het oorspronkelijke Duitse aanvalsplan lag de hoofdkrachtsinspanning bij de noordelijke Heeresgruppe B. Deze legergroep moest Nederland en België binnenvallen, zoveel mogelijk Belgisch-Britse-Franse strijdkrachten vernietigen en havens aan de Noordzeekust in bezit nemen. In het centrum moest de Heeresgruppe A, zonder pantsereenheden, door Zuid-België en Luxemburg oprukken om de zuidflank van Heeresgruppe B te beschermen. De Heeresgruppe C moest de Westwall tegenover de Maginotlinie bezetten.

Fall Gelb; De plannen

Tijdens de wintermaanden werd echter een totaal nieuw plan ontwikkeld dat in mei 40 zou worden uitgevoerd. De idee voor dat plan kwam van de Heeresgruppe A, onder bevel van Generaal Gerd von Rundstedt. Zijn stafchef Erich von Manstein lag aan de basis van dat nieuwe plan.[3] De leidende idee van het nieuw plan was dat bij de voorgenomen schending van België en Nederland de politieke inzet te groot was om zich tevreden te stellen met een beperkte overwinning. Niets minder dan een totale overwinning moest nagestreefd worden. Daarom stelt Von Manstein voor dat de inval in België door de Heeresgruppe B enkel zou dienen om de Britten en Fransen te misleiden en hun strijdkrachten naar België lokken. De hoofdkrachtsinspanning echter moest bij de Heeresgruppe A gelegd worden. Pantserdivisies van de Heeresgruppe A moesten ongemerkt oprukken door de Ardennen, om de Maas over te steken in de buurt van Sedan, en dan op de waterscheidingslijn tussen het Seinebekken en Sommebekken in het Zuiden en het Maas- en Scheldebekken in het noorden onversaagd door te stoten naar de Kanaalkust. Zo zouden de Belgisch-Britse-Franse strijdkrachten afgesneden worden van hun bases en overgeleverd worden aan de vernietiging. Tegelijk moesten door offensieve acties tussen Maas en Moezel gunstige uitgangsposities veroverd worden om later een vernietigend offensief in te kunnen zetten naar het zuiden van Frankrijk.

De nieuwe pantserdivisies zouden nieuwe tactische methoden gebruiken: snelheid, gewaagde diepe penetraties, vuursteun door vliegtuigen, aangepaste bevelvoering.

1rightarrow blue.svg Zie Operatie Fall Gelb voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Offensieve en defensieve operaties in Frankrijk, België, Nederland[bewerken]

Via diplomatieke kanalen ontvingen de Belgen en Nederlanders informatie dat een Duitse invasie op til was. De Belgische en Nederlandse militaire attachés te Berlijn, respectievelijk kolonel Goethals en majoor Sas, werden getipt door kolonel Oster, een Duitse officier uit de Abwehr die al sinds de Nacht van de Lange Messen in 1934 het nazibewind niet goed meer gezind was. Deze informatie werd doorgespeeld maar nooit op waarde geschat. Op 9 mei 1940, om 23.30 uur, stuurde kolonel Goethals vanuit Berlijn een gecodeerd bericht dat de aanval in de vroege ochtend van 10 mei 1940, om 4.35 uur van start zou gaan. Het bericht werd op ongeloof onthaald. Een vergelijkbaar bericht van majoor Sas aan de Nederlandse regering werd evenmin serieus genomen.

In de nacht van 9 mei op 10 mei werd al een begin gemaakt door vliegtuigen van de 9.Flieger-Division. Zij legden magnetische mijnen in kustgebieden bij Oostende en Zeebrugge.
Op 10 mei rond half twee vloog de Luftwaffe op grote schaal door het Belgische luchtruim. Belgische vliegvelden werden aangevallen. Militaire doelen, zoals luchtafweergeschut werden bestookt. De geallieerden werden volkomen verrast. Na de grootschalige luchtaanvallen werden luchtlandingen uitgevoerd.

In de ochtend viel de Heeresgruppe B Nederland en België binnen. In België werden twee bruggen over het Albertkanaal en het fort van Eben-Emael bij verrassing genomen door een nieuw soort eenheden: parachutisten.

De Duitse parachutisten die het Fort Eben-Emael innamen

Het Franse oppercommando raakte er nu van overtuigd, dat de veronderstellingen waarop het Dijleplan gebaseerd was werkelijkheid waren geworden. Het gemotoriseerde 7de Franse Leger werd richting Breda gestuurd. Het 1ste Franse Leger en het 9de Franse Leger trokken volgens plan België binnen om hun stellingen ten zuiden van Waver en op de Maas te bezetten.

Op 14 mei voerde de Luftwaffe het bombardement op Rotterdam uit. Het was de doodsteek voor het Nederlandse leger, dat de volgende dag onder dreiging van een bombardement op Utrecht capituleerde.

Ondertussen trok de Heeresgruppe A in zuidwestelijke richting door Luxemburg en de Ardennen. Twee pantserlegerkorpsen hadden de leiding, een ervan onder bevel van generaal Heinz Guderian. Dankzij doeltreffend stafwerk en de marsdiscipline van de uitvoerders bereikten ze in goede orde de Maas, ten zuiden van Namen ter hoogte van Sedan. Na luchtbombardementen door Stuka duikbommenwerpers staken de pantserinfanterie-eenheden op 13 mei de Maas over. Een brug werd geslagen en op 14 mei in de namiddag waren drie pantserdivisies overgezet. Andere pantserdivisies konden de Maas oversteken te Monthermé en bij Dinant. Het 9de Franse Leger, grotendeels samengesteld uit reservisten, wist geen noemenswaardige weerstand te bieden.

De weg naar de kust, op de waterscheidingslijn tussen de stroombekkens in het noorden en in het zuiden lag open voor de Duitse pantsers. Bevreesd voor Franse flankaanvallen gaf Hitler opdracht de opmars af te remmen. Zijn orders werden vindingrijk omzeild door de Duitse pantsereenheden.

Het Franse commando werd voortdurend verrast door de snelheid van de gebeurtenissen. Het 1ste Franse Leger werd naar het westen teruggetrokken. Het 7de Franse Leger werd teruggeroepen en zou in wanorde naar het zuiden trekken. Het was bij zijn tocht naar Breda en terug vanzelf uit elkaar gevallen, door gebrek aan discipline en efficiënte planning en controle van de verplaatsing. Enkele pogingen van Fransen en Britten de Duitse doorbraak op de flanken aan te pakken kwamen te laat of waren te zwak. Na de doorbraak in de Franse sector dreigde het Belgische leger geïsoleerd te raken en en omsingeld te worden. In een poging een continue defensielijn met de Fransen te bewaren werd het teruggetrokken op opeenvolgende defensieve stellingen. Hierbij werd gebruikgemaakt van de noord-zuid lopende rivieren en de bestaande ingerichte binnenlandse stellingen. In de nacht van 22 op 23 mei 1940 verlieten de Belgische troepen het Tête de Pont de Gand waar ze gevaar liepen afgesneden te worden en omsingeld te geraken. Ze trokken zich terug op een volgende verdedigingslijn, de Leie. Het vervolg van de strijd zou later omschreven worden als de slag aan de Leie

Op 20 mei bereikten de Duitse pantsers Abbeville aan de monding van de Somme. Hitler liet de pantsereenheden halt houden. Het Britse leger, het Belgisch leger, het 7de Franse Leger en elementen van het 1ste en 9de Franse Leger waren afgesneden van de rest van de Franse legermacht ten zuiden van de Duitse doorbraak. De Britten waren bang hun British Expeditionary Force (BEF) te verliezen. Op 26 mei besloten ze tot herinscheping in Duinkerke. In een laatste inspanning leverde het Belgische leger een bijdragen aan de bescherming van de herinscheping. Op 28 mei was het Belgische leger samen met miljoenen vluchtelingen aan de kust samengedrukt op een klein oppervlak, zonder reserves, uitgeput. Het kon geen nuttige rol meer vervullen. Verder weerstand bieden kon alleen zorgen voor grote verliezen bij de eigen troepen en bij de vluchtelingen.

Op 28 mei capituleerde Koning Leopold III. De Belgische regering vluchtte naar Frankrijk en vervolgens naar Engeland. De Fransen grepen de gelegenheid aan om infaam commentaar te geven op de Belgen en de Belgische koning ten einde hun eigen flagrante fouten te verdoezelen: de doorbraak op het front van het 9de Franse Leger, het foute gebruik van het 7de Franse Leger, de wanorde bij datzelfde leger, de late en onaangepaste reacties na de Duitse doorbraak.

Koning Leopold verkoos in het land te blijven, naar zijn zeggen om het lot van zijn krijgsgevangen soldaten te delen. De capitulatie was het begin van een ernstig conflict tussen de koning en de regering. Dit werd nog scherper door zijn beslissing als krijgsgevangene in het land te blijven, zijn houding ten aanzien van de Duitse bezetter, en zijn huwelijk in oorlogstijd met Lilian Baels. Na de Tweede Wereldoorlog mondde dit uit in de Koningskwestie.

België en Nederland werden bezet. Het Britse leger en een beperkt aantal Franse troepen slaagden er in te ontkomen met achterlating van hun zware wapens en materieel. Het Duitse leger zette het offensief naar het zuiden voort. Uiteindelijk moest ook het Franse Leger capituleren.

Gevolgen[bewerken]

De succesvolle Duitse inval in het Westen van 10 mei 1940 had grote directe gevolgen: Nederland, België, en Frankrijk waren de volgende vier of vijf jaar bezet.
Ook in België, Nederland en Frankrijk werd de positie van de aanhangers van een nationalistische en autoritaire staatsordening naar het voorbeeld van nazi-Duitsland versterkt.

Als zogenaamd bedenker van het succesvolle plan kon Hitler zijn machtspositie nog versterken.[bron?] Veldmaarschalk Wilhelm Keitel zei: "Mein Führer, Sie sind der größte Feldherr aller Zeiten." (Mijn Führer, U bent de grootste veroveraar aller tijden.)

Geïnspireerd door de successen in Polen en in West-Europa ontwierp de Duitse Generale Staf plannen voor Operatie Barbarossa zonder voldoende rekening te houden met de bijzondere omstandigheden in de Sovjet-Unie. Daarentegen zei Wilhelm Keitel op de Processen van Nürnberg: "De ongelooflijk taaie weerstand van de Grieken vertraagde de campagne tegen Rusland met twee maanden. Zonder deze vertraging zou de uitslag van de gevechten op het oostelijk front en de uitslag van de oorlog anders zijn geweest, en zouden de beschuldigers van vandaag hier de beschuldigden zijn geweest."

Zie ook[bewerken]

Bibliografie[bewerken]

  • Von Manstein Erich; Verlorene Siege; Erinnerungen 1939-1944;Bernard & Graefe Verlag, Koblenz, 1987; ISBN 3-7637-5253-6
  • Guderian Heinz; Erinnerungen eines Soldaten; Motorbuch Verlag, Stuttgart, 1986; ISBN 3-87943-693-2
  • Liddell Hart B. H.; History of the Second World War; Pan Books London and Sydney, 1973; ISBN 0 330 23770 5
  • Comer Bruno; Mei '40; De onbegrijpelijke nederlaag; Davidsfonds Uitgeverij, Leuven, 2010; ISBN 978 90 5826 684 2

Externe links[bewerken]