Abdijvorstendom Thorn

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Abdijvorstendom Thorn
Land in het Heilige Roomse Rijk Wapen Heilige Roomse Rijk
Abdijvorstendom van het Heilige Roomse Rijk

 Prinsbisdom Luik ±1150 – 1794 Eerste Franse Republiek 
Kaart
Gebieden waarover Thorn soevereiniteit uitoefent (paars). De arcering duidt het grondbezit aan; Thorn valt onder Gelderse (horizontaal) voogdij.
Gebieden waarover Thorn soevereiniteit
uitoefent (paars). De arcering duidt het grondbezit
aan; Thorn valt onder Gelderse (horizontaal) voogdij.
Algemene gegevens
Hoofdstad Thorn
Oppervlakte 52,1 km² (met de tweeherige gebieden: 87,2 km²)
Bevolking 2.975 (1796)
Talen Nederlands
Religie Rooms-katholiek
Politieke gegevens
Regeringsvorm Abdijvorstendom
Staatshoofd Abdis
Rijksdag Aanwezig, zonder stemrecht
Rijksmatrikel Vermeld
Kreits Nederrijns-Westfaalse Kreits
Kreitsdag Aanwezig, 1/18 van een stem

Het abdijvorstendom Thorn (Duits: kaiserlich-freiweltliches Stift Thorn)[1] was een wereldlijk gebied rondom de abdij van Thorn in Midden-Limburg. De abdis was een prelaat die een positie tussen de rijksvorsten bekleedde. Het ministaatje had zich in de 12e eeuw afgescheiden en werd opgeheven onder de Franse bezetting in de Zuidelijke Nederlanden.

Geschiedenis[bewerken]

Aanvankelijk vormt de abdij van Thorn een eigenkerk binnen de rijksheerlijkheid Kessenich, op dat moment een allodiale heerlijkheid onder Luikse soevereiniteit. Uit deze vroegere eenheid stamt ook het beneficie. In de 12e eeuw wordt de wereldlijke band met Luik verbroken en gedraagt de abdij zich als een rijksabdij, zelfs al is ze geen koningsgoed.[2] De voogdij wordt gedeeld door Gelre (als oppervoogd) en Horn (als ondervoogd). Reinoud I van Gelre (1282), in dezen herhaald door koning Adolf (1292),[3] verbiedt externe fiscale jurisdictie over het stift, zodat dit rijksvrij blijft.

Afgelegen plaatsen vallen echter aan andere voogden. De dorpen Beek, Lozen, Neeroeteren en Heppeneert zijn bijvoorbeeld aan Loon toevertrouwd. Ze gaan, in grote mate, verloren ten gevolge van usurpatie (14e eeuw). Het dorp Eisden (met het bijhorende gehucht Mulheim) staat onder voogdij van de rijksheerlijkheid Leut. Ook de vrijheer van Leut maakt misbruik van het voogdijrecht. Na een reeks conflicten verkoopt de abdis Eisden (1553).

Vanaf 1487 wordt Thorn opgenomen in de Reichsmatrikel.[4] De Transactie van Augsburg (1548) voegt het bij de Nederrijns-Westfaalse Kreits.[5] Er bestaat echter nog een juridische band met Gelre (zie Rechten), die noopt tot een toenadering tot de Bourgondische Kreits (1648) wanneer Thorn wil ontsnappen aan de inkwartiering van twee compagnieën van het Reichsarmee.[6] Na decennia van getouwtrek tussen beide kreitsen knipt keizer Karel VI de band met Gelre door (1718). Thorn is daarmee opnieuw een ministaat in het Heilige Roomse Rijk, tot aan zijn inlijving bij revolutionair Frankrijk (1794).

Territorium[bewerken]

Aan het einde van het ancien régime was het Land van Thorn 52,1 km² groot (plus het tweeherige dorp Neeroeteren met de exclave Heppeneert, resp. 31,2 km² en 3,9 km²). Dit gebied was verdeeld in vier "kwartieren", elk geleid door twee burgemeesters.[7] Deze kwartieren waren:

Op kerkelijk vlak waren ook andere dorpen verbonden aan Thorn. De abdij had o.m. rechten over:

Ook waren tal van afgelegen pachthoeves aan de abdij geschonken. Zij betaalden dan cijns aan Thorn. Ze lagen:

Bestuur[bewerken]

Het Land van Thorn was ingericht als kerkelijk gebied én als landsheerlijkheid. Uit de kerkelijke oorsprong stamden de overste (de abdis) en de raad (het kapittel). Een wereldlijke structuur was de vergadering van de Staten.

  • De abdis fungeerde als landsvrouwe.[9] Ze vertegenwoordigde het land in de Rijksdag en de Kreitsdag. Toch was haar inspraak beperkt: in de Rijksdag mocht ze geen stem uitbrengen (m.a.w. werd ze niet als rijksvorstin noch als één der rijksstanden beschouwd)[10] en in de Kreitsdag had ze slechts recht op een groepsstem (ze moest haar stem delen met zeventien andere leden van een zgn. Kuriat)[11]. De abdis werd gekozen door het kapittel, uit het geheel van de stiftdames. Elke benoeming moest goedgekeurd worden door de prins-bisschop van Luik, in naam van de Kerk en de keizer.
  • Het "Hoogadellijk Kapittel" fungeerde tegelijkertijd als landsheer en leenhof, d.w.z. het gaf de landgoederen in Thorn in leen aan de vazallen. De landgoederen waren allodiaal, wat maakt dat het kapittel de opperste grondheer was. Wel stonden de landgoederen onder de macht van Gelre, aangezien dat als voogd de materiële bezittingen moest beschermen. Hiertoe stelde Gelre een schout aan in Thorn. Het kapittel was samengesteld uit een stiftdame (de decanes, die voor het geheel van stiftdames sprak) en vier, later zes, priesters (de kanunniken, die de belangen van de Kerk behartigden).
  • De Statenvergadering van Thorn was niet drieledig, maar tweeledig. De geestelijkheid werd immers al buiten dit orgaan vertegenwoordigd. De Statenvergadering moest dan ook enkel namens de adel (de geridderde leenmannen) en het volk (de burgemeesters) spreken.

Rechten[bewerken]

Thorn had zijn eigen landrecht.[12][13] De schepenbank bezat ook de hoge heerlijkheid of bloedban, wat inhield dat zij de doodstraf kon opleggen en laten uitvoeren. De abdis bezat trouwens diplomatieke voorrechten, zoals het verbod op opening door derden van alle brieven en pakketten die haar zegel droegen.

De soevereiniteit over het abdijvorstendom was een bevoegdheid die abdis en kapittel deelden. Uitzondering hierop vormde Neeroeteren (indertijd zonder Neersolt en met Heppeneert), dat tweeherig Thorns-Loons was. Hier was namens Thorn uitsluitend de abdis bevoegd. De soevereiniteit werd er gedelegeerd aan een meier benoemd door de abdis, en aan een schout benoemd door de graaf.[14] De schepenbank werd eerst door middel van coöptatie vernieuwd, vanaf 1663 beurtelings door Thorn en Loon.

In eerste aanleg telde Thorn drie civiele rechtbanken: die van Thorn, Grathem[15] en Neeroeteren.[16] Aanvankelijk stonden Grathem en Neeroeteren lager dan Thorn, zodat Thorn als eerste appèlrechter fungeerde; hieraan kwam een einde toen Grathem op gelijke hoogte met Thorn kwam (±1530) en Neeroeteren twee appèlcommissarissen kreeg (1573). Vanuit Thorn zelf werd oorspronkelijk in het Rijk geprocedeerd (nl. via de rijksstad Aken en het Rijkskamergerecht), na 1400 in Gelre (nl. via Echt en Roermond). De appèlgang via Gelre werd in 1718 beëindigd op bevel van de keizer, waarna een appèlrechtbank binnen Thorn opgericht werd.

Lijst van abdissen[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie lijst van abdissen Stift Thorn voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Aanvullende literatuur[bewerken]

  • (de) Gerhard Taddey 1983: 'Reichsstift Thorn'. In: Dezelfde (red.): Lexikon der deutschen Geschichte. Ereignisse – Institutionen – Personen. Von den Anfängen bis zur Kapitulation 1945. Kröner-Verlag, Stuttgart.
  • (de) Irene Crusius (red.) 2001: Studien zum Kanonissenstift. Göttingen.

Externe links[bewerken]


Noten en referenties

  1. Louis Berkvens (2015). Staatkundige en institutionele geschiedenis van de Limburgse territoria, 1548-1797 – in Limburg. Een geschiedenis, deel 2, 1500-1800, Maastricht: LGOG, p 53.
  2. P.L. Nève (1972). Het rijkskamergerecht en de Nederlanden – in Maaslandse Monografieën vol 14, Assen: Van Gorcum, p 483.
  3. Stichting Brabantse Bronnen (2016). Digitaal Oorkondenboek Noord-Brabant, webpagina.
  4. Nève (1972), ibid., p 484.
  5. Nève (1972), ibid., p 485-6.
  6. Nève (1972), ibid., p 491.
  7. RHCL (2016). Het land van Thorn, webpagina.
  8. De desbetreffende akte wordt als vervalsing uit de 16e eeuw gezien, hoewel de inhoud niet incorrect hoeft te zijn.
  9. A.M.J.A. Berkvens (2014). Politiek-institutionele ontwikkeling in "Limburg" (16e-18e eeuw), p 11.
  10. Berkvens (2015), ibid., p 53.
  11. Berkvens (2014), ibid., p 11.
  12. Jozef Habets (1871), Landrecht van Thorn 1180, zoals voorgelegd in 1295 – in Publications de la Société historique et archéologique dans le Duché de Limbourg vol 8, Maastricht.
  13. A.M.J.A. Berkvens (1999). Nieuwe landrechten van het hooggrafelijke stift en vorstendom Thorn (1788), Maastricht.
  14. Nève (1972), ibid., p 495.
  15. RHCL (2016), ibid.
  16. Nève (1972), ibid., p 495.