Meier (bestuur)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Vermelding van de meier van Zemst te 1625: "26. decemb[ris]: Obijt Maria Huens, uxor Godefridi Van Stijnnemeulen, maijeri suarum celsitudinum in Semps. Exequias ens celebrata sunt 29. decemb[ris]. Vertaling: "26e december: Overleden is Maria Huens, echtgenote van Godefridus Van Stijnnemeulen, zijne hoogheid meier in Zemst. De begrafenis is gevierd op de 29e december."

Een meier was vanaf de vroege middeleeuwen tot aan het einde van het Ancien Regime een beambte in dienst van een lands- of dorpsheer. De naam komt van het Latijnse adjectief māior (/ˈmɑːjɒr/), dat "grotere" of “oudere” betekent (vgl. E. mayor).

Brabant[bewerken]

De term bleef in het hertogdom Brabant in gebruik voor de hoge bestuurlijke functie van bewindhebber, onder meer in de Meierij van 's-Hertogenbosch. Van 1629 tot 1795 lag dit gebied in Staats-Brabant en werd het als een generaliteitsland bestuurd vanuit Den Haag. De Noordelijke Staten-Generaal stelden in plaats van de meier een hoogschout aan.

Oorsprong[bewerken]

Verwante Latijnse termen waren villicus, advocatus, conductor, dispensator, gastaldio, gastaldus, magister, massarius, oeconomus, officialis, officiatus, procurator, provisor, scultetus (schult, schout), curiae, syndicus.

Een meier was in de middeleeuwen dikwijls uitbater van de vroonhoeve en beheerde het land ('saalland' of 'salland') van andere boerenhofsteden die eigendom waren van een landsheer (saalhoeven).

Als rentmeester inde hij de pachten en heerlijke belastingen (cijns) in. Ook delgde de meier als delger de schulden aan de heer en hield hij toezicht over karweien en belastingen in natura aan de heer.

Het meiersambt bleef bestaan tot en met de afschaffing ervan door de Fransen op het einde van de 18e eeuw.

Externe link[bewerken]

R.M. Kemperink, in: Biografisch Woordenboek Gelderland, [1]

Zie ook[bewerken]