Meier (bestuur)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een meier was vanaf de vroege middeleeuwen tot aan het einde van het ancien régime een beambte in dienst van een lands- of dorpsheer. De naam komt van het Latijnse adjectief māior (/ˈmɑːjɒr/), dat "grotere" of “oudere” betekent (vgl. E. mayor).

Oorsprong[bewerken]

In het Latijn is de meier meestal vindbaar onder de termen maior of villicus, al was er nog een hele schare aan verwante termen.[1] Een meier was in de middeleeuwen dikwijls uitbater van de vroonhoeve en beheerde het land (saalland) van andere boerenhofsteden die eigendom waren van een landsheer (saalhoeven).

Als rentmeester van de heer was hij verantwoordelijk voor het innen van de pachten en heerlijke belastingen (cijns).[2] De meier was ook delger van de schulden aan de heer en hield eveneens toezicht over karweien en belastingen in natura aan de heer. Ook stond de meier, als hoofd van de laat- of schepenbank, mee in voor de rechtspraak betreffende personen en goederen binnen de heerlijkheid.[3]

Het meiersambt bleef gedurende heel het Ancien Régime bestaan totdat de Fransen het op het einde van de 18e eeuw definitief afschaften.

Brabant[bewerken]

De term bleef in het hertogdom Brabant in gebruik voor de hoge bestuurlijke functie van bewindhebber, onder meer in de meierij 's-Hertogenbosch. Van 1629 tot 1795 lag dit gebied in Staats-Brabant en werd het als een generaliteitsland bestuurd vanuit Den Haag. De Noordelijke Staten-Generaal stelden in plaats van de meier een hoogschout aan.

Zie ook[bewerken]

Bibliografie[bewerken]