Cijns

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
14e-eeuwse cijnsrol van de Hof van Einrade in Holset (RHCL, Maastricht)

De cijns of tyns is een aan onroerend goed gerelateerde jaarlijkse betaling aan de grondheer. Meestal betreft het landbouwpercelen, maar soms ook andere onroerende zaken, zoals molens. Het recht om cijnzen te innen, het zogenaamde cijnsrecht, is een van de heerlijke rechten. Het is ontstaan in de vroege Middeleeuwen en werd opgeheven na de val van het ancien regime. De woorden cijns en tyns zijn afgeleid van het Latijnse census, schatting van het vermogen. De benaming in documenten kan nogal verschillen, afhankelijk van tijd en plaats schreef men in de Nederlanden cijns, chijns, cens, tyns, tijns, thijns, tins enzovoorts. Het Franse woord voor het begrip is cens, het Duitse Gült en het Engelse tribute.

Ontstaan[bewerken]

In het Frankische Rijk dat ontstond na de val van het West-Romeinse Rijk werd het hofstelsel ingevoerd. Daarin kregen alle horigen de verplichting opgelegd om eens in het jaar in de vroonhof van de heer hun hoofdcijns te voldoen. Dit was een persoonlijke cijns, door de horige zelf te betalen, die niet zozeer het karakter droeg van een belasting, maar veeleer gold als een jaarlijks teken van erkenning van de horigheid. Naast de persoonlijke cijns moesten horige hoevebewoners ook de vaste grondcijns betalen. Deze cijns, eenmaal vastgesteld, werd genoteerd in een zogenaamd cijnsboek of tynsboek en was 'eeuwig en onveranderlijk'.[1]

Inning in natura[bewerken]

Sint-Servaaskerk in Maastricht met op de hoek het graanspijker

De cijns werd aanvankelijk voldaan in natura. Het meest voorkomend was betaling met kapoenen en granen. Zo werd bij de verkoop op 11 februari 1587 van een akker van 3 loopensen groot, gelegen te Lieshout vermeld dat het perceel belast was met den thijns vanden gronde tot eenen capuijn int boeck van Lieshout.[2] Ook betalingen met hoenders, vlas en vruchten waren gangbaar.

Omdat menig lid van de adel zijn bezittingen of een deel ervan schonk aan een kerk of klooster kwamen veel religieuze instellingen in het bezit van het cijnsrecht. Zo telde Maastricht in de late middeleeuwen ongeveer vijftien kloosters die cijnzen in natura inden (met uitzondering van de bedelorden). Het Sint-Servaaskapittel, de oudste en verreweg welvarendste religieuze instelling in de stad, beschikte naast de Sint-Servaaskerk over een groot stenen spijker waar de graancijnzen, voor een groot deel spelt en rogge, werden opgeslagen.[3]

Soms bestond de cijns aan kerken en kloosters uit het leveren van was voor het maken van kaarsen voor kerkverlichting. Daarnaar zijn de waschsynsen genoemd die onder andere in Utrecht voorkwamen.[4]

Inning in geld[bewerken]

In de late Middeleeuwen werd betaling in natura gaandeweg vervangen door betaling in geld. Deze verschuiving leidde ertoe dat de persoonlijke band tussen heer en horige werd verbroken, het werd meer en meer een zakelijke betrekking. Mede hierdoor hield de horigheid op te bestaan. Betaling van de cijnzen in geld had het eerst plaats in de westelijke streken van de Nederlanden, waar de opkomende handel ertoe leidde dat geld het algemeen ruilmiddel werd. Reeds in de 11e eeuw werden de cijnzen aan de kerk te Gent in klinkende munt betaald. In de oostelijke en zuidelijke streken daarentegen bleef de voldoening van cijnsen in natura nog lang bestaan. Eerst in 1602 werd met de opheffing van het klooster Dikninge in Drenthe de voldoening van de cijns in natura afgeschaft, dus lang nadat de horigheid hier had opgehouden te bestaan.[1]

Omdat de eenmaal vastgestelde cijns voor een perceel grond eeuwig en onveranderlijk was, bleef in cijnsboeken en schepenakten de vermelding van in natura gestelde grondcijnzen onveranderd gehandhaafd, ook al werd de cijns al lang in gefixeerde geldbedragen betaald, zoals blijkt uit een Lieshoutse schepenakte van 8 december 1707: item alnogh anderhalff capuijn aen 't selve boeck, betaelt wordende met twaelff stuijvers.[5]

Afschaffing[bewerken]

Formeel werd de cijns als heerlijk recht het eerst afgeschaft in Frankrijk, tijdens de Franse revolutie. Later volgde de rest van Europa. In de Nederlanden gebeurde dat na de Franse invallen van 1794 in de Zuidelijke Nederlanden en van 1795 in de Noordelijke Nederlanden. Met de kanttekening dat de cijns op veel plaatsen de facto bleef bestaan en werd omgezet naar pacht.

Zie ook[bewerken]