Vroege middeleeuwen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Replica van de helm van Sutton Hoo; het origineel werd begraven met de Angelsaksische leider, waarschijnlijk koning Rædwald van East Anglia, circa 620.[1]
Het mausoleum van Theodorik in Ravenna. De stad Ravenna was een hoofdstad van het West-Romeinse Rijk en werd in de vroege middeleeuwen ook de hoofdstad van het Ostrogotische Rijk en het Byzantijnse Exarchaat van Ravenna.

De vroege middeleeuwen is een periode in de Europese middeleeuwen die doorgaans loopt van de Val van het West-Romeinse Rijk in de vijfde eeuw tot en met de tiende eeuw.

Het merendeel van de vroege middeleeuwen, van het einde van de vierde eeuw na Christus tot aan de achtste eeuw heeft volgens historicus Dick Harrison het karakter van een groot, moeilijk te definiëren overgangsproces waarin de klassieke samenleving veranderde in de middeleeuwse samenleving.[2] In de periode van 600 tot 1000 was er sprake van een langzaam maar gedurig herstel van West-Europa waarin de bevolking groeide en de handel zich herstelde. De vroege middeleeuwen werden verder gekenmerkt door de val van het West-Romeinse Rijk en het voortbestaan van het Byzantijnse Rijk en de opkomst van meerdere Germaanse koninkrijken. Daarnaast ontwikkelde het Arabische Rijk zich in deze periode als een nieuwe machtige speler, die voet aan de grond kreeg op het Iberisch Schiereiland en op Sicilië. In 800 werd de titel van keizer in het westen geherintroduceerd door Karel de Grote en zijn rijk domineerde in deze tijd zowel politiek als cultureel gezien Europa. In die zelfde tijd kwamen de Vikingen op, die door middel van rooftochten hun voetsporen op het continent achterlieten. In het jaar 1000, formeel het einde van de vroege middeleeuwen, waren het Byzantijnse Rijk, het koninkrijk Engeland en het kalifaat Córdoba de meest solide staten in Europa.

Periodisering[bewerken | brontekst bewerken]

Periodes uit de
westerse geschiedenis


Portaal  Portaalicoon  Geschiedenis
Portaal  Portaalicoon  Middeleeuwen

Om grip te krijgen op de lange en brede periode van de middeleeuwen hebben 19e-eeuwse Duitse historici getracht om deze eeuwen onder te verdelen. Zij kwamen met de onderverdeling Früh-, Hoch- en Spätmittelalter, oftewel de vroege, hoge en late middeleeuwen. Ze werden hierin gevolgd door hun Britse collega's, maar de historici in de Romaanstalige landen maakten alleen een onderverdeling tussen de vroege (Frans: bas) en late (Frans: haut) middeleeuwen.[3]

De Nederlandse historici Wim Blockmans en Peter Hoppenbrouwers leggen de grenzen van de vroege middeleeuwen tussen het jaar 300 en het jaar 1000.[4] Daarentegen laat de Zweedse mediëvist Dick Harrison de periode omstreeks 500 beginnen en deze eveneens eindigen met het jaar 1000.[2] Het jaar duizend als breekpunt van de middeleeuwen werd voor het eerst gekozen door de Amerikaanse historicus Charles Homer Haskins in 1928. Hij zag de periode 1000 tot 1200 als de periode van de renaissance van de twaalfde eeuw. Daarnaast wordt ook vaak het jaar 950 gekozen als eindpunt van de vroege middeleeuwen en het begin van de hoge middeleeuwen vanwege de grote bevolkingsgroei die zich vanaf dan inzet.[5]

Donkere middeleeuwen[bewerken | brontekst bewerken]

De oorsprong van de term donkere middeleeuwen kan teruggevonden worden in de geschriften van Petrarca, die de middeleeuwen aanduidde als donker. Ook de protestanten noemden de middeleeuwen donker vanwege de dominante positie van het katholicisme.[6] De Britse historicus Edward Gibbon greep in zijn The History of the Decline and Fall of the Roman Empire terug op Petrarca en had het over de “donkerheid van de middeleeuwen”. Hierdoor begonnen de termen middeleeuwen en de donkere middeleeuwen (Engels: ‘’Dark Ages’’) uit te groeien tot synoniemen.[7] Door hernieuwd en beter onderzoek ontstond er in de negentiende eeuw een beter beeld van de middeleeuwen in zijn algemeenheid en raakte de terminologie in onbruik. De term "donkere middeleeuwen" ijlde nog even na in de Angelsaksische wereld waar met deze term de periode van de Engelse geschiedenis werd aangeduid van vóór de Normandische verovering van Engeland. Op termijn bleek deze term hier ook niet langer houdbaar en verdwenen de "donkere middeleeuwen" en maakten deze plaats voor de vroege middeleeuwen.[8]

Staatkundige ontwikkelingen[bewerken | brontekst bewerken]

Val van het West-Romeinse Rijk[bewerken | brontekst bewerken]

Kaart van het Romeinse Rijk met de door Diocletianus ingestelde prefecturen.

Het Romeinse Rijk had in het begin van de vierde eeuw niet meer zijn grote omvang van een paar eeuwen eerder. In de derde eeuw na Chr. kreeg het rijk te maken met een aantal crises en hierdoor kwam het rijk terecht in een neerwaartse demografische en economische spiraal. Om het rijk uit de vele crises te leiden voerde keizer Diocletianus een aantal hervormingen door. Zo maakte hij een onderverdeling in het West- en Oost-Romeins Rijk, codificeerde hij het Romeins recht, kwamen er munthervormingen en werd het belastingstelsel hervormd. Tevens moesten alle Romeinse burgers zich conformeren aan de Romeinse staatsgodsdienst.[9]

De dood van keizer Theodosius I leidde tot de definitieve scheiding tussen het West- en Oost-Romeinse Rijk. In de late keizertijd veranderde het beleid van de Romeinse keizers ten aanzien van het bewaken van hun grens. Zo werd er een onderscheid gemaakt tussen lichtbewapende grenstroepen en mobiele interventielegers die waren gelegerd in de garnizoensplaatsen. Vanaf het midden van de vierde eeuw sloten de Romeinse keizers ook verdragen met omvangrijke volken die militaire bondgenoten van het keizerrijk werden. Doordat de bereidheid onder de Romeinse bevolking afnam om in de legioenen te dienen, werden de soldaten voornamelijk onder de "barbaarse" bevolking gerekruteerd. Hierdoor drongen er geleidelijk aan ook steeds meer niet-Romeinse soldaten door naar de elite-eenheden en de militaire topfuncties.[10]

Volgens Edward Gibbon viel het Romeinse Rijk door "barbarism and religion", maar deze visie wordt door moderne historici betwist. In het jaar 476 werd de laatste West-Romeinse keizer Romulus Augustulus door de "barbaar" Odoaker afgezet. Hij stuurde de symbolen van de keizerlijke waardigheid naar de keizer in Constantinopel en onderhandelde over zijn eigen positie. Formeel was er in het jaar 476 dan ook geen sprake van een breuk. Pas in het jaar 518 sprak de Oost-Romeinse historicus Marcellinus Comes over de val van het West-Romeinse Rijk, al was dit waarschijnlijk een poging om de macht van keizer Justinianus I over het westen te legitimeren.[11]

Byzantijnse Rijk[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Byzantijnse Rijk voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Kaart van het Byzantijnse Rijk onder Justinianus.
 Veroveringen van Justinianus I
 Het rijk bij het aantreden van Justinianus I

De dood van keizer Theodosius I resulteerde in de definitieve scheiding tussen het Oost- en West-Romeinse Rijk en omstreeks het jaar 400 was het Oost-Romeinse Rijk een politiek stabiele en fiscaal geïntegreerde staat. De Byzantijnen noemden zichzelf Romeinen en de termen "Byzantium" en "Byzantijn" werden voor het eerst pas gebruikt ruim na de val van Constantinopel in 1453 om het rijk te onderscheiden van het authentieke Romeinse Rijk.[12] Waar in de vijfde eeuw het West-Romeinse Rijk werd overlopen door de vele Germaanse volkeren had haar oostelijke buur hier in veel mindere mate mee te maken. Alleen de noordelijke Balkan, het moderne Bulgarije en Joegoslavië waren de grootste bedreigingen voor het rijk aan het einde van de vijfde eeuw. De Byzantijnen kenden een korte periode van verval onder keizer Zeno en onder zijn opvolger Anastasius I werden de keizerlijke financiën hervormd. Het rijk kende een opleving onder het bewind van keizer Justinianus I. Hij hernieuwde het rechtssysteem (Codex Justinianus), reorganiseerde de keizerlijke administratie en begon aan uitgebreide bouwprojecten, zoals de Hagia Sophia in de hoofdstad Constantinopel. Daarnaast ging hij ook over tot het heroveren van voormalige Romeinse provincies voor zijn rijk. Zo herwon hij Noord-Afrika, Sicilië, Italië en een deel van Spanje.[13]

Het herstelbeleid van Justinianus I begon al in het midden van de zesde eeuw te haperen. De externe druk van de Sassaniden in het oosten en de komst van de Avaren en Bulgaren konden de Byzantijnse keizers met wisselend succes afweren. Keizer Herakleios wist met succes de Sassaniden in 627 te verslaan in de slag bij Ninive, maar de provincies Syria en Palestina zouden een kleine tien jaar later aan de moslims verloren gaan. In de zevende en achtste eeuw werden de militaire organisatie en de belastingen hervormd.[14]

Tot omstreeks het jaar 800 behaalden de Byzantijnse legers kleine successen, maar aan het einde van de negende eeuw begon het tij te keren voor de Griekstalige staat. De Byzantijnen konden hun positie versterken in het zuiden van Italië en Anatolië. De veroveringen die het rijk in de tiende eeuw boekte, zoals Cilicië en Armenia, waren vooral het gevolg van de verzwakking van de vijanden van de Byzantijnen en de politieke stabiliteit van het Byzantijnse Rijk. Deze stabiliteit werd bewerkstelligd doordat er een werkzaam evenwicht werd gevonden tussen de erfelijke monarchie van het rijk en de inmenging in de staatszaken door de legertop.[15] Na de dood van de succesvolle generaal en medekeizer Johannes I Tzimiskes brak er een burgeroorlog in het rijk uit waarin Basileios II Boulgaroktonos de macht greep en vervolgens Bulgarije wist te veroveren. Bij zijn overlijden in 1025 was Byzantium weer een grootmacht.[16]

Volksverhuizingen[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Grote Volksverhuizing voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Kaart van de migratiestroom van de volkeren tijdens de Volksverhuizingen

Al sinds de tweede eeuw waren er vele volkeren aan de noordgrens van de Donau en de oostgrens van de Rijn in beweging. Een van de eerste volkeren die hun plek binnen het Romeinse Rijk wisten te veroveren waren de Alemannen, die in Zuidwest-Duitsland neerstreken. De Saksen waren een ander volk dat in de derde eeuw in beweging kwam. Het merendeel van deze migraties vonden in de periode tussen 300 en 600 plaats en staan bekend als de Grote Volksverhuizing.[17] De situatie veranderde omstreeks 370 toen de Hunnen hun intrede deden ten noordwesten van de Zwarte Zee. Door de druk van de Hunnen waren de Ostrogoten gedwongen om zuidwaarts te trekken, de Donau over, richting het Romeinse Rijk. Aanvankelijk waren de Romeinen bereid de Ostrogoten op te nemen in ruil voor de belofte troepen aan het Romeinse leger te leveren, maar de spanningen liepen weldra op en dit leidde in 378 tot de Slag bij Adrianopel. Vier jaar later werd er een overeenkomst gesloten tussen de Romeinen en de Goten waarbij deze laatsten zich als feoderati mochten vestigen in Moesia. Onder leiding van Alarik I vertrokken de Goten uit Moesia. Tijdens hun plundertochten in Europa brandschatten de Goten de stad Rome voor de eerste maal in 410.[18]

In 406 stak aan de noordgrens van het Romeinse Rijk, bij het huidige Mainz, een groot leger de bevroren Rijn over. Dit leger bestond uit Vandalen, Sueven, de Alanen en later ook de Bourgondiërs. Vanwege de voedselschaarste trok dit leger van plaats naar plaats en plunderden ze het platteland. In 409 staken de Vandalen, Alanen en Sueven de Pyreneeën over om daar verder te gaan met de plunderingen. Kort na hun komst werden ze gevolgd door de Goten en zij vestigden zich als foederati in Aquitanië, vanwaar ze een machtig rijk uitbouwden. De Vandalen en Alanen staken op hun beurt de zee over en veroverden in 439 Carthago, dat de hoofdstad werd van het Vandaalse Rijk.[19]

In Brittannië was omstreeks 410 een einde gekomen aan de Romeinse aanwezigheid op het eiland. De Romeinse troepen die aldaar gelegerd waren werden ingezet in de dan woedende Romeinse Burgeroorlog. Het eiland viel uiteen in ongeveer dertig lokale politieke eenheden. Weldra werd de macht in Brittannië overgenomen door een aantal Germaanse volkeren die waarschijnlijk Romeinse hulptroepen waren: de Angelen, Saksen en de Juten.[20] In de tweede helft van de vijfde eeuw nam de migratie aanzienlijk toe en ontstonden er een zevental koninkrijken die in de zesde eeuw met elkaar regelmatig in oorlog waren.[21]

Sub-Romeinse koninkrijken[bewerken | brontekst bewerken]

De Franken onder de Merovingen[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Merovingen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Het rijk der Franken bij het aantreden van koning Clovis

Een van de weinige Germaanse volkeren die niet heel West-Europa doortrokken waren de Franken. Nadat de Salische Franken in 358 door de Romeinen waren verslagen kregen ze toestemming om zich te vestigen in Toxandrië.[22] Onder leiding van koning Clovis I werd de machtssfeer van de Franken behoorlijk uitgebreid. Hij wist te zegevieren over de Alemannen en versloeg de Visigoten in de Slag bij Vouillé, waardoor hij een groot gedeelte van Zuid-Gallië veroverde. Bij zijn dood in 511 was hij de heerser van een West-Europese grootmacht.[23] Na de dood van Clovis werd zijn rijk verdeeld onder zijn zonen, een Frankische gewoonte die in de zesde eeuw tot veel burgeroorlogen leidde. Pas na de dood van Brunhilde in 613 kwam er een einde aan dit tijdperk. De periode van vrede die hierop volgde wordt beschouwd als het hoogtepunt van het Merovingische Frankische Rijk.[24]

Na de dood van koning Dagobert I in 639 werd de opdeling van het Frankische Rijk geconsolideerd in een Austrasisch en Neustrisch-Bourgondisch blok. In deze tijd verschoof ook de werkelijke macht steeds meer van de koningen naar de leidende elite. Bij hun aantreden waren vele van de Merovingische koningen nog minderjarig en stonden daarom in de schaduw van hun elite. In de tweede helft van de zevende eeuw namen de gevechten tussen de elitefacties en koningen toe en hierdoor verzwakte de controle van het centrale gezag over de perifere regio's. De Merovingische koningen uit de periode 680 tot halverwege de achtste eeuw staan bekend als de rois faineants, de koningen die niets doen. Zij zouden overschaduwd zijn geweest door hun hofmeiers.[25] Dit ambt werd in Austrasië al snel gemonopoliseerd door de Pepiniden, die vernoemd waren naar hun stamvader Pepijn van Landen. In het jaar 700 verkregen zij ook de positie van hofmeier in Neustrië.[26]

Longobarden[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Longobardische Rijk voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
De IJzeren Kroon van de Longobarden kwam in het bezit van het volk nadat zij de Goten hadden verslagen. De kroon zou in de middeleeuwen gebruikt worden om de keizers van het Heilig Roomse Rijk mee te kronen.[27]

De Longobarden waren gevestigd op de Balkan en omstreeks 510 domineerden zij samen met de Gepiden dit schiereiland.[bron?] Na de komst van de Avaren sloten de Longobarden zich bij hen aan en werden de Gepiden in 567 verslagen. Gesterkt door dit succes trok de Longobardische koning Alboin het jaar daarop Italië binnen. Het volk vestigde zich aanvankelijk in Noordoost-Italië met Pavia als belangrijkste centrum. Na de dood van de zoon van Alboin viel het rijk uiteen in diverse onafhankelijke hertogdommen. De Longobarden vestigden zich ook in Midden- en Zuid-Italië waar ze de hertogdommen Spoleto en Benevento stichtten. Deze hertogdommen leidden ten opzichte van de Longobardische territoria in het noorden een afzonderlijk politiek bestaan.[28]

Eind zesde eeuw dreigde de ondergang voor het Longobardische Rijk door de opmars van de Franken en Byzantijnen. Als gevolg daarvan gaven verschillende stadshertogen hun autonomie op en erkenden ze Authari als hun koning. Authari verkreeg ook een koninklijk domein, wat hem en zijn opvolgers een solide machtsbasis gaven. Met behulp van deze bezittingen slaagden Authari en zijn opvolger Agilulf erin hun externe vijanden te verslaan. Tevens werden de regio's Emilia en Venetia veroverd. Op deze manier ontstond er aan het begin van de zevende eeuw een christelijke Longobardische monarchie.[28]

In de eerste helft van de achtste eeuw kende het Longobardische Rijk een bloeiperiode. In het midden van de eeuw had het bijna het hele schiereiland veroverd. De belangrijke Byzantijnse stad Ravenna viel in 751. Ook de onafhankelijke hertogdommen Spoleto en Benevento werden door de Longobardische koningen verslagen. Hierdoor kwamen ook de pausen van Rome verder in het nauw te zitten en hierop riep de paus de hulp van de Franken in. De Frankische Karolingische koning Pepijn de Korte begon een reeks oorlogen tegen de Longobarden die het einde van het rijk inleidde.[29]

Visigoten[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Visigotische Rijk voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Het Visigotische Rijk omstreeks 600

In 455 startte de Visigotische koning Theodorik II vanuit Toulouse een invasie op het Iberisch Schiereiland. De Visigoten versloegen het Suevenrijk in de Slag aan de Urbicus en nog hetzelfde jaar werd de Suevische koning Rechiar gedood waarmee er ook een voorlopig einde kwam aan het Suevische Rijk. Aan het einde van de vijfde eeuw migreerden er grote groepen Goten vanuit Aquitanië naar het zuiden om zich daar te vestigen. Door de machtsuitbreiding van Clovis ten noorden van de Pyreneeën viel het Visigotische Rijk uiteen. In de halve eeuw die daarop volgde ging de rijksvorming van de Goten gepaard met politieke crises. Door de tussenkomst van de Ostrogoten werd de Frankische opmars gestuit en bleef Septimanië nog twee eeuwen lang Gotisch bezit.[30]

Ten tijde van de regering van de koning Leovigild kende het rijk een bloeiperiode. Hij veroverde het opstandige Córdoba en het Byzantijnse Medina-Sidonia en ging vervolgens op pad om de noordelijke provincies zoals Cantabrië te veroveren. Daarnaast maakte hij ook een definitief einde aan het Suevenrijk en hiermee omvatte zijn rijk in 585 het gehele schiereiland, uitgezonderd de Baskische bergen en de Byzantijnse steden. Onder Leovigild werd ook het prestige van de monarchie vergroot. Dit deed hij door middel van het gebruik van op de Oost-Romeinse traditie geïnspireerde regalia, werd aanwijzen van Toledo tot staatscentrum en de invoering van een Visigotische munt. Zijn opvolger Reccared I liet zich vervolgens van het arianisme bekeren tot de dominante katholieke stroming van het christendom.[31]

Tot aan 624 hielden de Visigotische offensieven tegen buitenlandse vijanden aan en daarop brak een periode van relatieve rust aan. De problemen van de Visigoten waren in de laatste honderd jaar van hun rijk meer intern dan extern van aard. Bij de intrede van de moslims in 711 werd het Visigotische leger en koninkrijk weggevaagd door de legers van Tariq ibn Zijad.[32]

Brittannië[bewerken | brontekst bewerken]

Offa's Dyke was een honderd kilometer lange aarden wal die in de achtste eeuw werd gebouwd op opdracht van koning Offa van Mercia. De dijk was de grootste Europese constructie sinds de bouw van de Muur van Hadrianus.[33]

In de tweede helft van de zesde eeuw veroverden de Angelsaksen steeds meer gebied op de Kelten en werden deze teruggedrongen naar Cornwall, Wales en Cumbria. De Picten, die in het huidige Schotland woonden, wisten de opmars van de Angelen in 685 te stuiten in de Slag bij Dun Nechtain, maar weldra werd het noordelijk gedeelte van Brittannië overheerst en beïnvloed door het door de Ieren gestichte Koninkrijk Dalriada.[34] De eerste Angelsaksische koning die zich liet dopen was Æthelberht van Kent. In de zevende en achtste eeuw verdwenen een aantal kleinere Angelsaksische koninkrijken en gingen een paar grotere koninkrijken het eiland domineren. In het midden van Engeland ging het Koninkrijk Mercia een grote rol spelen, in Noordoost-Engeland ontstond Northumbria en in het zuiden speelden de koninkrijken Wessex, Sussex en Kent een belangrijke rol. Met name de koningen van Northumbria, Wessex en Mercia expandeerden richting het westen en konden zo hun regionale machtspositie versterken.[35]

Het koninkrijk Mercia werd in de achtste eeuw stevig beïnvloed door de Franken. Zo stelde koning Offa omstreeks 760 een muntstelsel in dat gebaseerd was op het stelsel van Pepijn de Korte. De Angelsaksische koninkrijken waren aan het begin van de negende eeuw niet voorbereid op de aanvallen van de Vikingen. In de periode van 865-878 was er sprake van een veroveringsoorlog door de Vikingen en zo maakten ze een einde aan de Angelsaksische koninkrijken, behalve Wessex. Onder koning Alfred de Grote hield dit rijk zich staande tegen de Vikingen en zijn zoon Eduard de Oudere zou beginnen met de verovering van de Scandinavische rijken op het eiland. In 954 werd Northumbria door de Angelsaksen heroverd. De veroveringen van Wessex leidden ertoe dat Engeland voor het eerst geünificeerd werd. Langzamerhand kwam de term Engeland ook in gebruik.[36]

Opkomst islam[bewerken | brontekst bewerken]

Omajjadische afbeelding van zes koningen. De tweede, onherkenbare, koning wordt geïdentificeerd als de Visigotische koning Roderik.

Na de dood van de profeet Mohammed op het Arabisch Schiereiland werd het gezag van de islam onder de opvolgers van Mohammed, de kaliefen, razendsnel verspreid. In het jaar 636 versloegen de opvolgers van Mohammed het Byzantijnse Rijk in de Slag bij de Jarmuk. Hierdoor lagen de gebieden van Palestina en Syrië open voor verovering. Na een paar jaar zouden de Byzantijnen ook in Egypte door de moslims verdreven worden.[37] Tussen 717 en 718 belegerden de Arabieren Constantinopel en na een beleg van dertien maanden moesten ze noodgedwongen het beleg opgeven. Het fiasco van het beleg was zo groot dat het keizer Leo III in staat stelde om enig verloren gebied te heroveren.[38]

Al-Andalus[bewerken | brontekst bewerken]

In 711 werd het huidige Marokko veroverd en na deze gebiedsuitbreiding werd er een expeditie naar het Iberisch Schiereiland ondernomen onder leiding van Tariq ibn Zijad. Deze expeditie was aanvankelijk bedoeld als een plundertocht. Tariq ibn Zijad slaagde er echter in een snel opgetrommeld Visigotisch leger te verslaan in de Slag bij Guadalete en door dit verlies werd de Visigotische verdediging van hun rijk lamgeslagen. Deze omstandigheden zorgden ervoor dat Tariq zonder al te veel moeite de sleutelsteden Córdoba en Toledo met zijn leger kon innemen. Aangemoedigd door dit succes kwam er een militaire invasie op gang onder leiding van Moessa bin Noessair. In 720 of 721 staken de moslims de Pyreneeën over en werd Narbonne veroverd. De opmars van de islam in Europa kwam in 740 tot stilstand door een opstand van de Berbers op het schiereiland en dit ontketende een vete die tot 756 zou aanhouden, het jaar waarin Abd al-Rahman I het onafhankelijke Emiraat Córdoba stichtte.[39] Zijn nazaat Abd al-Rahman III proclameerde in 929 het Kalifaat Córdoba en hiermee onderstreepte hij zijn legitimiteit ten opzichte van de kaliefen in Bagdad en de Egyptische Fatamiden.[40]

Het rijk van het nieuwe emiraat concentreerde zich met name op het gebied rondom de rivier de Guadalquivir en had weinig interesse voor het gebied ten noorden van de Pyreneeën. Door deze desinteresse kon in deze periode het kleine Koninkrijk Asturië ontstaan. Omstreeks het jaar 800 ontstonden er naast Asturië nog een paar andere kleine christelijke koninkrijkjes en kwam het oosten, de Spaanse Mark, onder Frankisch gezag te staan.[41] Tot aan het einde van de tiende eeuw bleef de macht van het Omajjadische kalifaat Córdoba te groot voor de christelijke vorsten in het noorden om hun gebied op het schiereiland uit te breiden.[40]

Zestiende-eeuwse kaart van Sicilië in het Arabisch, gemaakt door Piri Reis.

Sicilië en Bari[bewerken | brontekst bewerken]

In het begin van de negende eeuw was de Afrikaanse toevoer van slaven in het huidige Tunesië gestagneerd en moest de islamitische dynastie van de Aghlabiden nieuwe markten aanboren om aan de vraag naar slaven te kunnen voldoen. In juni 827 arriveerde er een leger van de Aghlabiden op Sicilië dat optrok naar Syracuse, dat vervolgens werd belegerd. Deze belegering eindigde in een deceptie voor de Arabieren.[42] Vier jaar later werd de stad Palermo door de Aghlabiden ingenomen en vestigden ze het islamitische gezag op het eiland, maar de verovering van het gehele eiland zou nog enkele decennia duren. Ondertussen waren de Arabieren ook enkele allianties aangegaan met het Hertogdom Benevento en begonnen ze ook Italië te teisteren. In 846 viel een expeditieleger ook Rome aan. Elf jaar later werd de stad Bari aangevallen en werd daar een emiraat gesticht. Het emiraat diende als uitvalsbasis voor plunderingen in het binnenland van Italië. Deze verovering was maar tijdelijk, want Bari werd in 871 door de christenen heroverd onder leiding van Lotharius II.[43]

De stad Syracuse werd door de Arabieren in 878 na een lang beleg alsnog ingenomen en de laatste Byzantijnse bezittingen op het eiland werden pas in 965 veroverd. In de tussentijd had zich een dynastieke wissel op het eiland voorgedaan. De Aghlabiden werden afgezet en in hun plaats kwam de sjiitische dynastie van de Fatimiden. De soennitische bevolking van het eiland kwam herhaaldelijk in opstand tegen het nieuwe gezag. Bij het neerslaan van de laatste grote opstand van 937-939 moordden de Fatimiden hele dorpen uit en lieten ze loyale onderdanen vanuit Afrika migreren naar Sicilië. In 948 werd Hassan al-Kalbi tot emir van Sicilië gemaakt om de positie van de Fatimiden op het eiland te versterken. Zijn nazaten zouden de komende honderd jaar over het eiland heersen en hun regering kwam nog ten einde voor de komst van de Noormannen.[44] De periode van de Kalbiden markeerde het hoogtepunt van de islamitische macht en invloed op Sicilië.[45]

Karolingische Rijk[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Karolingische Rijk voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Karel de Grote[bewerken | brontekst bewerken]

De buste van Karel de Grote, een geïdealiseerd portret van de keizer uit de veertiende eeuw. Het is te bezichtigen in de Schatkamer van de Dom van Aken.

Na de dood van Pepijn van Landen in 714 brak er een burgeroorlog uit in het Frankische Rijk die uiteindelijk door Pepijns zoon Karel Martel werd gewonnen. Karel was voortdurend in oorlog en consolideerde de macht van de dynastie die naar hem vernoemd zou worden: de Karolingen. Met zijn dood viel het rijk opnieuw uiteen en in 749 waren de Frankische kernlanden min of meer gepacificeerd. Gesteund door een periode van vrede besloot de zoon van Karel Martel, Pepijn de Korte, in 751 om de Merovingers af te zetten en zichzelf uit te roepen tot koning. De paus keurde zijn kroning goed.[46] Met de middelen van het verenigde Frankische Rijk zouden hij en zijn opvolger Karel de Grote het machtigste rijk voortbrengen dat West-Europa had aanschouwd sinds de val van Rome.[47]

De macht van de Karolingen was vooral ten koste gegaan van de macht van de Longobarden. In 774 versloeg Karel de Grote de laatste Longobardische koning die daarop de wijk nam en vervolgens liet Karel zich uitroepen tot koning van de Longobarden. Naast zijn veroveringen in Italië ondernam hij ook veroveringstochten in het huidige Duitsland tegen diverse autonome hertogen. De laatste van hen, Tassilo III van Beieren, werd in 788 afgezet. De oorlogen tegen de Saksen leidden tot dwangbekeringen, massa-executies en volksdeportaties. Pas in 804 kon het Saksische gebied worden gepacificeerd.[48] Op de Eerste Kerstdag van het jaar 800 werd Karel door Paus Leo III gekroond tot Romeins keizer.[49]

De splitsing van het Karolingische Rijk[bewerken | brontekst bewerken]

Lodewijk de Vrome volgde zijn vader Karel de Grote op na diens dood als zijn enig overgebleven zoon. De nieuwe keizer had zelf drie zonen en in zijn successieregeling verdeelde hij zijn rijk onder hen drieën. Nog tijdens zijn regering wedijverden zijn kinderen met elkaar en bij de dood van Lodewijk in 840 werd het rijk in tweeën gedeeld onder twee van de koningskinderen: Karel de Kale en Lodewijk de Duitser. Bij het Verdrag van Verdun werd toch een driedeling gemaakt waarbij Lotharius I het Middenrijk kreeg toegewezen.[50] Tussen 876 en 884 was het rijk voor korte tijd weer herenigd onder Karel de Kale, maar de politieke netwerken waren in zijn tijd al zo ver uit elkaar gegroeid dat het effectiever was om deze rijksdelen afzonderlijk te besturen.[51]

In de eeuw na 887 streden negen Frankische adellijke families om het koningschap in een van de rijksdelen. Enkelen van hen waren verwant aan de Karolingen, maar de meesten waren dat niet. In 987 slaagde Hugo Capet erin om het koningschap van de Karolingen in West-Francië over te nemen, maar in deze tijd was de macht van de koning verkleind tot een gebied rondom Parijs en maakte hertogen en graven de dienst uit in de rest van het rijk. Hendrik de Vogelaar werd de eerste koning uit het geslacht van de Ottonen in het Oost-Frankische Rijk die door middel van zijn veldtochten een solide machtsbasis kon uitbouwen voor zijn nakomelingen.[52]

Vikingen[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Vikingen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Rovers en handelaren[bewerken | brontekst bewerken]

Het Osebergschip is een typisch voorbeeld van het langschip waarmee de Vikingen voeren. Het is te bezichtigen in het Vikingskipshuset in Oslo.

Door verschillende historici worden er verscheidene verklaringen gegeven voor waarom er omstreeks het jaar 800 de bewoners van Scandinavië op rooftocht gingen. Zo speelde de techniek een rol met de door de Vikingen ontworpen schepen die lange afstanden konden overbruggen. Daarnaast was er ook sprake van een bevolkingstoename en was er een overschot aan bereidwillige mannen die door de centraliseringspolitiek op het schiereiland bereid waren om op rooftocht te gaan.[53] In het midden van de achtste eeuw begonnen de Scandinaviërs de rivierstelsels aan de Oostzee te verkennen. Zij werden in deze richting aangetrokken door de mogelijke handel en rijkdom van het zilver.[54] De Vikingen slaagden erin om een handelsroute naar het oosten uit te bouwen die via de Oostzee naar Novgorod en vervolgens zuidwaarts ging naar de Kaspische en Zwarte Zee en uiteindelijk Constantinopel. De koopwaar van de Vikingen bestond uit pelzen, ivoor, barnsteen, honing, bijenwas en wapens die ze verkochten aan onder andere de Arabische en Bulgaarse tussenhandelaren.[55]

De Vikingen vestigden hun faam toen ze in 793 het kloostereiland van Lindisfarne plunderden. Het nieuws bereikte ook het Frankische Rijk waar Alcuinus over de aanval schreef: "...en nimmer tevoren zijn in Brittannië zulke gruwelen aanschouwd, en hebben heidenen zulk leed teweeggebracht."[56] Vervolgens was het voor een periode van veertig jaar rustig en rond 835 werden de plundertochten naar Brittannië hervat.[57] Vanaf dat jaar duiken de Noormannen ook op voor de kusten van de Lage Landen. De handelsnederzetting Dorestad werd gedurende haar bestaan vele malen geplunderd. Ook de plaatsen Antwerpen en Gent werden door de Vikingen aangedaan.[58]

Migratie[bewerken | brontekst bewerken]

De kerk van Hvalsey, een verlaten Vikingnederzetting op Groenland.

In de loop der jaren begonnen de Noormannen zich te vestigen in de gebieden die zij voorheen geplunderd hadden. Op de Britse eilanden vestigden ze zich voornamelijk op de Schotse eilanden, Oost-Engeland en Zuid-Ierland. In Ierland overwinterden de Vikingen voor het eerst in 839 en twee jaar later richtten ze hun eerste permanente centra op het eiland op, zoals Dublin.[59] Het gebied dat in Engeland door de Vikingen werd ingenomen en door hen gecontroleerd werd vanaf de negende eeuw kwam bekend te staan als de Danelaw. In Engeland zouden de Denen ook een belangrijke aanjager worden van de urbanisatie, met name steden als Lincoln en York kwamen onder hen tot ontwikkeling.[59] Daarnaast verspreidden de Vikingen zich ook verder west- en noordwaarts naar IJsland, Groenland en stichtte Leif Eriksson volgens de saga Vinland in Noord-Amerika.[60]

Op het continentale Europa werd de Vikingenhoofdman Rollo begin tiende eeuw beleend met Normandië door de Karolingische koning om Rouen en de Seine te bewaken tegen aanvallen van zijn soortgenoten. Ook vestigden de Vikingen zich in het huidige Rusland en Oekraïne. Zo zou volgens verhalen het Kievse Rijk gesticht zijn door de Scandinaviërs.[61]

Oost-Europa[bewerken | brontekst bewerken]

Avaren en Slaven[bewerken | brontekst bewerken]

Achttiende-eeuwse fresco van de slag op het Lechveld, geschilderd door Balthasar Riepp voor de Sint-Ulrichskerk in Seeg.

Oost-Europa bleef voor langere tijd een regio waar Slavische en Turkse volkeren hun intrede deden, een politieke entiteit stichtten en vervolgens weer verdwenen. Het merendeel van deze immigranten bestond uit de Slaven. De boerengemeenschappen die zij vormden waren normaal gesproken onderworpen aan andere volkeren, zoals de Turkse Avaren die hun rijk stichtten op de Pannonische Vlakte. In de halve eeuw na de komst van de Avaren veranderde het centrale Donaugebied en de Balkan van een onaantrekkelijke politieke achtertuin in een van Europa's grootste onrusthaarden.[62] Halverwege de zesde eeuw vestigden ook de Slaven zich ten zuiden van de Donau. In 591 verdreef de Byzantijnse keizer Mauricius de Avaren weer ten noorden van de Donau, maar de Slavische kolonisten werden niet verdreven.[63] In 796 werd het Avaarse Rijk door de Franken van de kaart geveegd, maar de Slavische hertogdommen wisten een mate van zelfstandigheid te houden ten opzichte van de Franken. Hieruit ontwikkelden zich onder andere het Groot-Moravische Rijk dat zou bestaan tot de komst van de Magyaren.[64] De Slavische hertogdommen Bohemen en Polen zouden wel blijven voortbestaan. Toen de Arabische reiziger Ibrahim ibn Yaqub in 965 Bohemen bezocht was volgens hem Polen het grootste en het machtigste vorstendom ten oosten van het Duitse Rijk.[64]

Magyaren[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Hongaren voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Magyaren waren een volk dat van de Oost-Europese steppes afkwam en in 836 hadden zijn hun eerste confrontaties met de Bulgaren aan de benedenloop van de Donau. Op dat moment bevond hun woongebied zich nog ten noorden van de Zwarte Zee. Aan het eind van de negende eeuw sloten de Byzantijnen een verbond met de Magyaren om de Bulgaren te verslaan, maar khan Simeon I van Bulgarije wist de Magyaren met de hulp van de Petsjenegen te verslaan. Hierdoor was het volk genoodzaakt om te migreren en vonden ze hun nieuw thuisland op de Pannonische Vlakte.[65] Hier begonnen ze meteen een rol te spelen in de regionale politiek en in 898 startten ze met een reeks van invallen in Friuli.[66]

De Magyaren werden een plaag voor de grensstreken van het Oost-Frankische Rijk en in 936 werden de Magyaren door Hendrik de Vogelaar verslagen in de Slag bij Riade. Een groter verlies voor het volk was de Slag op het Lechveld. Door dit verlies kwam er het besef dat hun plundertochten geen effect meer hadden en maakten ze een einde aan hun nomadisch bestaan. Onder de leiding van hun vorst Géza bouwden ze een gesedenteerde samenleving op en namen ze het christendom aan.[67]

Roes[bewerken | brontekst bewerken]

Doop van Vladimir de Grote, fresco geschilderd door Viktor Vasnetsov.

De Scandinaviërs die over de Wolga en de Dnjepr reisden stonden in het oosten bekend als de Roes.[68] De eerste Roessische staat werd gesticht door de Scandinavische dynastie van de Ruriken. Ze groeiden uit tot een belangrijke zeemacht en in 941 vielen ze ook Constantinopel aan, maar hun vloot werd vernietigd door Grieks vuur. In tegenstelling tot de West-Europese koningen waren de Roessische vorsten geen monarchen en worden ze doorgaans als prinsen of vorsten aangeduid. Een ander belangrijk verschil tussen de West-Europese staten en Roes was het feit dat de staat voor hun belasting niet afhankelijk was van de landbouw, maar van de handel.[69] De belangrijkste steden van het Kievse Rijk waren Novgorod en Kiev. In 988 bekeerde vorst Vladimir de Grote zich tot het orthodoxe christendom. Hiermee zette hij heel Oost-Europa en Rusland op de kaart van de christelijke wereld.[70]

Europa rond het jaar 1000[bewerken | brontekst bewerken]

Van de voormalige Frankische gebiedsdelen was het oostelijk gedeelte, het Heilige Roomse Rijk, de sterkste tegen het jaar 1000. De koning of keizer regeerde in deze periode zowel over het huidige Duitsland als Italië. De Frankische koning was relatief zwak, door de lokale politieke verbrokkeling van zijn koninkrijk. Omstreeks het jaar 1000 was het Koninkrijk Engeland, ondanks haar geringe grote, het meest coherente koninkrijk in het Latijnse westen. Andere grote rijken in deze periode waren het Griekse Byzantijnse Rijk en het islamitische Al-Andalus. Deze rijken zouden in de eeuw die volgden uitgedaagd worden en in verval raken.[71]

Klimaat[bewerken | brontekst bewerken]

Uit de zonneactiviteit is af te lezen dat er omstreeks de tweede helft van de vijfde eeuw een koelere periode in Europa plaatsvond. Deze koelere periode zou voor twee eeuwen lang aanhouden en omstreeks 650 trad er een herstel op en werden de temperaturen tussen de jaren 650 en 750 warmer.[72] Omstreeks het jaar 750 begon de algehele temperatuur verder te stijgen. Deze periode zou tot aan 1350 aanhouden. Door een afname in vulkaanuitbarstingen en een toename van de zonnestraling werd er een La Niña-achtige gebeurtenis gecreëerd. Hierdoor werd het in Europa warmer en zo kon er in deze periode zelfs wijnbouw ontstaan in Engeland. Daarnaast verspreidde de landbouw zich snel in deze periode en ontstonden er voedelsurplussen. Tevens zorgde de warmte er ook voor dat het poolijs smolt en dat de doorvaart naar Groenland makkelijker werd voor de Vikingen.[73]

Economie[bewerken | brontekst bewerken]

Landbouw[bewerken | brontekst bewerken]

De middeleeuwse ploeg

Een belangrijke landbouwinnovatie in de vroege middeleeuwen was de uitvinding van het haam. Door het gebruik van het haam waren boeren instaat om paarden voor de ploeg te zetten. Voor de komst van deze uitvinding had het paard een geringe rol in de agrarische productie. De introductie van het haam verspreidde zich langzaam en in sommige gebieden bleef de os dienstdoen als trekdier voor de ploegen.[74] In de tiende eeuw werd in de Europese landbouw een nieuw systeem geïntroduceerd voor het bewerken van het land: het drieslagstelsel. Ook deed de risterploeg zijn intrede, deze ploeg kon gemakkelijker de natte, kleiige gronden van Noord-Europa doorploegen. Dit soort ploegen konden niet werken met hekwerken en hierdoor ontstond de karakteristieke uitstraling van de middeleeuwse landbouw: lange, gegroefde stroken land zonder omheiningen. Dit nieuwe systeem droeg bij aan het voedseloverschot en een betere levensstandaard voor bijna iedereen.[75] Daarnaast was er ook sprake van een overgang van op granen gerichte monocultuur naar een meer gevarieerde levensmiddelenhuishouding en dit is een van de weinig grote landbouwhistorische ontwikkelingen van de vroege middeleeuwen.[76]

Handel[bewerken | brontekst bewerken]

Het economische systeem dat sinds de laatantieke oudheid Europa domineerde was de lange afstandshandel die georiënteerd was op de Middellandse Zee en Zuid-Europa met Azië verbond. In de jaren dertig van de twintigste eeuw stelde de Belgische historicus Henri Pirenne dat deze handel verstoord werd door de Arabieren. Tot dan toe werd er aangenomen dat de handel afgeremd was door de Volksverhuizingen. Pirenne wees erop dat er in de zesde eeuw nog sprake was van economische bloei en dat er pas economisch verval was in de achtste eeuw. In de loop der jaren zijn er enkele bezwaren gerezen tegen de these van Pirenne, zo bleef het Middellandse Zeegebied ook na de Arabische veroveringen een belangrijke transitozone. De moslims zouden zelfs zorgen voor een opleving van de internationale handel.[77]

De regionale handel nam pas vanaf de zevende eeuw toe qua betekenis. Verscheidene Karolingische koningen verschaften aan diverse plaatsen Marktrechten. Deze handel sloot via de jaarmarkten aan op de langeafstandshandel. Door de gespecialiseerde langeafstandshandel ontstond er ook een nieuw type stadsachtige nederzettingen, de emporia of wiks. Deze steden fungeerden als vaste ontmoetingsplaatsen voor handelaren die werkzaam waren op de lange afstandshandel.[78] Bekende voorbeelden van dit soort plaatsen waren Dorestad en Quentovic.[79] De handel van de vroege middeleeuwen kende dan ook een verrassende dynamiek in de agrarische economie van die periode die slechts een geringe graad van commercialisering kende.[80]

De handel in de vroeg middeleeuwse periode moet vooral gezien worden als een middel ter bevoorrading van de elite met hooggewaardeerde prestigegoederen die tevens dienst deden als geschenken. Hierbij kan gedacht worden aan wapens, slaven, paarden en goud. Deze geschenken werden vaak uitgeruild in een vorm van een moreel bepaalde wederkerigheid, zoals tussen krijgsheer en krijger.[81]

Munten[bewerken | brontekst bewerken]

Een denarius, of denier, geslagen ten tijde van de regering van Karel de Grote

Om de toenemende handel in de zevende eeuw te ondersteunen werd in deze periode een nieuwe munt geïntroduceerd: de denarius, ook wel bekend als de penning. De invoering van deze munt bleek een succes te zijn, want in de achtste eeuw werden er een miljoen penningen geslagen. De zilveren penningen werden geslagen ten gevolge van een voortvloeiende afvloeiing van goud naar het oosten dat het gevolg was van een negatieve betalingsbalans. Deze zou omslaan in de beginjaren van de regering van Karel de Grote. Vanaf deze periode gingen grote hoeveelheden Arabisch zilvergeld richting het westen.[78]

Demografie[bewerken | brontekst bewerken]

Demografische ontwikkelingen[bewerken | brontekst bewerken]

De inhoud van een Merovingisch vrouwengraf uit de zesde eeuw afkomstig van het Vrijthof in Maastricht

De Volksverhuizingen en de pestuitbraken hadden tot gevolg gehad dat de bevolkingsdichtheid van Europa in de vroege middeleeuwen afnam. Volgens schattingen nam de bevolking met vijftig procent af in post-Romeins Gallië, Italië en Spanje. Sommige dichtbeboste gebieden zoals de Ardennen zouden zelfs geheel ontvolkt zijn geraakt. Lange tijd is aangenomen dat de gehele periode van de vroege middeleeuwen een periode was van bevolkingsafname en stagnatie, maar uit modern onderzoek blijkt dat er sprake was van een langzaam, maar gedurig herstel. Volgens schattingen zou de West-Europese bevolking tussen de jaren 600 en 1000 zich hebben verdubbeld, respectievelijk van ongeveer 12 miljoen naar 24 miljoen inwoners.[82] Deze cijfers zijn echter wel hypothesen over de bevolkingsgrote ten tijde van de vroege middeleeuwen, want statistische gegevens over deze periode ontbreken volledig.[83]

In het jaar 541 brak de Pest van Justinianus uit. Volgens Procopius begon deze ziekte in Egypte en verspreidde het van daar naar Alexandrië en Constantinopel. Uit onderzoek van de Franse arts en demograaf Jean-Noël Biraben bleek dat deze pestepidemie vooral een oost-mediterraans verschijnsel was. Deze epidemie had gevolgen voor het hele kustgebied van de Middellandse Zee, maar concentreerde zich voornamelijk in het oostelijk gedeelte. Ook Italië en Gallië werden door de ziekte geteisterd, maar niet zo heftig als de oostelijke kant. De epidemie volgde in haar verspreiding het spoor van de soldaten, matrozen en kooplui. Zodoende werden ook de drukbezochte Provence en het dal van de Rhône getroffen. Het grootste gedeelte van Aquitanië en Noord-Frankrijk zijn de dans ontsprongen. Na het jaar 600 kwam de pest uitsluitend nog voor in het oosten.[84]

Urbanisatie[bewerken | brontekst bewerken]

In de vroege middeleeuwen was er in zekere mate sprake van de-urbanisatie. De bevolking in de steden liep in de eerste eeuwen drastisch terug. De stad Rome, die in de eerste eeuw 1 miljoen inwoners had, kende een bevolking van een half miljoen in de vijfde eeuw en in de zevende eeuw lag het inwonertal nog maar tussen de 20.000 en de 40.000. Hiermee was de stad nog steeds de grootste stad van Europa, na Constantinopel.[85] In Italië was het urbane bewustzijn dan ook het grootst van Europa. Zo behielden de steden in Noord- en Midden-Italië haar dominantie ten opzichte van het platteland zoals ze die ook in de klassieke oudheid hadden. De grootste steden krompen weliswaar, maar de demografische verschuivingen waren in breder perspectief marginaal.[86]

Met name de voormalige Romeinse steden in Noord-Europa hadden te maken met een sterke achteruitgang in de vijfde en zesde eeuw. Meerdere steden lijken in deze periode volledig te zijn verlaten. Uitzonderingen hierop zijn zowel York als Canterbury die als bolwerken van de autoriteiten wisten te overleven. Ook in Noord-Frankrijk kenden de steden een algemene achteruitgang. De de-urbanisatie werd niet zo zeer veroorzaakt door een demografische achteruitgang. Het lijkt eerder het geval dat de steden hun aantrekkingskracht verloren en dat mensen daarom de steden verlieten voor het platteland. Op den duur veranderden enkele van deze landelijke dorpen naar handelsemporia.[87]

In het begin van de elfde eeuw was Constantinopel nog steeds de grootste stad van Europa met een waarschijnlijk inwoneraantal van 600.000 mensen. In het westen was Córdoba de grootste stad met zo'n 100.000 inwoners, maar de meeste Europese steden, zoals Keulen, Rome en Milaan, hadden op dat moment tussen de 30.000 en 40.000 inwoners. De aantallen van de westerse hoofdsteden Londen en Parijs lagen nog lager en bereikten pas aan het einde van de elfde eeuw 20.000 inwoners.[88]

Maatschappij[bewerken | brontekst bewerken]

Levensomstandigheden[bewerken | brontekst bewerken]

In de vroege middeleeuwen maakte het eten van vlees een grote opmars in Europa. Naast de jagende koningen aten de boeren ook meer vlees, met name varkensvlees. Het dieet was een gezonde mix van landbouwproducten van brood, vlees en verzameld voedsel zoals bessen en paddenstoelen. Er waren wel grote regionale verschillen, zo werd langs de kust meer vis gegeten dan landinwaarts en verhoudingsgewijs aten Zuid-Europeanen meer brood dan Noord-Europeanen.[89]

Slavernij[bewerken | brontekst bewerken]

De kleding van de slaven tussen de zesde en twaalfde eeuw, zoals vastgesteld door H. de Vielcastel.

Met het verdwijnen van het West-Romeinse Rijk in Europa verdween echter niet de slavernij op het continent. Mensen werden tot slaaf gemaakt door middel van onderlinge oorlogen tussen de vele volkeren. Daarnaast werd de slavenpopulatie aangevuld door mensen die in de armoede terecht kwamen en zodoende zichzelf verkochten.[90] De Longobardische monnik en historicus Paulus Diaconus maakte melding over de voortplanting van de Germanen en volgens hem was dat de reden dat "immense hoeveelheden slaven zo dikwijls worden weggevoerd uit het dichtbevolkte Germania en worden verkocht aan de mensen in het zuiden." Zo waren de Vikingen bekende slavenhandelaren. Door middel van epidemieën en opstanden van Afrikaanse slaven wendde de Arabische Wereld zich tot de slavenmarkten in het noorden en het westen. Ze betaalden goed voor deze arbeidskrachten. Een tot slaaf gemaakte bracht aan de overzijde van de Middellandse Zee driemaal zoveel op dan in het noorden.[91] Geleidelijk aan verplaatsten de slavenmarkten van West-Europa zich verder oostwaarts. Zo waren de steden Mainz, Praag en Venetië belangrijke exportplaatsen voor de slavenhandel.[92]

Lange tijd liet de katholieke kerk de slavernij in Europa ongemoeid, maar omstreeks het jaar 1000 kwam daar verandering in door de hervormingsbeweging die toen gaande was in de kerk. Er kwam een meer gereserveerde houding van de kerk tegenover de slavernij, vanwege dat het concubinaat en bastaardij veelvuldig voorkwamen met slavenvrouwen. In het continentale Europa greep deze beweging snel om zich heen en wist een einde te maken aan de slavernij. In het Angelsaksische Engeland werd deze gewoonte pas na de Normandische verovering van Engeland afgeschaft. Op een bepaald punt in de Angelsaksische geschiedenis bestond 10 procent van de bevolking uit tot slaaf gemaakte mensen. Volgens een andere schatting bedroeg deze zelfs 30 procent.[93]

Horigheid[bewerken | brontekst bewerken]

In de loop der jaren begonnen de grenzen te vervagen tussen de vrije en onvrije boeren en werden vele boeren lijfeigenen of horigen. Het is echter onbekend hoe de boeren hun zelfstandigheid kwijtraakten, maar in tegenstelling tot de slaven hadden de horigen wel bezit.[94] De horigheid, of lijfeigenschap, was erfelijk. Deze boeren waren in grote mate afhankelijk van hun heer en moesten verplicht iets van hun werk afdragen aan de heer in de ruil voor zijn bescherming. Met name in Frankrijk en Engeland waren de meeste boeren horigen. In Saksen daarentegen en andere delen van het huidige Duitsland waren de vrije boeren in de meerderheid en Italië varieerden de boeren van kleine landeigenaren tot pachters. De heren gingen soms over tot het tijdelijk verlichten van de verplichtingen van hun horigen om nieuw land te cultiveren door middel van het droogleggen van moerassen en het kappen van bossen. Andere heren gingen over om de diensten en de bijdrages om te zetten naar betalingen in geld. Ook de boeren profiteerden zelf hiervan omdat de betalingen vast lagen zonder een vorm van inflatie. Toen de prijzen van de landbouwproducten stegen konden boeren op kleine schaal gaan ondernemen en hun goederen op markten gaan verkopen.[95]

Naast hun werk voor de heren moesten de vroegmiddeleeuwse boeren ook hun kerkelijke tienden betalen. Deze belasting werd in de negende en tiende eeuw in een groot deel van christelijk Europa ingevoerd. De invoering van de tiende leidde tot verzwaring van de precaire levensomstandigheden op het platteland. In de regel belandde een groot deel van de tiende ook niet bij de groepen waarvoor ze bedoeld waren, maar kwamen ze terecht bij de adel die zich hiermee verder verrijkte.[96]

Feodalisme en vazalliteit[bewerken | brontekst bewerken]

Een nagebouwde vroeg middeleeuwse burcht in Kanzach, Duitsland

De Karolingische koningen hadden hun fideles, hun trouwe mannen die voor hen vochten. In de tiende eeuw werden koningen meer afhankelijk van deze afhankelijkheidsbanden en hadden ze vasalli (vazallen) nodig. Zij waren bewapende mannen die voor hun heer vochten. Soms was het zo dat deze ondergeschikten een stuk land van hun heer kregen die ze als beloning hadden gekregen voor hun militaire trouw. De terminologie die aan deze landgoederen werd gegeven was een leengoed (feodum), hieraan werd de term feodalisme ontleend. Deze term duidt op het sociale en economische systeem dat gecreëerd werd door de onderlinge relaties tussen heren, vazallen een leengoederen.[97]

In het feodale systeem kwam het ook voor dat een heer zowel vazal van een andere heer was als dat hij zelf vazallen had. De vazalliteit was vrijwillig en publiekelijk en in sommige regio's ging het ook gepaard met een ceremonie. Hierin knielde de toekomstige vazal, plaatste zijn handen tussen die van zijn heer en zei daarop: "Ik beloof u uw man te zijn". Deze woorden werden gevolgd door door de belofte van trouw die de vazal beloofde met zijn hand op een reliek of de Bijbel. Door deze ceremonie waren de vazal en de leenheer publiekelijk aan elkaar verbonden en hadden ze de wederzijdse verplichting om elkaar te helpen.[75]

Religie[bewerken | brontekst bewerken]

Christendom[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Geschiedenis van het christendom voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Frontispiece van het Sacramentarium Gelanasium. Dit christelijke liturgieboek werd vervaardigd tussen 628 en 715.[98]

Onder keizer Theodosius I werd het christendom tot staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk verheven. Hierdoor steeg het aantal christenen in het rijk vrij snel. Omstreeks het jaar 300 was 10 tot 25 procent van de totale bevolking van het rijk christelijk en aan het eind van de eeuw was deze verdubbeld. Het succes van het christendom werd versterkt door drie institutionele factoren die bepalend zijn geweest voor de richting waarin de kerk zich daarna ontwikkelde. Deze factoren waren de leidende rol die de keizer en de bisschop van Rome hadden, de snelgroeiende rijkdom van de kerk en de strakke bisschoppelijke organisatie die voortkwamen uit de laatantieke basiseenheden van het civiele bestuur, de civitates.[99]

De rijkdom van de kerk was deels afkomstig van de paganistische heiligdommen die de kerk overnam. Een ander deel van haar geldmiddelen was afkomstig van de schenkingen van koningen en keizers. Door dit kapitaal kon de kerk een centrale positie innemen in de maatschappij door verschillende vormen van weldadigheid te doen, zoals armen- en ziekenzorg. Hierdoor verkreeg de kerk haar morele gezag in de brede (onder)lagen van de vroege middeleeuwse maatschappij. De West-Europese aristocratie die veel geld schonk aan de kerk ging ook vaak over tot de stichting van hun eigen kerken en kloosters. Dit "eigenkerkensysteem" was wijdverbreid tijdens de vroege middeleeuwen.[100]

De geloofsleer van het christendom werd in de vroege middeleeuwen met enige regelmaat bediscussieerd, met name in het oosten. Vele hiervan gingen over de natuur van Christus. Zo meenden de Monofysieten dat Christus één goddelijke natuur had en hier tegenover stonden de Nestorianen die geloofden dat hij een menselijke natuur had. Op hun beurt stelden de Arianen dat Jezus Christus en de Heilige Geest niet gelijk waren aan God de Vader. Deze beide zienswijzen over de goddelijke natuur, het nestorianisme en arianisme, werden op het Concilie van Chalcedon in 451 tot een dwaalleer verklaard. Ondanks hun veroordeling zouden deze beide "dwaalleren" eeuwenlang het standaardgeloof blijven van christelijke minderheden in Afrika en Azië.[101]

De kerk van Rome[bewerken | brontekst bewerken]

Paus Gregorius de Grote, zeventiende-eeuws portret geschilderd door Matthias Stom.

In de kerkelijke hiërarchie stonden er boven de metropolitanen, de latere aartsbisschoppen, de patriarchen. Deze naam was bij hij het Eerste Concilie van Nicea toegekend aan de bisschoppen van de grootste steden van het Romeinse Rijk. Er ontstond al snel een strijd om de hoogste positie die gewonnen werd door de bisschoppen van Rome, de pausen. Zij beriepen zich op de bijzondere plaats van Rome in de christelijke heilsgeschiedenis, namelijk als sterfplaats van de apostel Petrus. De pausen presenteerden Petrus als de eerste paus en beriepen zich erop zijn opvolgers te zijn. Damasus I en Leo I waren belangrijke pausen in het vestigen van het primaatschap van de bisschoppen van Rome.[102]

Naast hun religieuze positie als bisschop van Rome hadden de pausen ook wereldlijke macht en waren ze in de zesde eeuw de machthebbers over de stad Rome. Onder Paus Gregorius I werd de fundering gelegd voor de latere seculiere en religieuze invloed die de pausen zouden hebben. Ten tijde van het pontificaat van Gregorius werd de paus de grootste landbezitter van Italië en organiseerde hij de verdediging van de stad Rome.[103]

Toen de Byzantijnse keizer in de achtste eeuw zijn macht over Rome verloor raakte hij ook zijn macht over de paus kwijt. Daarnaast waren er een paar ontwikkelingen in gang gezet waardoor de verwijdering tussen de keizer in Constantinopel en de paus in de eeuwen die volgden nog groter werd. Dat was de Byzantijnse aantasting van het kerkelijk bezit in Zuid-Italië, de voorkeur van enkele Byzantijnse keizers voor het iconoclasme en daarnaast ook het gebrek aan bescherming wat de Byzantijnen konden bieden tegen de Longobarden. Hierom zochten de pausen naar een nieuwe bondgenoot en beschermer en deze vonden ze deze in de Karolingen. Pepijn de Korte erkende de Kerkelijke Staat, dat indertijd bestond uit wat gebieden rondom de steden Ravenna en Rome.[104]

Monasticisme[bewerken | brontekst bewerken]

De basiliek van de Abdij van Bobbio die in 614 werd gesticht door Columbanus

Het christelijke monnikenleven ontstond aan het einde van de derde eeuw in Egypte en Palestina en in deze vroegste vorm was het monnikenleven nog een kluizenaarsbestaan.[105] Een van de eerste monniken die een kloostergemeenschap stichtte was Basilius van Caesarea en zijn gemeenschap zou model komen te staan voor de eerste kloosters in Klein-Azië. Tevens zorgde hij ervoor dat de monastieke beweging onder de kerkelijke hiërarchie kwam te vallen. Waarschijnlijk speelde bisschop Hilarius van Poitiers een belangrijke rol van het overbrengen van de oosterse monastieke gebruiken naar West-Europa. Hij was een belangrijke mentor van Martinus van Tours die uitgroeide tot een belangrijk figuur in het vroege kloosterleven in westen. Tegen de vijfde eeuw was de ascetische traditie vanuit het oosten overgebracht naar West-Europa en kreeg het kloosterleven vaste voet aan de grond.[106]

Een van de belangrijkste vormgevers van het kloosterleven was Benedictus van Nursia. Deze Italiaanse monnik was verantwoordelijk voor het opstellen van de Regula Benedicti, zijn kloosterregel. Zijn regel kreeg grote bekendheid door de hagiografie die paus Gregorius de Grote over hem schreef. Voor vele eeuwen zou de Regel van Benedictus de standaardvoorschriften van het leven in de Europese kloosters bepalen.[107] In de loop der eeuwen verwaterde de handhaving van Benedictus' kloosterregel en dit noopte tot hervormingen. Verscheidene kloosters hervormden in de tiende eeuw, maar de grootste hervormer van die tijd was de Orde van Cluny. De orde zou aan het einde van de elfde aan het hoofd staan van een omvangrijk kloosterimperium. Het was een broedplaats voor toegewijde prelaten en een leerschool voor vrome vorsten. Tevens zou de orde aan de wieg staan van de Gregoriaanse hervorming van het pausschap in de elfde eeuw.[108]

Kerstening[bewerken | brontekst bewerken]

De doop van Clovis, miniatuurafbeelding uit de veertiende-eeuwse Grandes Chroniques de France.

Het christendom was een religie die gericht was op het bekeren van anderen tot het ware geloof. Deze missioneringsdrang vindt zijn oorsprong in de Bijbel, maar pas na 311 kwam de missiedrang van de christenen op gang. De kerkvader Augustinus schreef dat de kerk niet beperkt moest blijven tot de beschaafde wereld van het Romeinse Rijk en dat daarom ook de barbaarse heidenen tot het ware geloof van de kerk gebracht moesten worden. Hij tekende hier wel bij op dat hij een tegenstander was van bekering door geweld. Ongelovigen moesten overtuigd worden.[109]

Door de invallen van de vele volkeren ten tijde van de Volksverhuizingen werd het christendom enige tijd teruggedrongen in Europa. Deze volkeren lieten zich vrij snel bekeren tot het christendom, zo bekeerden de Goten zich al vóór het jaar 400. Een van de bekendste bekeerlingen was de Frankische koning Clovis I omstreeks 500. Door deze daad waren zijn krijgers en volgelingen genoodzaakt om dit voorbeeld te volgen. De bekering hield in deze dus niet een individuele getuigenis van geloof in, maar was een collectieve actie binnen een clientèlesysteem.[110] Het kwam met enige regelmaat voor dat koningen en de aristocratische elite zich bekeerden uit politiek opportunisme om op die manier politieke allianties te sluiten. Het bekeringsbeleid vanuit het Frankische Rijk ging wel gepaard met geweld. Hun militaire onderwerping van regio's en volkeren gingen gepaard met gedwongen kerstening. Tot de eerste slachtoffers van deze methode behoorden de Friezen en de Saksen. Het bekeringswerk in deze gebieden werd meestal ondernomen door Angelsaksische missionarissen, zoals Willibrord en Bonifatius, en zij deden dat vaak in het gezelschap van Frankische bescherming.[111]

De kerstening was ook een vorm van competitie tussen de Franken en het Byzantijnse Rijk die beiden politieke invloed zochten in Oost-Europa. Toen de Moravische vorst Rastislav verdere autonomie van de Franken wilde zocht hij naar de steun van Byzantium. De latere heiligen Cyrillus en Methodius trokken erop uit om hem te bekeren en ze stelden ook een nieuw alfabet samen dat aansloot op de Slavische talen. Het Oudkerkslavisch was een belangrijk wapen in de kerstening van de Slavische bevolking in Oost-Europa.[112]

De Franken ondernamen ook pogingen om Scandinavië te kerstenen, maar deze liep al snel vast. Pas in de tiende eeuw zou de kerstening van de Scandinavische volkeren zich voltrekken. In 960 bekeerde de Deense koning Harald Blauwtand zich en deze hield stand door de militaire successen die deze koningen maakten. Waar de koningen en de aristocraten snel werden bekeerd duurde dit langer bij het gewone volk. Nog in de twaalfde eeuw werden er nog heidense rituelen in Scandinavië uitgevoerd. Ook de bekering van de Wenden, ten oosten van de Elbe, zou pas in de twaalfde eeuw voltooid worden. Met de bekering van de Magyaarse vorst Stefanus was bijna heel Europa in het midden van de elfde eeuw overgegaan tot het christendom.[113]

Islam in Europa[bewerken | brontekst bewerken]

Het interieur van de Mezquita van Córdoba

Na de dood van Mohammed werd de islamitische gemeenschap geleid door de kaliefen. Toen de derde kalief Oethman ibn Affan aan het hoofd kwam van het Arabische Rijk ontstond er een onderlinge strijd in het rijk waarin de kalief vermoord werd. De tegenstand tegen Oethman werd geleid door Ali ibn Aboe Talib, een neef van Mohammed, die na de dood van Oethman ook kalief werd. Toen hij op zijn beurt weer stierf kwam het kalifaat in de handen van de Omajjaden, de familie van Oethman. De volgelingen van Ali vergaten hun leider niet en vormden een nieuwe stroming binnen de islam. Zij kwamen bekend te staan als de Sjieten. De kaliefen en de andere moslims die trouw bleven aan de Omajjaden kwamen bekend te staan als de soennieten.[114]

Ook binnen de Europese aanwezigheid van de moslims was de scheiding tussen deze geloofsstromen zichtbaar. De soennitische Ommajjadendynastie wist de Abbasidische dynastie te overleven toen een telg uit dit geslacht, Abd al-Rahman I, het Emiraat Córdoba stichtte. De bevolking van het Emiraat Córdoba bestond omstreeks het jaar 900 voor het merendeel uit christenen en joden. Slechts 25 procent van de bevolking was moslim en eeuw later was een derde van de bevolking islamitisch.[115] De joodse en christelijke bevolking werden zwaar belast door de heersers van Córdoba en mede door dit geld werd de Mezquita in de hoofdstad gebouwd. Sommige moslimmannen in het emiraat namen christelijke vrouwen en de religieuze praktijken in het gebied zouden een beetje met elkaar versmelten.[116]

Op Sicilië had aanvankelijke de soennitische versie van de islam zijn intrede gedaan onder de Aghlabiden. Na de machtsovername van de sjiitische Fatimiden werden de soennieten, die de grootste groep moslims vormden op Sicilië, op het eiland onderdrukt door de nieuwe machthebbers.[44] In de Fatamidische periode werd het eiland door moslims gezien als een achtergesteld gebied, vanwege de gemixte bevolking en gebruiken die Griekse elementen kende.[117] Het eiland was rijk aan vele moskeeën, zo telde de islamitische reiziger Ibn Hawqal alleen al in Palermo driehonderd islamitische gebedshuizen. Latere schrijvers hebben ook geschreven over de bloeiperiode van de islamitische cultuur op het eiland. Hier is echter weinig van overgebleven.[45]

Wetenschap en onderwijs[bewerken | brontekst bewerken]

Geletterdheid[bewerken | brontekst bewerken]

Folio 309r uit het Ierse Book of Kells

Lange tijd overheerste er een beeld van groot analfabetisme in de vroege middeleeuwen en in de laatste twintig jaar van twintigste eeuw is dit beeld veelvuldig aangevallen door historici. Zo stelde de historica Rosamond McKitterick dat niet alleen de kerkelite kon lezen en schrijven, maar ook dat meerdere leken in de achtste en negende eeuw in het Karolingische Rijk dat konden. In Zuid- en Midden-Europa was er sprake van een schriftelijke traditie, maar in het noorden en dan met name in de Keltische en Germaanse gebieden was de mondelinge traditie nog het sterkst. Het gros van de vroeg middeleeuwse samenleving had echter wel een sterke mondelinge traditie. Zo was het pauselijk hof in Rome in deze periode het meest geletterde van Europa en ook de vorstelijke hoven van de Gallische, Hispaanse en Italiaanse rijken waren behoorlijk geletterd.[118]

Onderwijs[bewerken | brontekst bewerken]

Dankzij de keizerlijke patronage floreerde het Romeinse onderwijssysteem in de nadagen van het rijk en was Gallië in de vierde eeuw een centrum van educatie. Met de barbaarse invallen leek het Romeinse onderwijs in deze landen te verdwijnen. Toch zijn er verschillende aanwijzingen dat het seculier onderwijs in Gallië niet compleet verdween na de komst van de Franken. Zo waren er verschillende docenten nog actief in de stedelijke centra van Zuidoost-Gallië.[119] Het kerkelijk onderwijs deed in deze periode ook zijn intrede. Bisschoppen stichtten scholen bij hun kathedralen om de priesters voor hun diocees op te leiden. Ook de kloosters kenden scholen waar de jonge leden van de orde in opgeleid werden.[120] Leerlingen kregen op de kathedraal- en kloosterscholen les volgens het systeem dat Cassiodorus had geïntroduceerd in zijn Institutiones. In het tweede deel van dit werk legde hij de basis voor de zeven vrije kunsten. Deze waren opgedeeld in het trivium en quadrivium en de vakken die hiertoe behoorden waren grammatica, dialectica, retorica (trivium), aritmetica, geometria, musica en astronomie (quadrivium).[121]

Astrologie als wetenschap[bewerken | brontekst bewerken]

In de vroeg middeleeuwse ideeënwereld kwam astrologie op als een belangrijk wetenschappelijk terrein. De astrologie werd door de intelligentsia van de middeleeuwen geassocieerd met de astronomie en dit is iets wat in verschillende geschriften terugkomt. In de Etymologiae van Isidorus van Sevilla geeft deze bisschop een definitie aan deze begrippen. Hij omschreef astrologie als de leer van de krachten die op een of andere manier verband houden met de bewegingen van hemellichamen. Hierin maakte Isidorus ook een onderscheid in twee verschillende soorten astrologie: de "natuurlijke" en de "bijgelovige". De natuurlijke gaf volgens hem commentaar op de met de loop van de tijd veranderende bewegingen van de hemellichamen en de bijgelovige was daarentegen gericht op directe voorspellingen. Deze laatste moest dan ook volgens Isidorus veroordeeld worden. Doordat een deel van de astrologie door Isidorus werd toegelaten zou op den duur meer astrologie geaccepteerd worden, ook de door hem zo verfoeide bijgelovige variant. Later zou bijvoorbeeld Eligius maansverduisteringen verklaren aan de hand van Gods macht. Zo zou God de maan hebben geschapen als tegenwicht voor de duisternis. Op deze manier werd heidense het bijgeloof van de zevende en achtste langzamerhand veranderd in christelijk bijgeloof.[122]

Karolingische renaissance[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Karolingische renaissance voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Een pagina van het manuscript Vita Sancti Martini de Sulpice Sévère opgesteld met de Karolingische minuskel

Het Karolingische hof van Karel de Grote was een belangrijke aanjager van een aantal wetenschappelijke ontwikkelingen in het begin van de negende eeuw. Een van de belangrijkste geleerden uit deze periode was Karels raadsheer Alcuinus die door de Frankische koning uit Engeland was gehaald om zijn paleisschool te leiden. Karel de Grote verordonneerde dat de kathedralen en kloosters in zijn rijk lezen en schrijven moesten leren aan eenieder die kon leren.[123] Belangrijke centra van educatie in deze tijd waren de paleisschool van Aken en de kloosters van Sint-Maarten in Tours en de abdij van Fulda. De kloosters startten ook bibliotheken door het vele kopiëren van oude teksten zoals de klassieke Latijnse literatuur van Cicero, Julius Caesar en Horatius.[124]

Naast Alcuinus haalde Karel de Grote ook andere intellectuelen naar zijn hof en onder hen bevonden zich Theodulf van Orléans en Einhard. Karel de Kale liet zich op zijn beurt adviseren door Hincmar van Reims, de Ierse Johannes Scotus en Hrabanus Maurus. Deze denkers waren verantwoordelijk voor een massa aan nieuwe geschriften zoals Bijbelse commentaren, theologie, poëzie en geschiedenis. Daarnaast schreef Dhuoda, de vrouw van Bernhard van Septimanië, een handboek vol met adviezen en vermaningen die ze uit de Bijbel de klassieke teksten had ontleend.[125]

Gouden eeuw van Al-Andalus[bewerken | brontekst bewerken]

Een groot centrum van de wetenschap in Europa was de islamitische stad Córdoba. De stad telde zeventig openbare bibliotheken, naast de privébibliotheek van de kalief. Daarnaast stonden er dertig vrije scholen in de stad en was de moskee van Córdoba een belangrijke plaats voor wetenschappers uit de gehele islamitische wereld. In de stad namen ook vrouwen deel aan het wetenschappelijke en culturele leven. Zo waren ze actief als dokters, docenten, bibliothecarissen en als kopiisten.[126] Belangrijke wetenschappers uit deze periode waren de joodse arts ibn Shaprut, de astronomen al-Majrati en Ibn al-Saffar en de historici Ibn al-Qūṭiyya en al-Zubaydi.

Door de culturele interactie tussen Al-Andalus en de christelijke rijken in het noorden van het schiereiland verspreidde de kennis van de teksten uit Córdoba ook in deze richting. De Franse monnik Gerbert van Aurillac studeerde aan het klooster van Santa Maria de Ripoll in Catalonië en kwam aldaar in aanraking met de uit het Arabisch vertaalde teksten en bekwaamde zich zo in de astronomie en wiskunde.[127] De kennis die hij in Iberië had opgedaan nam hij mee toen hij aan de leiding kwam van de kathedraalschool van Reims. Zo introduceerde hij onder andere Arabisch-Indische cijfers in christelijk Europa.[128]