Pruisen (volk)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De vestigingsgebieden van de Baltische stammen rond 1200; West-Balten in groen.

De (Oude) Pruisen, ter onderscheiding van de latere Pruisen beter als Pruzzen aan te duiden, waren een Baltische stam die het gebied ten zuidoosten van de Oostzee bewoonde, tussen de monding van de Wisła (Weichsel) en het Koerse Haf (Kurische Nehrung). Hun taal was het Oudpruisisch. In de loop van de 13e eeuw werden ze overwonnen door de ridders van de Duitse Orde, en de eeuwen daarna volgde een geleidelijke germanisering voor zover zij in Oost-Pruisen woonden of een polonisatie in hun woongebieden voor zover deze binnen het Poolse koninkrijk terecht kwamen. De voormalige staat Pruisen ontleende weliswaar zijn naam aan deze Baltische stam, maar de staat zelf heeft daarmee geen historische binding. Zij werd geleid werd door de Duitse Orde, dat wil zeggen door adel en stedelijke burgerijen uit het Duitse Rijk en door de nakomelingen van de oude Pruisen voor zover dezen als gegermaniseerde landadel een rol bleven spelen. (Zie Pruisische Junker). Het gebied dat de Pruzzen bewoonden komt ongeveer overeen met het centrale en zuidelijke deel van het voormalige Oost-Pruisen. Na de Tweede Wereldoorlog is het gebied opgedeeld tussen Rusland (westelijk deel oblast Kaliningrad) en Polen (oosten van de woiwodschap Pommeren en de woiwodschap Ermland-Mazurië). Tussen 1944 en 1948 werden vrijwel alle bewoners, inmiddels Duitsers maar vermoedelijk wat hun afkomst betreft voor een derde van Pruzzische origine, verdreven. Zij zijn vervangen door Polen en Russen van elders zodat er geen bevolkingscontinuïteit met de Pruzzen meer bestaat. (Zie Verdrijving van Duitsers na de Tweede Wereldoorlog).

Etymologie[bewerken]

De namen van de Pruisische stammen waren gebaseerd op de kenmerken van hun respectieve landschappen. De meeste namen waren gebaseerd op water, wat aannemelijk is voor een land met vele meren, stromen en moerassen. Dit landschap werkte de isolatie van de Baltische taalgroep in de hand. In het zuiden loopt dit gebied over in de Pripjatmoerassen, die gedurende millennia een doeltreffende buffer vormden.

De vóór-Baltische bevolking vernoemde haar nederzettingen doorgaans naar stromen, meren, zeeën of bossen waaraan de nederzetting zich bevond. De stam waarin men zich organiseerde ontleende zijn naam aan de nederzettingen. Barta bijvoorbeeld, de heimstee van de Barten (zie ook Bartoszyce, Duits: Bartenstein), is nauw verwant aan de naam van de rivier de Bartis, in Litouwen en verder verwant aan het Albanese berrak en het Bulgaarse bara, die beide "moeras" betekenen. Zo kan de wortel *bor- (moeras) gereconstrueerd worden, die afkomstig is van het Indo-Europese *bher-. Het Proto-Indo-Europees heeft meerdere *bher- wortels, maar de exacte betekenis van deze is vooralsnog onduidelijk. Het is misschien de wortel die voorkomt in de benaming Prusa (Pruzzen, Pruisen), waarvan een nog vroeger Brus- (Borussen) gevonden werd in een kaart van de "Beierse Geograaf".

De naam Pameddi (de stam uit Pomesanië) is afgeleid van de woorden pa (bij) en meddin (bos) of meddu (honing). Nadruvië zou een samenstelling zijn van de woorden na (op) en drawē (hout) of de wortel *dhreu- (stroom). De naam van de Barten, een Pruisische stam en de naam van de rivier de Bārta in Letland zijn waarschijnlijk cognaten.

In de 2e eeuw voor Christus vermeldde de geograaf Claudius Ptolemaeus de Borusci, die in Europees Sarmatië leefden, en van Germanië gescheiden waren door de Wisła (Weichsel). Zijn kaart is verwarrend in dit gebied, maar de Borusci lijken verder oostwaarts geleefd te hebben dan de Pruzzen.

de Pruzzische toponymie was voor een groot deel, zij het in verduitste vormen, blijven bestaan. Na 1945 zijn alle namen in Poolse veranderd, de Duitse zijn geheel vervangen, sommige Pruzzische oervormen werden in verpoolste gedaante gehandhaafd. In de Oblast Kaliningrad zijn geheel nieuwe onhistorische Russische namen ingevoerd.

Vroege geschiedenis[bewerken]

Aan het begin van de Baltische geschiedenis was het gebied van de Oude Pruisen omgeven door de Wisła en de Memel, met een zuidelijkste punt in de omgeving van Toruń, dat overigens tot het Kulmerland behoorde en deel van het Poolse hertogdom Mazovië was, en de rivier de Narew. De Kasjoeben zaten in het westen, de Polen in het zuiden, de Sudoviërs (die soms als een apart volk, soms als een Pruisische stam beschouwd worden) in het oosten, de Koeren in het noorden en de Litouwers in het noordoosten.

Net als de andere Balten waren de Oude Pruisen georganiseerd in een stammenstructuur. Deze structuur wordt het meest volledig beschreven in de Chronicon terrae Prussiae van Peter van Dusburg, een priester van de Duitse Orde. Dit werk dateert uit 1326, en er worden elf landen en tien stammen in beschreven, die alle vernoemd zijn naar geografische elementen. Deze waren:

  1. Pomesanië (Litouws Pamedė, gereconstrueerde Pruisische naam Pameddi)
  2. Ermland of Warmië (Litouws Varmė, gereconstrueerde Pruisische naam Wārmi)
  3. Pogesanië (Litouws Pagudė, gereconstrueerde Pruisische naam Paguddi)
  4. Natangen (Litouws Notanga)
  5. Samland (Litouws Semba)
  6. Nadrauen (Litouws Nadruva)
  7. Bartië (Litouws, Oudpruisisch Barta)
  8. Schalauen (Litouws Skalva)
  9. Sudauen (Litouws Sūduva, gereconstrueerde Pruisische naam Sūdawa)
  10. Galindië (Litouws, Oudpruisisch Galinda)

Peter van Dusburg vermeldde dat het elfde land, Kulmerland, in het zuidwesten van Pomesanië, nauwelijks door Pruzzen bewoond was. Na de Duitse verovering werd het land bijna helemaal verdeeld volgens de grenzen van deze gebieden. Er werd echter een twaalfde land, Sassen, toegevoegd.

Middeleeuwse geschiedenis[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook: Duitse Ordensstaat

De eerste historische bron waarin de Pruzzen worden vermeld wordt in verband gebracht met Adalbert van Praag, die in 997 gedood werd in een poging de Pruisen tot het Christendom te bekeren. Na een nieuwe mislukte poging op gezag van de Poolse vorsten in 1009 werd afgezien van missionering. Ruim twee eeuwen later werd opnieuw en nu een definitieve kruistocht ondernomen om de laatste (Baltische) volkeren in Europa, die nog geen Christen waren, te bekeren. Het begon ermee dat in de jaren 1220 hertog Koenraad I van Mazovië externe hulp zocht om de toenemende rooftochten van de Pruzzen de baas te kunnen worden. De ridders van de Duitse Orde wilden hem bijstaan en tegelijk een eigen staat stichten op nog te veroveren Pruzzisch gebied. Hoewel de Pruzzen zich met aanvankelijk succes verbonden met Russische vorsten, werden ze uiteindelijk overwonnen door de Duitse Orde na een bloedig conflict van enkele decennia in de 13e eeuw. Na aanvankelijke en zich stapsgewijs naar het noorden uitbreidende veroveringen braken opstanden ut die werden neergeslagen. Van de aanvankelijk 130.000 Pruzzen is dan na de definitieve pacificatie van Oost-Pruisen de helft tot driekwart overgebleven.

Pruzzen werden gekerstend onder gezag van het Aartsbisdom Maagdenburg, 'met het zwaard' door de ridders van de Duitse Orde. Het land van de Pruzzen werd bevolkt door kolonisten uit het Duitse Rijk, voor een deel ook uit de Nederlanden afkomstig. Pruzzen en Duitsers gingen in elkaar op en waren na de 17de eeuw niet meer afzonderlijk te onderscheiden. Na de middeleeuwen vestigden zich ook Polen en Litouwers respectievelijk in het zuidelijke en oostelijke deel van Oost-Pruisen, toen dat door oorlogen, epidemieën en hongersnood ontvolkt was geraakt. Ook de Litouwers en Polen (Mazoeren) werden, maar dan in de 19de eeuw en dus enkele eeuwen later, gegermaniseerd, hoewel delen van hun nog tot 1945 als etnische minderheden bleven voortbestaan.

De monniken van de Duitse Orde vertoonden interesse in de taal van de Oude Pruisen, en probeerden haar te documenteren, want de kennis van het Oudpruisisch was nodig om hen te bekeren. Hierdoor zijn er enkele fragmenten van de taal overgebleven, samen met enkele fragmenten van het Galindisch en het Sudovisch. Dit is echter alles wat er overblijft van de schriftelijke neerslag van de West-Baltische talen. Zoals verwacht kan worden is dit een zeer archaïsch Baltisch, dat enkele overeenkomsten vertoont met het Oergermaans en het Oerslavisch. Het Oudpruisisch is tevens een bewijs voor het (vroegere) bestaan van een gemeenschappelijke Balto-Slavische taal.

De Duitse Orde werd geleidelijk aan verslagen door de Pools-Litouwse Unie gedurende de 15e eeuw. In 1525 seculariseerde Albrecht van Brandenburg als laatste Grootmeester van de Duitse Orde de Pruisische gebieden tot het Hertogdom Pruisen. Tijdens de reformatie werd het lutheranisme ingevoerd als officiële kerk va het Hertogdom Pruisen, maar in de inmiddels door Polen ingeijfde provincie West-Pruisen of Koninklijk Pruisen en in het bisdom Ermland, dat direct onder de Poolse Kroon viel, bleef het katholicisme overeind. Door de komst van het protestantisme in het hertogelijk deel van Oost-Pruisen kreeg din plaats van het Latijn de volkstaal een centrale plaats tijdens kerkdiensten. Albert, alhoewel hij de Poole koning als leenheer had aanvaard, wist de Lutherse landskerk tegen de contrareformatie te beschermen en in 1545 en 1561 de catechismus te vertalen in de eigentijdse modernere vorm van het Oudpruisisch.

Tengevolge van de assimilatie van de Oude Pruisen onder Duitstaligen, Poolstaligen en ook de aan hen verwante Litouwers stierf het Oudpruisisch tegen het einde van de 17e eeuw uit. Op het Oostpruisische platteland vermengden zij zich al aan het einde van de Middeleeuwen met kolonisten uit verschillende delen van het Duitse Rijk. In de steden kregen zij tot in de 16de eeuw geen toegang tot het burgerschap, dat voorbehouden bleef aan 'Duitsers', overigens in de ruime zin want kolonisten uit de Nederlanden behoorden daar ook toe. Zie Oostkolonisatie. Vertalingen van de Bijbel, Oudpruisische gedichten en enkele andere teksten overleefden, waarmee filologen hun taal hebben kunnen reconstrueren.

Bronnen[bewerken]

  • Aleksander Pluskowski: The Archaeology of the Prussian Crusade. Abingdon 2013.
  • Hartmut Boockmann: Ostpreußen und Westpreußen. Siedler, Berlin 2002, ISBN 3-88680-772-X (= Deutsche Geschichte im Osten Europas).