Germanisering

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Het begrip germanisering kent als equivalent in het Duits naast ‘’Germanisierung’’ ook ‘’Eindeutschung’’. In modern Nederlands kan in plaats van germanisering eveneens verduitsing gebruikt worden. Daarbij dient men te bedenken dat 'verduitsen' in ouder Nederlands heel wat anders betekent, namelijk overbrengen, verbeteren, vertalen in het Nederlands (Nederduits). 17de eeuwse Nederlandse literatoren noemen hun taal vaak 'Duytsch' en ook de letterkundige Jacob van Lennep deed dat in 1944 in zijn 'Proeve eener verduitsching' van de Nederlandse grondwet', die sinds 1814 in een weinig toegankelijk archaïsch Nederduits was gesteld en door hem nu verbeterd werd. Afhankelijk van de tijdsperiode waarin men het begrip gebruikt kan 'germanisering' slaan op voornamelijk een taal-cultureel evolutieproces, dan wel een doelbewust uitgevoerd bestuurlijk-politiek proces. In beide gevallen betekent het begrip de overgang van anderstalige bevolkingsgroepen op de Duitse taal (talen) en cultuur en de daarmee verbonden culturele, later ook nationale identiteit. In het extreme geval van de nationaalsocialistische ordeningspolitiek kon germaniseren ook betekenen dat niet-Duitse bevolkingsgroepen verwijderd en door Duitsers vervangen werden (zie etnische zuivering). De culturele en politieke dominantie van Duitse staten, later met name van Pruisen en Oostenrijk, heeft al vanaf de 12de eeuw en beoosten de Elbe grote delen van volken die een Slavische of Baltische taal spraken ertoe gebracht om over te gaan op het Duits in een van zijn vele varianten, Nederduits inbegrepen. Een belangrijke intermediaire rol speelden daarbij de grote aantallen kolonisten uit de vele gebieden (de Nederlanden inbegrepen) die onder het Heilige Roomse Rijk, ook wel Duitse Rijk genoemd, vielen. Deze kolonisten vestigden zich in oorspronkelijk Slavische gebieden, als stadsbewoners, maar ook op het platteland als ontginners van woeste gronden: bossen, heidevlakten en moerassen, en als mijnbouwarbeiders. De versmelting van oorspronkelijke en nieuwe bewoners duurde enkele eeuwen en nam vaak de vorm aan van het ontstaan van een gemeenschappelijke nieuwe gewestelijke Duitse taalvariant: Mecklenburgs, Pommers, Oostpruisisch, Silezisch. Dit proces zette zich voort in de Nieuwe Tijd maar pas na 1800, in de Moderne Tijd, kreeg de verduitsing een cultuurpolitieke doelstelling in het kader van de door de staat gewenste taal-culturele homogeniteit. Vooral Pruisen legde met zijn onderwijs- en bestuurstaal verduitsing op aan Poolssprekende minderheden in zijn oostelijke provincies: West-Pruisen, Posen, Opper-Silezië. In een beperktere betekenis kan men ook de vervanging door nieuwe Duitse van niet-Duitse woorden in het Hoogduits als germanisering of verduitsing aanmerken. Dit 19de-eeuwse taalpurisme werd extreem doorgevoerd in de nationaalsocialistische periode waarin woorden die uit het Latijn (eventueel via het Frans) in het Duits waren opgenomen werden verwijderd om door oudere of nieuw geconstrueerde vormen vervangen te worden. Voor het Nederlandse taalgebied geldt dat taalpurisme niet, althans niet meer, als 'verduitsing' kan worden aangemerkt. Als Duitse woorden geleend en vertaald worden om het zogenaamd Germaanse karakter van het Nederlands te bewaren of versterken, zou het overdreven zijn om van germanisering te spreken en wordt van 'Germanismen' gesproken.

Germanisering is samengevat een proces waarin de Duitse, meer in het bijzonder Hoogduitse taal, cultuur en gewoonten worden overgenomen, al dan niet onder druk opgelegd. Dat laatste was de kern van de taalpolitiek in het Duitse Keizerrijk en Oostenrijk-Hongarije, althans Oostenrijk.

In de moderne tijd wordt germanisering gezien als synoniem van verduitsing, maar historisch klopt dat gebruik niet helemaal: vernederlandsing en verengelsing kunnen eveneens gezien worden als het overstappen op een Germaanse taal, omdat de historische taalkunde beide talen als Germaanse talen kwalificeert. Onder de ruimere noemer van germanisering zou dan de taalkundige verengelsing/anglicering van Ierland en van de Schotse Hooglanden vallen maar de term wordt in die context nooit gebruikt.

Oudheid[bewerken]

De eerste germanisering vond plaats in de tweede eeuw v.Chr. in de latere Nederlanden en Noordwest-Duitsland. In de eeuwen daarop werd het gebied tot de Rijn geleidelijk Germaans. Ten zuiden en westen daarvan werd de germanisering door de komst van de Romeinen gestopt en vervangen door romanisering. Na het wegvallen van het Romeinse gezag trokken vele Gallo-Romeinen weg en vestigden Germaanse volken, voornamelijk Franken en Bourgondiërs, zich in het noorden van Gallië, dat daardoor hergermaniseerde. Er ontstond een Germaans-Romeins menggebied. De talen van de verschillende stammen ontwikkelden zich uiteindelijk tot een Germaanse eentaligheid in het noorden en een Romaanse eentaligheid in het zuiden, met als gevolg dat er vanaf de achtste eeuw een taalgrens, eerst nog met het karakter van een een taalzone, viel waar te nemen. Deze periode eindigde met grote volksverhuizingen van met name Germaanse stammen.

Middeleeuwen[bewerken]

Vanaf de middeleeuwen hadden Duitstaligen zich in Oost-Europa gevestigd. Deze germanisering breidde zich van Duitsland en Oostenrijk uit over door Slavische en Baltische volken bewoonde gebieden in wat tegenwoordig Polen, Rusland, Estland, Letland, Litouwen, Tsjechië, Slowakije, Slovenië, Roemenië en Hongarije is. Duitse kolonisten gingen op grote schaal tussen de Elbe en de Weichsel (Wisla) wonen en vermengen zich met de autochtone volken, die zich gaandeweg in taal en cultuur aan de nieuwkomers aanpasten. In het noordoosten ging dat tot door tot in de steden van de Baltische landen en zuidoostwaarts tot in Opper-Silezië en incidenteel verder oostwaarts langs de Karpaten. De steden stonden lange tijd sterk onder de invloed van een Duitstalige burgerlijke cultuur.

19e eeuw[bewerken]

In de 19e eeuw kwam het begrip natiestaat in opkomst en begonnen de Europese landen een actieve taalpolitiek te voeren. Pruisen had na de derde Poolse deling een grote Poolse minderheid binnen zijn grenzen. Vanaf 1873 was in de provincies Posen en West-Pruisen alleen nog onderwijs in het Duits toegestaan behalve wat betreft de godsdienstlessen, die twintig jaar later ook verplicht in het Duits moesten worden gegeven. Vanaf 1876 werd ook de rechtspraak uitsluitend Duitstalig. Het Duitse Keizerrijk voerde een actieve politiek van germanisering, in genoemde Poolstalige provincies en ook in het noorden van (Sleeswijk-Holstein), waar een Deense minderheid woonde en in Elzas-Lotharingen voor zover daar Frans werd gebruikt. Al eerder in de 19de eeuw was het gebruikelijke Nederlandstalige onderwijs in Oost-Friesland, de Graafschap Bentheim en Kleverland al vervangen door de Pruisische en Hannoveraanse overheid.

In Oostenrijk-Hongarije was de situatie anders: het betrof hier een veelvolkenstaat waar naast het Duits en het Hongaars, althans wat de dagelijkse omgangstaal betreft, ook plaats was voor andere talen. Desondanks werd er onder de Sloveense minderheid van Karinthië een 'germanisering' doorgevoerd die vandaag de dag in deze Oostenrijks gebleven provincie het Sloveens grotendeels deed verdwijnen. In Hongarije werd een magyariseringspolitiek gevoerd, die hier juist tegen de Duitstalige minderheden gericht was, maar ook tegen de Poolse, Roemeense en Slowaakse. In het huidige restant van het oude Hongarije zijn Duits-, Slowaaks-, Servokroatisch- en Roemeenstaligtalige minderheden vrijwel verdwenen. De Hongaarse minderheden in Slowakije en Roemenië zijn, na het zelfstandig worden van deze eerst Hongaarse provincies, daarentegen grotendeels blijven voortbestaan.

Om het verschijnsel germanisering in de 19de eeuw in een juiste context te plaatsen, moet men het vergelijken met parallelle ontwikkelingen in andere nationale staten die ernaar streefden om hun staatsbevolking taalkundig te homogeniseren. In Groot-Brittannië werd Engelstalig onderwijs opgelegd aan Ieren, Schotten en Welshmen. In Frankrijk werd gangbaar onderwijs in andere talen dan het Frans vervangen door de staatstaal. Rusland probeerde op haar beurt Duitse, Baltische en andere minderheden aan russificatie te onderwerpen. Het Oekraïens en het Wit-Russisch, beiden overigens nauw verwant aan het Russisch, werd taalkundig bestaansrecht ontzegd. Wat de germanisering van andere nationale homogeniseringprocessen onderscheidt zijn de extreme vormen die zij in oostelijk Midden-Europa aannam, met name onder de terreur van de nationaal-socialistische bezettingen, voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog.

20e eeuw[bewerken]

Na de Eerste Wereldoorlog werd Polen onafhankelijk en kwamen Posen en West-Pruisen (met omvangrijke Duitse minderheden) aan het nieuw opgerichte Polen, dat de germanisering van de voorgaande eeuw grotendeels ongedaan maakte en met een poloniserigspolitiek honderdduizenden Duitsers uit deze gebieden tot emigratie bracht. Er leefden na 1919 ook in het nieuwe Joegoslavië Duitse minderheden, namelijk in delen van Slovenië en in de delen van Servië die grensden aan Hongarije en Roemenië (Vojvodina en de Banat). Een deel van Slovenië werd na de Duitse inval in april 1941 door Duitsland geannexeerd. Daar werd nu een tegenbeweging ingezet met een rigoureuze germanisering, die op lijdelijk verzet stuitte van de Sloveense bevolking en op militant verzet van de partizanen. Bij het sluiten van het Molotov-Ribbentroppact in 1939 kwamen de Sovjet-Unie en Duitsland overeen dat Duitse minderheden uit Oost-Europa uitgewezen zouden worden naar Midden-Europa. De nazipolitiek deporteerde inwoners van bezette gebieden om ruimte te maken voor Duitse en andere, naar de nazirassenleer zogenaamd Germaanse, immigranten. Na de Duitse inval in Polen werden Posen (als Wartheland) en West-Pruisen door nazi-Duitsland ingelijfd. Zo begon een extreme germaniseringspolitiek: te midden van gewelddadige etnische zuivering en genocide werden ongeveer 350.000 Polen en Joden door de nazi's naar het Gouvernement-Generaal gedeporteerd om plaats te maken voor Volksduitsers uit geheel Oost-Europa en zelfs naar ras geselecteerde Scandinaviërs, Nederlanders en Vlamingen. In het Generalplan Ost werd een toekomstperspectief uitgewerkt waarin na de Endsieg van het Derde Rijk ook de meerderheid van de Polen in het Generaal-Gouvernement, en van de Oekraïeners en Witrussen, na rasselectie, grotendeels naar Siberië uitgewezen zouden worden om plaats te maken voor bovengenoemde eveneens op ras geselecteerde 'Germaanse' volken, uiteraard onder Duitse regie. Van een taalkundig-cultureel proces was germanisering tot een bewustzijnsproces uitgegroeid en tenslotte tot een rassenkundige selectie. Het optreden van de nazi's had uiteindelijk een boemerangeffect: de verdrijving van de Duitsers uit Oost-Europa. Na de Tweede Wereldoorlog werden de Duitstalige minderheden (Volksduitsers) uit Polen en Tsjechoslowakije en andere gebieden door de herstelde nationale regeringen verdreven. Moord, verkrachting en standrechtelijke executies joegen de mensen op de vlucht. Honderdduizenden werden geïnterneerd en naar dwangarbeiderskampen getransporteerd. Hun bezit werd collectief onteigend. Uiteindeijk moest het na-oorlogse Duitsland tussen de 12 en 15 miljoen Duitsers uit andere Midden-Europese staten opnemen. De meerderheid kwam uit door Polen geannexeerde provincies en enkele miljoenen uit de Tsjechische grensgebieden (Sudetenland).

Zie ook[bewerken]