Retorica

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zie het artikel Niet te verwarren met Retoriek. Voor het gelijknamige werk van Aristoteles, zie Retorica (Aristoteles).
Een afbeelding van Quintilianus uit 1493

Retorica (van het Oudgriekse woord ῥήτωρ, rhêtôr, 'spreker', 'leraar'; oude Nederlandse spelling rhetorica met rh-), letterlijk 'redenaarskunst', of 'welsprekendheid', is de kunst van het spreken in het openbaar. Retorica, dat uit de klassieke oudheid is voortgekomen, is daarmee de oudste westerse teksttheorie. De term staat voor welsprekendheid, maar in uitgebreide zin slaat het op effectief spreken en schrijven en de kunst van het overtuigen. Men gebruikt het begrip dus zowel voor de theorie – de leer van overtuigend spreken en schrijven of retorica – als voor de praktijk ervan.

Inleiding[bewerken]

Jean-Jules-Antoine Lecomte du Noüy, Démosthène s'exerçant à la parole (De redenaar Demosthenes oefent zich in de rede).

Men spreekt ook wel van ars rhetorica tegenover eloquentia. Oorspronkelijk was deze kunst bittere noodzaak in de politiek en de rechtspraak. Vooral in het oude Griekenland was het voor politici belangrijk dat zij de retorica beheersten. De retorica stond dan ook centraal in het onderwijs aan zonen van welvarende families. De sofisten waren hierin gespecialiseerd.

Talrijke filosofen hebben er hun aandacht aan besteed, onder wie Aristoteles in zijn Ars rhetorica. Diens leermeester Plato hield zich in zijn werken ook bezig met de afbakening tussen de retorica en de filosofie, onder meer in de dialoog Gorgias. Daarin debatteert Socrates met onder meer de beroemde sofist Gorgias, die wordt beschouwd als de vader van de retorica. Socrates stelt zich hierin op het standpunt dat de retorica een kunst is zonder inhoud, waarbij niet uit het oog mag worden verloren dat welsprekendheid en deskundigheid twee verschillende zaken zijn: een gladde spreker zonder kennis van de geneeskunde kan er bijvoorbeeld wel in slagen een zieke ervan te overtuigen een bepaald medicijn in te nemen, terwijl diens arts dat niet kan.

Tijdens de Romeinse Republiek kreeg de retorica vooral aandacht van de bekende redenaar, jurist, filosoof en politicus Cicero, van wie vele redevoeringen bewaard zijn gebleven. Later in het Romeinse Keizerrijk was de noodzaak van de welsprekendheid voor de politiek van minder belang. Toch was het een belangrijk vak, vooral voor juristen. Het boek De opleiding tot Redenaar (de Institutio Oratoria) van Quintilianus (±40 – ±100 na Christus) wordt nog steeds gezien als een theoretisch standaardwerk op dit gebied. Belangrijke aandachtspunten in de retorica zijn de opbouw van het betoog en de stijlfiguren waarmee de spreker zich bedient om zijn gehoor voor zijn standpunten te winnen. In dit boek vindt concentratie plaats op de rechtspraak vanwege eerdergenoemde reden. Overigens definieert Quintilianus retorica als de kunst van het goede spreken en keert hij zich tegen bovengenoemde definities. Een redevoering die in de rechtszaal overtuigt, hoeft volgens hem niet goed te zijn en vice versa. Evenzo is er een scala aan argumenten die in een betogende tekst al dan niet terecht effect sorteren.

Zesde klas[bewerken]

In Vlaanderen was retorica tot in de jaren tachtig de benaming voor het laatste leerjaar van de Latijnse humaniora in het secundair onderwijs. In de zesde klas of retorica lag het accent op de studie van klassieke redenaars Cicero en Bossuet.
Ook in Nederland is deze naam voor de zesde klas gymnasium gebruikt, minstens tot halverwege de jaren zestig.[bron?]

Retorica in Nederland[bewerken]

De oorsprong van het woord overtuigen ligt in "de rechtspraak, waar het verwijst naar het afleggen van een bezwarende getuigenis tegen een verdachte. Deze juridische herkomst klinkt nog door in de uitdrukking wettig en overtuigend bewijs. Het woord overtuigen is afgeleid van het Middelnederlandse overtugen, dat op zijn beurt weer teruggaat op een Germaans woord dat 'trekken' betekent (vergelijk het Duitse ziehen). Een getuige was iemand die desnoods voor de rechter gesleept werd om een verklaring af te leggen. Volgens de woordenboeken is overtuigen 'het door redenering en klem van woorden iemand iets doen geloven'. Anders gezegd: iemand door bewijzen en argumenten laten inzien dat een conclusie waar of aannemelijk is."[1]

Retorica, of effectief spreken en de kunst van het overtuigen, kent geen sterke traditie in het Nederlandse onderwijs, in tegenstelling tot het Engelse of Franse onderwijs.[2] In de analyse van Frits Bolkestein zijn er, in ieder geval in het politieke domein, vier oorzaaken: "Ten eerste de opkomst van de beroepspoliticus. Ten tweede de groei van de collectieve sector met de daarmee gepaard gaande complexiteit. Ten derde de eenzijdige recrutering van politici-woordvoerders uit verwante specialistische beleidsvelden binnen de overheid of de semi-overheid. Ten vierde de consensusgerichte wijze van politiek bedrijven die verhullend en wollig taalgebruik lonend maakt".[3] Bolkestein pleit in zijn artikel op de website van Onze Taal voor meer welsprekendheid in de politiek en van hem is dan ook de tamelijk bekend geworden uitspraak:

Wie de vorm beheerst, is de inhoud meester.[3]

Volgens Marc Huys, vertaler van Aristoteles' Retorica, is in de tweede helft van de 20e eeuw de belangstelling voor de klassieke retorica toegenomen, omdat ook in moderne trainingen telkens wordt verwezen naar de oude indeling van middelen van overtuiging: ethos, pathos en logos.

Het systeem van de antieke retorica[bewerken]

Retorica was vanaf ongeveer de 5e eeuw v.Chr. een echt vak, met docenten en een uitgewerkt leersysteem.[4] Belangrijke bijdragen aan de dit leersysteem werden geleverd door Isocrates en later door Quintilianus en Cicero. De belangrijkste bron die we vandaag nog gebruiken om hierop terug te grijpen is de Opleiding tot redenaar van Quintilianus - het omvangrijkste handboek van de welsprekendheid en het onderwijs hierin. Quintilianus' Institutio oratoria "kan beschouwd worden als uitvloeisel, en misschien ook hoogtepunt van vijf eeuwen theorievorming over en onderwijs in de welsprekendheid.", aldus Piet Gerbrandy.[5]

Vijf fasen voor de redenaar[bewerken]

In de antieke retorica ging men ervan uit dat een redenaar altijd vijf fasen doorloopt. Het gaat hierbij om: vinding (inventio), ordening (dispositio), verwoording (elocutio), geheugentraining (memoria) en voordracht (actio of pronuntiato).[5] Het is belangrijk om hierbij aan te tekenen dat Quintilianus zich voornamelijk richtte op het genre van de redevoering voor de rechtbank, het genus iudiciale.[5] Onderstaande verdeling is grotendeels gebaseerd op de inleiding die Piet Gerbrandy geeft in zijn vertaling van Quintilianus' boek. Het is opvallend te noemen dat de eerste vier fasen uit voorbereidingsstappen bestaan, waarna pas in de vijfde fase de voordracht of het betoog zelf naar voren komt.

Vinding (inventio)[bewerken]

In deze fase gaat de spreker of redenaar op zoek naar argumenten, argumenten die volgens Quintilianus verschillende vindplaatsen (topoi of loci) kennen, zoals plaats, tijd, persoon en motief. Hier toont zich juridische blik die Quintilianus toepast. Ook de belangrijkste drie doelen in het begin van het betoog van de redenaar komen hier naar voren; hij dient ten eerste de toehoorder welwillend, aandachtig en geïnteresseerd te stemmen.

Ordening (dispositio)[bewerken]

In de fase van de ordening plaats de redenaar alle argumenten in de juiste volgorde. Quintilianus zegt hier zelf het volgende over:

"Maar zoals het voor iemand met bouwplannen niet voldoende is stenen, hout en ander voor dat werk nuttig materiaal bijeen te brengen, als er geen handige vakman wordt ingehuurd om ze op een ordelijke manier op hun plaats te leggen, zo zal bij het spreken een vooraard gegevens, hoe overvloedig ook, nooit meer dan een onoverzichtelijk opgestapelde massa opleveren, tenzij een zelfde ordening ze systematisch rangschikt en in een samenhangend betoog verankert."[5]

Verwoording (elocutio)[bewerken]

De verwoording van een betoog is volgens Quintilianus het moeilijkste fase van de welsprekendheid. Hier laat de Romeinse retor en hoogleraar wederom zien dat hij zelf - in schrift - uitblinkt in het kiezen van de juiste woorden: "Zich uitspreken wil immers zeggen: alles wat men in gedachten heeft gevormd, uiten en aan toehoorders presenteren, zonder hetgeen al het vorige zinloos is, als een zwaard dat in zijn schede opgeborgen blijft."[5] Bij de verwoording dient een spreker rekening te houden met zes aspecten van goede uitvoering:

  1. Foutloos (Latijn).
  2. Helderheid
  3. De verfraaiing
  4. Amplificatie en afzwakking
  5. Sententiën
  6. Tropen

Geheugentraining (memoria)[bewerken]

Geheugentraining, in de Institutio oratorio ook wel mnemotechniek genoemd, behelst de fase van het memoriseren, het onthouden van het betoog. Quintilianis reikt hier bijvoorbeeld het verhaal van het geheugen van Simonides aan, om te illustreren dat het memoriseren van een betoog kan door de "gedachte-inhoud aan een bepaalde locatie" te koppelen, bijvoorbeeld door zich een groot huis voor te stellen dat de spreker goed kent, om vervolgens elk onderdeel van zijn of haar betoog te koppelen aan een van de kamers.

Voordracht (actio of pronuntiato)[bewerken]

De voordracht staat ook wel bekend als de uitvoering; het daadwerkelijke uitspreken van een voordracht of betoog. Deze fase wordt beschreven met onder andere het belang van een goede stem, gelaatsuitdrukking en houding van het gehele lichaam, waarbij Quintilianus zelfs het volgende stelt:

"Persoonlijk durf ik wel vol te houden dat een matig betoog dat door een krachtige voordracht aantrekkelijk wordt gemaakt, meer effect heeft dan een heel goed betoog dat zo'n voordracht moet ontberen."[5]

Referenties[bewerken]

  1. (nl) Oude en nieuwe retorica - R. Grootendorst | Genootschap Onze Taal. Onze Taal. Geraadpleegd op 2017-03-17
  2. (nl) Spreekangst? Je stelt jezelf te hoge eisen. Trouw. Geraadpleegd op 2017-03-17
  3. a b (nl) Wie de vorm beheerst, is de inhoud meester - Frits Bolkestein | Genootschap Onze Taal. Onze Taal. Geraadpleegd op 2017-03-20
  4. Claes, Paul & Hulsens, Eric, Groot retorisch woordenboek, lexicon van stijlfiguren, 2015, 7 - 9. ISBN 978 94 6004 199 0.
  5. a b c d e f Marcus Fabus Quintilianus, De opleiding tot redernaar, vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Piet Gerbrandy, 2001, 9 - 22, 342, 394, 583. ISBN 90 6554 423 2.

Externe links[bewerken]

Zie ook[bewerken]