Ministeriële verantwoordelijkheid

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
Museumkast met enkele dienstvoorwerpen van Friedrich Ebert, Duits Rijkspresident tussen 1919 en 1925. Links ziet men een map met te ondertekenen documenten, rechts een vloeiblad. Alle handelingen van de Rijkspresident moesten door een lid van de regering gegengezeichnet worden. Door dit contreseign werd duidelijk dat het staatshoofd in overeenstemming met de regering handelde.

Ministeriële verantwoordelijkheid is de staatsrechtelijke rechtsfiguur waarbij de ministers, en niet het staatshoofd, verantwoordelijk zijn voor de daden van de regering en van het staatshoofd. De verantwoordelijkheid wordt meestal afgelegd in het parlement. Dit principe is daarom een belangrijk beginsel in landen met een parlementair systeem en geldt in de meeste hedendaagse democratieën. Het wordt uitgeoefend door het gebruik van de tegentekening, ook het contreseign genoemd.

Het contreseign is de medeondertekening die een minister van wetten en koninklijke besluiten. Doordat naast het staatshoofd[noot 1] een minister (of staatssecretaris) medeondertekent, blijkt dat niet het staatshoofd maar de minister verantwoordelijk is.[1]

Het begrip ministeriële verantwoordelijkheid is mogelijk gepropageerd door de politieke filosoof Benjamin Constant.

Nederland[bewerken]

Ontstaan van het principe[bewerken]

Bij het ontstaan van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in 1815 kende deze staat geen ministeriële verantwoordelijkheid. Willem I regeerde als een verlicht despoot en niet als een constitutioneel monarch. In die tijd was een minister slechts een dienaar van de Koning.

Reeds in 1815 was het een Belgische verzuchting om het principe van de ministeriële verantwoordelijkheid op te nemen in de Grondwet, maar het voorstel werd toen afgewezen.[2] het uitblijven van ministeriële verantwoordelijkheid en de daaruit volgende besluitenregering van Willem I zorgde voor conflicten tussen Belgische liberalen en koning Willem I en was zo medeoorzaak van de Belgische Revolutie, die uiteindelijk resulteerde in een definitieve breuk tussen noord en zuid.

Na de onafhankelijkheid zou het het Nationaal Congres, de grondwetgevende vergadering, het principe in 1831 opnemen in de Belgische Grondwet. In Nederland daarentegen werd het beginsel pas in 1848 in de Grondwet opgenomen. Het principe werd door Johan Rudolph Thorbecke geïntroduceerd, in opdracht van koning Willem II. Hierdoor veranderde het Nederlandse staatsbestel in een parlementaire democratie. Met deze grondwetswijzigingen werd het ministerschap bevestigd als een zelfstandig ambt, dat los staat van de Koning. Later werd ook het ambt van Staatssecretaris een ambt met een zelfstandige betekenis.

Een gedeeltelijke, strafrechtelijke, ministeriële verantwoordelijkheid was echter al ingevoerd met de grondwetswijziging van 1840. In die grondwetswijziging werd bepaald dat een minister strafrechtelijk aansprakelijk is voor zijn handelen. Bovendien moesten voortaan alle koninklijke besluiten en beschikkingen medeondertekend worden door de betrokken minister (het hierboven genoemde contraseign). In de woorden van de Grondwet van 1840:

  • Artikel 75. De hoofden der ministeriële departementen zijn verantwoordelijk voor alle daden door hen als zoodanig verrigt, of tot welker daarstelling of uitvoering zij zullen hebben medegewerkt, waardoor de grondwet of de wetten mogten geschonden of niet opgevolgd zijn.
  • Artikel 76. Ten einde van deze medewerking te doen blijken, zullen alle Koninklijke besluiten en beschikkingen moeten voorzien zijn van de mede-onderteekening van het hoofd van het ministerieel departement waartoe dezelven behooren.

Bij de grondwetswijziging van 1983 werd de strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid geschrapt.

Hedendaagse betekenis[bewerken]

Ten aanzien van het eigen regeringsbeleid[bewerken]

De ministeriële verantwoordelijkheid betekent ook dat een minister verantwoording verschuldigd is aan de Staten-Generaal voor alles waar hij voor bevoegd is.[bron?] Daarbij gaat het ook om de bevoegdheden van zijn ondergeschikte ambtenaren en zowel om 'handelen' als het 'nalaten van handelen'.

Een minister is politiek verantwoordelijk voor:

  1. Het koninklijke handelen en nalaten
  2. Het handelen en nalaten van de bewindslieden
  3. Het handelen en nalaten van de ambtelijke dienst.

Het is staatsrechtelijk onduidelijk of het Kabinet haar contreseign aan een onwelgevallige initiatiefwet kan onthouden.[3]

Ten aanzien van de Koning[bewerken]

In de hedendaagse grondwet is de ministeriële verantwoordelijkheid te vinden in artikel 42, tweede lid. Dit artikel benadrukt de onschendbaarheid van de Koning. Voor alles wat de Koning doet of zegt kan de direct verantwoordelijke minister door het parlement ter verantwoording worden geroepen.

Sinds de jaren 1980 en 1990 heeft de ministeriële verantwoordelijkheid een minder beperkend karakter. Het staatshoofd krijgt van de premier de mogelijkheid om een ruimere maatschappelijke invulling aan zijn taak te geven. Het staatshoofd wordt niet langer uitsluitend op het paleis geïnformeerd, maar ook buiten het paleis, bijvoorbeeld door het afleggen van werkbezoeken. Het staatshoofd wordt tijdens een werkbezoek door een minister of staatssecretaris vergezeld om geïnformeerd te worden over een bepaald beleidsterrein.[4]

Ten aanzien van de koninklijke familie[bewerken]

De ministeriële verantwoordelijkheid geldt ook voor de andere leden van het Koninklijk Huis. Dit wordt wel een afgeleide verantwoordelijkheid genoemd, omdat zij niet rechtstreeks uit de grondwet voortvloeit.[bron?] Het gedrag van leden van de koninklijke familie, meer in het bijzonder de leden van het koninklijk huis (artikel 39 GW) kunnen de positie van de Koning raken. Zo is de gedachte ontstaan dat voor dergelijk handelen ministeriële verantwoordelijkheid moet worden aangenomen. De verantwoordelijkheid wordt groter naarmate iemand dichter bij het staatshoofd staat. Vooral de echtgenoot en de vermoedelijke erfgenaam van de troon vallen in sterke mate onder de ministeriële verantwoordelijkheid. De afgeleide ministeriële verantwoordelijkheid is volgens sommige auteurs moeilijk te verdedigen, omdat ministers, op wie deze zou rusten, geen bevoegdheden bezitten ten aanzien van de leden van het koninklijk huis.[bron?]

De ministeriële verantwoordelijkheid voor de leden van het Koninklijk Huis maakt het noodzakelijk om het aantal leden van dat Huis te beperken.[bron?] Zo verloren van rechtswege de kinderen van prinses Margriet hun lidmaatschap van het Koninklijk Huis toen prins Willem-Alexander koning werd. Anders dan veel mensen denken blijven de kinderen van Prinses Margriet wél lid van de koninklijke familie, maar daarvoor geldt de ministeriële verantwoordelijkheid niet.[bron?]

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]