Constitutionele monarchie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Parlementaire monarchie)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Constitutionele monarchieën waarbij de monarch daadwerkelijk veel macht heeft zijn violet gekleurd, de parlementaire constitutionele monarchieën in rood

Een constitutionele monarchie is een vorm van monarchie waarbij de positie van de monarch of regent in een grondwet is geregeld.

Geschiedenis[bewerken | bron bewerken]

Voorlopers van de moderne constitutionele monarchieën waren voor de Franse Revolutie absolutistische monarchieën; de koning bepaalde alleen de gang van zaken. Tot de weinige landen waar dit niet zo was, behoorden Engeland, waar het parlement al aanzienlijke rechten had, en de Nederlandse republiek. Officieel was Nederland geen koninkrijk en de stadhouders, de Oranjes, bepaalden dan ook niet alleen het beleid maar probeerden toch voortdurend meer macht in handen te krijgen. Na de Franse tijd werd Nederland samengevoegd met het huidige Belgie en Luxemburg tot een volwaardig koninkrijk met een machtige koning. Tijdens de Belgische revolutie in 1830 kreeg België als eerste land op het Europese vasteland een constitutionele monarchie met een meerpartijenstelsel. In het revolutiejaar 1848 kwam ook in Nederland de controlerende macht bij de Eerste en Tweede Kamer te liggen. Het merendeel van de hierbij gemaakte grondwettelijke aanpassingen werd rechtstreeks gekopieerd uit de Belgische grondwet[1]. Koning Willem II moest een aanzienlijk deel van zijn macht inleveren aan het parlement. Sindsdien is ook Nederland een constitutionele monarchie met een substantieel beperkte macht voor de koning. In de loop van de 19e eeuw moesten steeds meer monarchen stukje bij beetje hun macht inleveren aan het parlement. Voorbeelden zijn de Scandinavische koninkrijken en ook de Britse monarch raakte steeds meer invloed kwijt aan het House of Lords en House of Commons. Dan volgden de keizers van Duitsland (de Rijksdag vanaf 1871) en Oostenrijk-Hongarije. De Russische tsaar was pas de laatste Europese monarch, in 1905 met de oprichting van de Doema, die het absolutisme afvoerde. Mede door de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog werden de monarchieën in Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Rusland zelfs helemaal afgeschaft. Tot dan hadden hun volksvertegenwoordigingen alleen een beperkte invloed op het bestuur en waren deze landen te kenschetsen als semi-constitutionele monarchieën.

Nederland, België en Spanje[bewerken | bron bewerken]

De Nederlandse monarchie, Belgische monarchie en Spaanse monarchie zijn voorbeelden van de combinatie van een constitutionele monarchie en een parlementaire democratie met regering en parlement. De monarch is staatshoofd, alhoewel in het Nederlands, Belgisch en Spaanse systeem de macht van de monarch beperkt is. Volgens het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden art. 2 is de monarch onschendbaar en zijn de ministers binnen het ambt verantwoordelijk voor de monarch. Deze verantwoordelijkheid wordt ministeriële verantwoordelijkheid genoemd.

Positie van de vorst in de constitutionele monarchie[bewerken | bron bewerken]

De Britse zakenman en journalist Walter Bagehot formuleerde in 1867 in een bundel essays de drie rechten van de Koning in de Britse parlementaire democratie: "het recht om te worden geïnformeerd, het recht om aan te moedigen en het recht om te waarschuwen".

De door Bagehot geformuleerde beperking van de werksfeer van een constitutioneel vorst in een constitutionele monarchie heeft haar geldigheid nog niet verloren en ze wordt ook in de 20e en 21e eeuw nog vaak aangehaald.

Zie ook[bewerken | bron bewerken]

Referenties[bewerken | bron bewerken]

  1. (nl) Johan Op de beeck, Het verlies van België: de strijd tussen de Nederlandse koning en de Belgische revolutionairen. Uitgeverij Horizon (2015).