Pieter Corneliszoon Hooft

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
P.C. Hooft
Portret van P.C. Hooft, door F. van Goor
Portret van P.C. Hooft, door F. van Goor
Verandren Candt
Algemene informatie
Volledige naam Pieter Corneliszoon Hooft
Geboren 16 maart 1581, Amsterdam
Overleden 21 mei 1647, Den Haag
Land Vlag van Nederland Nederland
Beroep drost van Muiden, baljuw van Naarden
Werk
Jaren actief ca. 1598-1647
Genre sonnet, treurspel, historiewerken
Stroming Renaissance
Invloeden Seneca, Montaigne, Tacitus
Bekende werken Granida, Geeraardt van Velsen, Warenar, Baeto, Nederlandsche Historien
Onderscheidingen Ridder in de Orde van Sint-Michiel
Dbnl-profiel
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Pieter Corneliszoon Hooft (Amsterdam, 16 maart 1581 - Den Haag, 21 mei 1647) was een Nederlandse historicus, dichter en toneelschrijver, alsmede drost van Muiden en baljuw van Naarden. Hooft werd de meest karakteristieke exponent van de renaissance in Nederland en introduceerde de renaissancistische vormen in de Nederlandse literatuur. In het eerste kwart van de zeventiende eeuw schiep Hooft zowel in de lyriek als in het drama de modelwerken waaraan de andere literatoren zich zouden optrekken.[1] Literatuurcriticus Kees Fens beschouwt hem als 'de eerste moderne dichter' in de Nederlandse taal.[2]

Voorzien van een gedegen opleiding reisde Hooft van 1598 tot 1601 door Frankrijk en Italië. Na terugkeer voltooide hij zijn rechtenstudie en beleefde enkele amoureuze avonturen voordat hij in 1610 Christina van Erp huwde. Zijn benoeming tot baljuw van Gooiland gaf hem de gelegenheid zich op het Muiderslot te vestigen, waarvan hij een intellectueel-artistiek centrum maakte, de Muiderkring genoemd. Ook werden de taalkundige kwesties die Hooft bezighielden besproken, zoals spelling, naamvalsleer, en een zuivere woordkeus. In 1615 overleed een van zijn vier kinderen, in de jaren 1620 ook zijn andere kinderen. Toen in 1624 zijn echtgenote eveneens overleed, raakte Hooft in een diepe crisis, waaraan een einde kwam toen hij in 1627 een tweede huwelijk sloot, met Heleonora Hellemans. Zijn resterende jaren wijdde hij aan zijn bestuurlijke taken en het schrijven van de Nederlandsche Historien.

In het begin van de zeventiende eeuw schreef hij veel sonnetten en liefdesliederen, in 1611 verschenen in Hoofts debuutbundel Emblemata amatoria, waarmee hij die genres in het Nederlands introduceerde. Zij blinken uit door de combinatie van oorspronkelijkheid en beheersing van conventie, en frisheid aan diepgang. De verbinding van volkse kracht met het vermogen om schoonheid te scheppen stempelen hem tot 'onze renaissancist bij uitstek'.[3] Met zijn Geeraerdt van Velsen uit 1613 introduceerde hij de eenheid van plaats in het Nederlandse drama.[4] In 1618 begon Hooft aan zijn eerste historische werk, de biografie van Hendrik IV van Frankrijk: Hendrik de Groote, zijn leven en bedrijf verscheen in 1626 en leverde hem een Franse riddertitel op. Hij vertaalde Tacitus als vingeroefening voor de Nederlandsche Historien

Werkkamer van P.C. Hooft op het Muiderslot

Levensloop[bewerken]

Pieter Corneliszoon Hooft werd op 16 maart 1581 geboren als zoon van Cornelis Pietersz. Hooft, die toen een van de burgemeesters van Amsterdam was. Hoofts geboortehuis, de burgemeesterswoning, stond op de Nieuwendijk bij de Haarlemmersluis. Hoewel zijn overgrootvader nog schipper was, stamde hij uit het Amsterdamse regentengeslacht Hooft en was familie van Louis de Geer, Andries Bicker, Cornelis de Graeff en Johan de Witt.

Hooft bezocht de Latijnse school en werd daarna door zijn vader, zoals gebruikelijk was met zonen uit gegoede families, op educatieve reis naar Frankrijk en Italië gestuurd. Deze reis, die drie jaar zou duren, begon op 11 juni 1598, toen Hooft zeventien was, en eindigde met zijn thuiskomst op 8 mei 1601.[5] De bedoeling was dat hij zich zou voorbereiden op een toekomstige handelscarrière door het leggen van contacten. De jonge Hooft raakte tijdens zijn reis echter dermate gefascineerd door de kunst van de Italiaanse renaissance, dat hij de rest van zijn leven hoofdzakelijk aan het beoefenen van kunst zou wijden. Zijn eerste toneelstuk Achilles en Polyxena moet reeds rond 1598 geschreven zijn.[6]

Hooft is lid geweest van de Amsterdamse rederijkerskamer de Eglentier die In Liefde bloeyende als zinspreuk had. Ook daar drongen de vernieuwingen van de literaire renaissance door. Hooft zal er ongetwijfeld toen al mee in aanraking zijn gekomen. Maar pas tijdens zijn grand tour leerde hij de nieuwe poëzie echt kennen.

Hooft ambieerde niet het koopmanschap van zijn vader, maar eerder een bestuursambt. Ter voorbereiding daarop studeerde hij twee jaar, van 1606 tot 1607, rechten en letteren aan de universiteit van Leiden, welke studie hij voor zover bekend niet afmaakte omdat het slechts om het praktisch nut te doen was.[7] In deze jaren maakte hij onder meer Ida Quekels het hof met onder meer gedichten.

Benoeming tot drost van Muiden (1609)[bewerken]

In de eerste helft van 1608 verbleef Hooft in Parijs en in 1609 als eerste niet-edele aangesteld als drost van Muiden en baljuw van het Gooiland. Hooft vertegenwoordigde het gezag en was verantwoordelijk voor de openbare orde: 'Hij moest leiding geven aan de rechtsprekende instanties, bovendien ging hij over zaken als houtvesterij en jachtrecht en was hij dijkgraaf.'[7] Ook trad hij bij conflicten op als bemiddelaar. In 1610 trouwde hij Christina van Erp, met wie hij op het Muiderslot ging wonen. Vanwege de koude overwinterden ze aan de Amsterdamse Keizersgracht.[8]

In 1615 verloren Hooft en zijn vrouw hun vier weken oude dochtertje Geertruid. In al deze jaren was Hooft actief als (toneel)dichter, maar in 1618 begon de geleidelijke overgang naar het proza toen hij begon aan de biografie van Hendrik IV. In 1620 stierf hun nog geen twee jaar oude tweede zoon Arnout, waarna ze in 1621 hun volgende zoon weer Arnout noemden. In 1623 stierf hun oudste zoon Cornelis. In 1624 stierf ook Arnout en eveneens Hoofts drieëndertigjarige echtgenote Christina. Hoofts ouders overleden in 1626 en 1627.[9]

De dood van zijn echtgenote bezorgde Hooft een 'naere nacht van benaude drie jaeren', waarin hij zich vathield aan zijn levensbeschouwing, die Knuvelder omschrijft als 'meer epicurisch dan stoïsch christendom', dat wil zeggen 'een antiek gekleurd noodlotsbesef met christelijke inslag'.[10] In Hoofts visie bevond zich tussen God en de mens het wispelturige noodlot, dat op een mysterieuze en voor de mens onkenbare wijze de wereldorde bepaalt volgens Gods wil, waarbij voortdurend lotswisseling optreedt. Een zekere mate van stoïcisme is de beste instelling om hiermee om te gaan, maar leidt wel tot een passieve levenshouding, ook als het om godsdiensttwisten ging. Het stond de libertijn Hooft tegen als voor een religie geijverd werd, of dat nu de calvinisten betrof of Vondel, die tot het katholicisme overgegaan was.

Muiderkring[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Muiderkring voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In 1627 was de crisis over en had Hooft in de tweeëndertigjarige weduwe Heleonora Hellemans uit Antwerpen een nieuwe echtgenote gevonden, met wie hij op 30 november trouwde. In deze periode ontving Hooft in de zomer geleerde en kunstzinnige vrienden op het Muiderslot, die zodoende een zomervakantieoord geboden werd dat in de negentiende eeuw aanleiding gaf van een Muiderkring te spreken. Volgens Knuvelder gaat het min of meer om een voortzetting van de bijeenkomsten ten Amsterdamse huize van de in 1620 overleden Roemer Visscher. Het ging daarbij niet, zoals de mythe wil, om een vast gezelschap dat op vaste tijden bijeenkwam, maar om toevallige en incidentele ontmoetingen. Het Muiderslot was het middelpunt van 'een geheel open, gastvrij aangenaam gezelligheidsleven op hoog artistiek peil met wisselende gasten. Allerlei vooraanstaande figuren, evengoed dichters als staatslieden, zangeressen en jonge vereerders van de grote dichters, ontmoetten hier elkaar, men maakte muziek, men zong, men droeg er zijn gedichten of zijn toneelstukken voor, en als de gasten huiswaarts waren gekeerd, correspondeerde men met elkaar, in proza of versvorm.'[11]

Historicus[bewerken]

Omstreeks 1623 zette Hooft zich aan het vertalen van Tacitus, waarmee hij in 1635 klaar was. Tacitus was Hoofts lievelingsauteur, volgens biograaf Gerard Brandt niet alleen vanwege diens kernachtige stijl, evenzeer een kenmerk van Hoofts eigen stijl, maar ook vanwege de overeenstemming in beider staatkundige opvattingen.[12] Tijdens het werken hieraan verscheen in 1626 ook Hendrik de Grote, zijn leven en bedrijf, een biografie van Hendrik IV van Frankrijk. In 1639 verhief de Franse koning Hooft tot ridder in de orde van Sint-Michiel en werd hem de erfelijke adel verleend.[13]

In 1628 begon Hooft aan zijn ambitieuze plan om de onafhankelijkheidsoorlog te beschrijven en tien jaar later waren de eerste twintig boeken van de Nederlandsche Historien af. Knuvelder noemt dit project 'het machtigste prozawerk dat de zeventiende eeuw heeft opgeleverd, een monumentaal historiewerk over de opstand tegen Spanje'.[14]

Overlijden[bewerken]

Tijdens de begrafenis van Frederik Hendrik van Oranje in Den Haag, vatte Hooft een kou en werd vervolgens ernstig ziek. Hij overleed op 21 mei 1647. Zijn graf is in de Nieuwe Kerk te Amsterdam.

Politiek[bewerken]

Hooft gebruikte zijn toneelstukken om zijn gematigd-orangistische staatkundige opvattingen te uiten. Hij hield er een neo-stoïcijnse, humanistische levensbeschouwing op na, zonder een religie te belijden. Hooft was dan ook geen lid van welke kerk dan ook. In de strijd tussen de katholieken en protestanten, die zo'n belangrijke rol hadden gespeeld bij het uitbreken van de Nederlandse Opstand, koos hij geen partij.

Werk[bewerken]

Portret van P.C. Hooft uit 1642

Het werk van Hooft is door de veelal aan het Latijn ontleende zinsconstructies in combinatie met het gebruik van zowel archaïsmen als neologismen moeilijk leesbaar.[15] Zo luidt zijn vertaling van Catullus' beroemde versregel Passer, deliciae meae puellae (Het musje, de lieveling van mijn meisje): 'T musje, lusje van mijn meisje.' Het neologisme 'lusje' sorteert een effect dat literatuurwetenschapper J.J. Oversteegen tot de loftuiting bracht dat hij zich 'nauwelijks een geraffineerder en spontaner klankspel voorstellen' kon.[16] Er zijn inmiddels hertalingen beschikbaar, waardoor het beter toegankelijk is geworden.

Toneelstukken[bewerken]

Waarschijnlijk op vrij jonge leeftijd schreef Hooft het toneeldrama Achilles en Polyxena. In 1605 schreef hij het herdersspel Granida. Dit laatste toneelspel bevatte de twee herdersfiguren Dafilio en Granida en was een in de 17e eeuw veelvoorkomend schildersonderwerp. De bekendste werken van Hooft zijn de historische treurspelen Geeraerdt van Velsen uit 1613 en Baeto (1617). Beide toneelstukken hebben het beeld van de Nederlandse geschiedenis sterk beïnvloed: dat van de moord op Graaf Floris V (Geeraert) en dat van de rol van de Bataven bij de totstandkoming van Nederland. Het blijspel Warenar dat hij in 1617 samen met Samuel Coster schreef, gebaseerd op Plautus' "Aulularia", was tamelijk succesvol.

Sonnetten[bewerken]

Een vertaald liefdessonnet van Petrarca is het oudst bewaard gebleven werk van Hooft. Het is gesigneerd met 'Min is Hooft', wat volgens Fens twee leesmogelijkheden insluit: 'de liefde is hoofdzaak en Hooft is de mindere (van Petrarca).'[17] Hooft schreef een stuk of vijftig sonnetten. Bekende sonnetten zijn 'Mijn lief, mijn lief, mijn lief' uit 1610 en 'Gezwinde grijsaard' uit 1611. Hooft voegde ook sonnetten toe aan zijn bundel erotische emblema Emblemata amatoria uit 1611. Hooft heeft daarbij zijn voordeel gedaan met de poëtische techniek waarmee de renaissance de gevoelsuiting ondersteunde. Hooft bestudeerde het sonnet dat hij van Petrarca kende en beoefende het genre met liefde en meesterschap: 'inderdaad behoort zijn vijftigtal sonnetten tot de fraaiste van onze letterkunde.'[18] Busken Huet noemde Hoofts sonnetten werken van 'verheven schoonheid'[19] en Knuvelder typeert Hoofts sonnetten als volgt:

Bijzonder gelukkig is Hooft hier in de brede zwaai waarmee hij het octaaf tot zijn hoogtepunt voert in verheven plechtigheid, om dan in het sextet geleidelijk uit te vloeien en tot gelijkmatige rust te dalen. Meesterlijk is hij in de suggestieve evocatie van wat hij wenst uit te beelden (...) Dynamisch is ook de ritmische golf, die, parallel lopend met de gedachte-golf, opvoert en uitvloeit. In zijn sonnetten bereikt Hooft een der hoogste toppen van onze nationale dichtkunst; hierom mocht hij (...) met recht als hoofd der Nederlandse poëten geëerd worden.[20]

Erotische poëzie[bewerken]

De al genoemde bundel Emblemata amatoria uit 1611 bevat dertig Liefdesemblemen, in navolging van Alciato die het genre in 1531 uitvond. Het gaat om allegorische prenten die in drie talen - Latijn, Nederlands en Frans - van bijschriften zijn voorzien. Getoond wordt de kracht van de liefde, waarvan Cupido het symbool is. Behalve deze emblema bevat de bundel ook liederen en andere gedichten, zoals sonnetten waaronder het beroemde Mijn lief, mijn lief.

De Nederlandsche Historien[bewerken]

Hooft begon in 1628 aan zijn levenswerk, de Nederlandsche historiën. Tot zijn dood in 1647 werkte hij hieraan. Zevenentwintig delen zijn verschenen, waarvan de laatste zeven postuum. In 1618, dus tijdens het Twaalfjarig Bestand, had hij het idee gekregen om een groot werk over de recentste nationale geschiedenis te schrijven dat onder andere moest handelen over de Tachtigjarige Oorlog, die toen nog de Vaderlandse Oorlog heette.[21] Volgens Hoofts biograaf Brandt was hij al lang daarvoor bezig met de bestudering van de klassieke geschiedschrijvers. In 1628 startte hij zijn werk en in 1642 werd Nederlandsche Historien gepubliceerd bij Louis Elsevier te Amsterdam. Dit monumentale werk beschrijft de periode van 1555 (de troonsafstand van keizer Karel V) tot en met de moord op Willem van Oranje in 1584. Hooft heeft zijn werk door zijn overlijden op 66-jarige leeftijd in 1647 niet kunnen voltooien. In 1654 verscheen bij Joan Blaeu Vervolgh der Neederlandsche historien met daarin zijn beschrijving van de geschiedenis tot het jaar 1587. Hooft ging grondig te werk en stelde zich persoonlijk op de hoogte van de gebeurtenissen, zodat zijn beschrijvingen de kracht kregen van een ooggetuigenverslag. De schrijfstijl is een bewuste imitatio van de stijl van Tacitus.[22]

Waarderingsgeschiedenis[bewerken]

In de achttiende en negentiende eeuw raakte Hooft uit de belangstelling, maar de herdenking van zijn tweehonderdste sterfdag in 1881 bracht hem opnieuw onder de aandacht, die aanvankelijk alleen zijn persoon betrof. De editie van zijn Gedichten in 1900 bracht ook zijn werk weer in de belangstelling.

Volgens Gerrit Komrij komt bij Hooft alles neer op 'dans en licht, op springerigheid en ruimte', is hij 'nooit bedompt' en zingt hij 'niet in een kerk, maar onder de hemelkoepel.' Samen met Gorter is Hooft de grote man van 'de openluchtpoezie' en aldus onderscheiden van de 'stoet binnenhuisdichters'.[23]

Hooft als modern dichter[bewerken]

Literatuurcriticus Kees Fens beschouwt Hooft om drie redenen als de eerste moderne dichter in de Nederlandse taal. Deze dichter is namelijk 'de eerste uit onze literatuurgeschiedenis die op gehoorsafstand spreekt van de moderne lezer' en dus nog steeds verstaanbaar.[2] Hooft nam uit zijn reis door Italië een beeldenwereld mee terug en gebruikt de oorspronkelijke verwijzingen naar Christus 'op een wijze die men misschien het best als geseculariseerd kan betitelen. En ook daarin is hij modern.' Christus fungeert nog slechts als illustratie en de grens van de dichter is niet langer God, maar het uitspansel.[24] Ten slotte is Hooft 'ook hierin modern: hij werkt en leeft met flarden van een overgeleverde cultuur die hij in een nieuw verband tracht te voegen en daarmee nieuwe betekenis tracht te geven.'[25]

Eerbetoon[bewerken]

De chique P.C. Hooftstraat in Amsterdam, in de volksmond ook wel "de PC", is naar Hooft genoemd. Hetzelfde geldt voor de in 1947 ingestelde prestigieuze P.C. Hooft-prijs en de Pieter Corneliszoon Hooft, een Nederlands passagiersschip. Ook het P.C. Hoofthuis, het faculteitsgebouw van de faculteit der geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam, is naar hem vernoemd.

Noten[bewerken]

  1. Lieven Rens, Acht Eeuwen Nederlandse Letteren. Van Van Veldeken tot vandaag. Tweede herwerkte uitgave. Antwerpen/ Amsterdam: Uitgeverij De Nederlandse Boekhandel, 1975. ISBN 9028900322
  2. a b Fens (1990), p. 8.
  3. Rens (1975), p. 44.
  4. Smit, W.A.P. (1959). 'Hoofdstuk II: Lucifer 1654.' Van Pascha tot Noah. Een verkenning van Vondels drama's naar continuïteit en ontwikkeling in hun grondmotief en structuur door - Deel 2: Salomon - Koning Edipus. Eerste druk 1959. Tweede druk, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1970, p. 87. ISBN 9011917022
  5. Koppenol (2004), p. 108-109.
  6. Knuvelder (1971), p. 231.
  7. a b Koppenol (2004), p. 109.
  8. Koppenol (2004), p. 110.
  9. Koppenol (2004), p. 111.
  10. Knuvelder (1971), p. 269.
  11. Knuvelder (1971), p. 277.
  12. Knuvelder (1971), p. 279.
  13. Knuvelder (1971), p. 280.
  14. Knuvelder (1971), p. 281.
  15. Dautzenberg, J.A. Literatuur, geschiedenis en leesdossier, Malmberg, 2e druk: p. 56.
  16. Oversteegen (1966), p. 264.
  17. Fens (2007), p. 143.
  18. Knuvelder (1971), p. 247.
  19. Busken Huet geciteerd bij Knuvelder (1971), p. 248.
  20. Knuvelder (1971), p. 248.
  21. S. Groenveld, 'Pieter Corneliszoon Hooft en de geschiedenis van zijn eigen tijd', in S. Groenveld, Hooft als historieschrijver: twee studies, Weesp, 1981, p. 7-46
  22. E.O.G. Haitsma Mulier, De humanistische vorm. Over de stilering van de politiek, in J. Tollebeek - T. Verschaffel - L.H.M. Wessels (edd.), De palimpsest: geschiedschrijving in Nederlanden, 1500-2000. Fragmenten, Hilversum, 2002, p. 32
  23. Komrij (1998), p. 53.
  24. Fens (1990), p. 10.
  25. Fens (1990), p. 11.

Bronnen[bewerken]

  • Fens, Kees (1990). Het nieuwe licht en de oude tijd. Over enkele gedichten van P.C. Hooft. Amsterdam en den Haag: Em. Querido's UItgeverij BV en Stichting P.C.Hooft-prijs voor Letterkunde. ISBN 902146232X
  • --- (2007). 'De stilte als vervulling.' Kees Fens, In het voorbijgaan. Kleine essays. Amsterdam: Athenaeum - Polak & Van Gennep, p. 143-144. ISBN 9789025313838
  • Knuvelder, G.P.M (1971). 'Pieter Cornelisz. Hooft (1581-1647).' Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse Letterkunde. Deel II. Vijfde, geheel herziene druk. 's-Hertogenbosch: L.C.G. Malmberg, p. 229-287. ISBN 9020811622
  • Komrij, Gerrit (1998). In Liefde Bloeyende. De Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in honderd en enige gedichten. Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker. ISBN 9035119592
  • Koppenol, Johan (2004). 'Nawoord.' Johan Koppenol, Emèl Spanninks en Madeleine de Vetten (eds.), P.C. Hooft, Liederen en gedichten. Griffioen-reeks. Amsterdam: Athenaeum - Polak & Van Gennep, p. 107-131. ISBN 9025301983
  • Oversteegen, J.J. (1966). 'Hooftse wendingen.' Merlyn, jaargang 4, p. 259-275.
  • Rens, Lieven (1975). Acht Eeuwen Nederlandse Letteren. Van Van Veldeken tot vandaag. Tweede herwerkte uitgave. Antwerpen/ Amsterdam: Uitgeverij De Nederlandse Boekhandel, 1975. ISBN 9028900322

Externe links[bewerken]

Wikisource NL Meer bronnen die bij deze auteur horen, kan men vinden op de pagina Pieter Cornelisz. Hooft op de Nederlandstalige Wikisource.