Naar inhoud springen

Bataven

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

De Bataven, ook Batavi of Batavieren genoemd, waren een vermoedelijk West-Germaanse stam. Zij leefden in de oudheid. De laatste bekende vermelding van deze stam dateert van omstreeks het jaar 400.

De meest gangbare opvatting is dat de Bataven zich ergens in de 1e eeuw v.Chr. afsplitsten van een andere Germaanse stam, de Chatten. Vervolgens zouden de Bataven de Rijn in westelijke richting te zijn afgedaald tot aan de rivierdelta, net voorbij wat nu de Nederlandse rijksgrens is. Daar zouden ze zich hebben gevestigd in de Betuwe, de streek die in geschiedschrijving sterk met hen wordt geassocieerd.

Vermeldingen in de oudheid

[bewerken | brontekst bewerken]

In de Romeinse tijd maakten met name Julius Caesar, Strabo, Tacitus, Cassius Dio, Suetonius, Claudius Ptolemaeus en Orosius melding van de Bataven.

Insula Batavorum (Caesar)

[bewerken | brontekst bewerken]

De Romeinse veldheer Caesar noemt deze stam voor zover bekend terloops in zijn Commentarii de bello Gallico, het overgeleverde verslag waarin hij de door hemzelf gewonnen Gallische Oorlog (58 -51 v.Chr.) beschrijft.[1] Caesar heeft het hier terloops over het insula Batavorum, het "eiland der Bataven", ofwel dus het Bataafse woongebied. De streek die hij hier bedoelt is niet nader gepreciseerd, maar men stelt deze over het algemeen gelijk aan de huidige Rijndelta (Latijn: Rhenus) in Nederland. Over de preciezere situering is vanaf de 16e eeuw (de tijd dat Nederlandse historici zich uitgebreid in de Bataven gingen verdiepen) veel verwarring, onduidelijkheid en tegenspraak geweest , met name of het nu zou gaan om het oosten of het westen van Nederland, of om beide (zie hierover verder hieronder).

Vermelding bij Strabo

[bewerken | brontekst bewerken]

De Griekse historicus Strabo, die in dezelfde tijd leefde als Caesar, heeft het eveneens over de Bataven.[2]

Vermelding bij Tacitus

[bewerken | brontekst bewerken]

Tacitus vermeldt in diens Historiae de (vermoedelijke) Bataafse hoofdstad, Oppidum Batavorum (Latijn: "stad van/voor de Bataven"). Deze plaats lijkt omstreeks 16-15 v.Chr. te zijn gesticht. Het Bataafse wooncentrum zou eerder in het nu Duitse Kessel zijn geweest.[3]:22

Tacitus geeft verder een wat uitvoeriger beschrijving van de Bataven dan Caesar eerder deed. Hij betitelt de Bataven als de "moedigste van de stammen in het gebied".[4] Tacitus vermeldt er ook bij dat de streek vóór de komst van de Bataven nog onbewoond was; deze informatie wordt echter niet door iedereen even betrouwbaar geacht.

De betekenis van veel topografische namen in onder andere Tacitus' teksten kan echter op meerdere manieren worden uitgelegd, waardoor bepaalde delen van het huidige Nederland – met name het westen en de provincie Utrecht – al dan niet mede onder het veronderstelde Bataafse woongebied vallen. Ook op dit punt is er zodoende nooit echte duidelijkheid gekomen, ondanks de vele ontwikkelde theorieën hierover.[5]:50-53

Vermelding bij Cassus Dio

[bewerken | brontekst bewerken]

De Romeinse schrijver Cassius Dio vermeldt dat de leden van een cohort bereden hulptroepen Batavi genoemd werden, wat volgens hem zowel verwees naar het insula Batavorum als naar de reputatie van de Bataven als zeer bekwame ruiters.[6] Dit laatste zou aan kunnen sluiten bij de door Rudolf Much en Frank Heidermanns voorgestelde etymologieën.

Vermelding bij Ptolemaeus

[bewerken | brontekst bewerken]

De Griekse schrijver Claudius Ptolemaeus, een tijdgenoot van Tacitus, benoemt een stad/vestingplaats als Batavodurum; onder de meeste historici is het de consensus dat hij daarmee dezelfde plaats bedoelde als het Oppidum Batavorum dat Tacitus vermeldt. Ook de plaatsnaam Lugdunum Batavorum wordt nog genoemd door Ptolemaeus, maar naar welke plaats hij daarmee verwees is tot op heden onduidelijk.[5]:69

Vermelding bij Orosius

[bewerken | brontekst bewerken]

De Bataven worden rond het begin van de 5e eeuw ook nog genoemd door de laat-Romeinse geschiedschrijver Orosius (385-420). Hij vermeldt in zijn Historiae dat men op het eiland Britannia "vanuit Rutupiæ (Richborough) 's middags [aan de andere kant van de zee] in Gallië van dichtbij de Menapii en Bataven ziet, en net ten zuiden daarvan de Morini".[noten 1] De Morini en Menapii werden in de 1e eeuw ook al vermeld door Plinius de Oudere; hij situeert naar het schijnt hun woongebied, samen met dat van de Toxandriërs, nabij de Schelde – die dan de grens vormde tussen Batavia en Gallia Belgica – en tevens nabij Gesoriacum (Boulogne-sur-Mer). De hoofdbedding van de Schelde moet in de oudheid noordelijker zijn geweest dan tegenwoordig, wat zou verklaren dat de Schelde toen rechtstreeks in de Maas uitkwam (de Rijn-Maas-Scheldedelta bestond nog niet in de huidige vorm).[7][8] De grens tussen de leefgebieden van de Menapii en Morini moet in dat geval ongeveer bij het huidige Duinkerke gelegen hebben. Uit onder andere Orosius' tekst is geconcludeerd dat de Bataven en Menapii in ieder geval buurstammen waren van de Morini, en/of dat de Bataven zelf iets ten noorden van deze twee andere Germaanse stammen woonden.[noten 2][9][10]

Aan het begin van de 5e eeuw worden de legereenheden van de Bataven nog een keer genoemd in de Notitia Dignitatum. Hierna houden de schriftelijke vermeldingen over deze stam door historici die zelf tijdgenoten van de Bataven waren op.

Verschillende volkeren rond 150 na Chr. geprojecteerd op een moderne kaart.
Grafsteen van Indus, een van de Bataafse lijfwachten van Nero
De samenzwering van de Bataven onder Claudius Civilis van Rembrandt van Rijn, 1661-1662 (het schilderij heeft een verkeerde titel; Julius Civilis werd een tijdlang ten onrechte Claudius genoemd, wat de voornaam was van zijn broer)

Oorsprong en migratie

[bewerken | brontekst bewerken]

Omtrent hun oorsprong en precieze woongebied bestaat in feite maar heel weinig zekerheid. Wat men hierover meent te weten is in de eerste plaats gebaseerd op de uit de oudheid overgeleverde vermeldingen van deze stam, die echter soms op verschillende manieren kunnen worden uitgelegd. In de loop der tijd zijn er ook allerlei nader verklarende theorieën bijgekomen. Archeologisch zijn er tot nu roe weinig echt overtuigende Bataafse vondsten gedaan.

Het oorspronkelijke woongebied van de Chatten (ook wel Hessen genoemd) zou grosso modo overeen zijn gekomen met het huidige noorden van de Duitse deelstaat Hessen.[11]:14 Algemeen wordt aangenomen dat de Bataven zich, wellicht na een intern conflict, van deze andere stam afsplitsten en in westelijke richting reisden.[12] Ze zouden zich vervolgens hebben gevestigd in de Rijndelta. Dit was oostelijk van nog een andere Germaanse stam, de Cananefaten. In ditzelfde gebied zouden toen ook al langer de Menapii hebben gewoond, een Keltische stam. Een buurvolk van deze Menapii – en vanaf die tijd dus ook van de Bataven – dat in de antieke geschriften eveneens wordt genoemd zijn de Eburonen. De hier vanuit het oosten neergestreken Chatten hebben zich volgens een van de voorgestelde scenario's met de Eburonen gemengd, waarmee de Bataven dus van oorsprong zelf een mengvolk zouden zijn.[11]:14[3]:48-51 Er bestaat een alternatieve hypothese dat de (gedeeltelijke) uitroeiing van de Eburonen door Caesars troepen tijdens de Gallische Oorlog ertoe leidde dat er voor de Bataven in deze streek nieuw woongebied vrijkwam.[11]:14 De aanvaarde consensus is verder dat de Bataven zich in ieder geval nog vóór de komst van de Romeinse veldheer Drusus (12 v.Chr.) in deze nieuwe streek hebben gevestigd (hoewel hier archeologisch geen heel duidelijke aanwijzingen voor zijn).[13]:19

Vanaf de 16e eeuw was het idee erg populair (ook als onderdeel van de Bataafse mythe) dat de Bataven tot veel westelijker in wat nu Nederland is waren gekomen, inclusief Noord- en Zuid-Holland. Deze aanname heeft tegenwoordig echter onder serieuze wetenschappers nagenoeg geen draagvlak meer. In de loop van de 20e eeuw is er verder meer steun gekomen voor de stelling dat het gebied in en rond Nijmegen tot aan het moment dat de Romeinen hier arriveerden nog grotendeels onbewoond bosgebied was (dat hoorde bij het uitgestrekte Ketelwald). Noch op de Valkhofheuvel, noch in het Hunnerpark en Kelfkensbos zijn tot op heden archeologische sporen teruggevonden van vóór het begin van de Romeinse tijd in Nederland die met een redelijke mate van zekerheid aan de aanwezigheid van Germaanse en/of Keltische stammen toe te schrijven zijn.[noten 3][14]:19-20

Hoofdstad en omgeving

[bewerken | brontekst bewerken]
Zie Oppidum Batavorum voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Oppidum Batavorum was, anders dan de naam (letterlijk: "stad van/voor de Bataven") op het eerste gezicht suggereert, vermoedelijk geen daadwerkelijk inheemse Bataafse nederzetting. Het lijkt hier om een door de Romeinen zelf gesticht economisch en bestuurlijk centrum te gaan. De Romeinen zouden de nederzetting in dat geval naar de in de nabijheid wonende Bataafse volksstam hebben vernoemd, waar zij het toezicht op wilden blijven houden. In de nederzetting zelf woonden niettemin zeer waarschijnlijk óók Bataven, die hier met de Romeinen samenleefden.[5]:106

De locatie van deze Bataafse hoofdplaats wordt over het algemeen geïdentificeerd als een plek waar de Maas (Mosa) en de Waal (Vacalus) bij elkaar komen, 80 Romeinse mijlen van de monding van de rivier.[15][noten 4] Dit lijkt overeen te komen met wat nu een deel van het Nijmeegse stadscentrum is. Met name vanaf de 16e eeuw is men de oudste geschiedenis van Nijmegen dan ook rechtstreeks aan de Bataven gaan koppelen (zie ook de mythologisering).

Ten noorden van de Waal, bij Lent, Elst en Oosterhout zijn sporen van menselijke bewoning aangetroffen waarvan de datering begint in de 3e eeuw v.Chr.. Daarna lijkt er sprake van min of meer continue bewoning tot in de Romeinse tijd. Onder deze bewoners zouden ook Bataven zijn. De bewoningscontinuïteit in de huidige Over-Betuwe lijkt niet noemenswaardig te zijn beïnvloed door de Gallische Oorlog, gesteld dat die zich tot in deze streken afspeelde (een idee waar inmiddels sterk aan wordt getwijfeld).[13]:19[11]:14

Cultuur en taal

[bewerken | brontekst bewerken]

Toen de Bataven zich in hun nieuwe gebied vestigden, gingen ze mogelijk een soort van creooltaal spreken: Keltisch met Germaanse invloeden, wat zich verder ontwikkelde tot een 'Gallo-Romaans' dialect door contact met de Romeinen.[16]

Aangenomen wordt dat Hercules Magusanus de hoofdgod van de Bataven was. Het eerste deel van deze naam verwijst naar de Romeinse halfgod Hercules, die in dat geval in de Bataafse religie zou zijn overgenomen. Het tweede lid heeft een Germaanse basis; het is afgeleid van het inheemse Magusano, dat weer een germanisering is van de Keltische naam Magusenos. Hercules Deusoniensis was mogelijk een andere Bataafse god. Een populaire theorie is dat deze laatste naam verwijst naar de plaats Diessen.[17]

Verhouding tot de Romeinen

[bewerken | brontekst bewerken]
Kunstwerk van een veldslag waarin de Bataven de Romeinen verslaan, van Otto van Veen

Rond 12 v.Chr. werden zij door de Romeinen onder Drusus onderworpen. Ze werden daarna bondgenoten van de Romeinen, waarbij zij vrijstelling kregen van belastingen.

Het Romeinse leger heette in de provincia Exercitus Germaniae Inferioris ("strijdkrachten van Neder-Germanië"), op inscripties afgekort als EXGERINF. Het bestond uit meerdere (tot vier) legioenen en Auxilia of hulptroepen. Van de Bataven en de Cananefaten samen waren permanent 5000 tot 6500 mannen in dienst. Daarvoor leverden de Cananefaten 24 nieuwe rekruten, de Bataven 260 tot 280 jaarlijks.[18] De Bataven golden in de Romeinse tijd als elitetroepen. Ze zouden als enigen in staat zijn geweest om bewapend te paard zwemmend de Rijn over te steken. Ze waren onder andere betrokken bij de veldtochten van Germanicus tegen de Marsen en Cherusken,[19] het neerslaan van de opstand van Boudicca[20] en die van Gaius Julius Vindex.[21] Daarnaast dienden sommige Bataven als keizerlijke lijfwachten te Rome. Dit wordt niet alleen door Suetonius gemeld,[22] maar tevens door grafstenen bevestigd.[noten 5]

Bataafse Opstand (69-70 n.Chr.)

[bewerken | brontekst bewerken]
Zie Bataafse Opstand voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In de troebelen van het Vierkeizerjaar speelden de Bataven een zeer belangrijke rol.[23] In 69 n.Chr. leidde Julius Civilis de opstand van de Bataven tegen de Romeinen. Met behulp van de Frisii, Cananefaten en andere Germaanse stammen behaalden ze in eerste instantie veel overwinningen. Een hele reeks Romeinse forten aan de limes langs de Rijn, waaronder Castra Vetera (Xanten) werd in korte tijd verwoest. Oppidum Batavorum werd door de opstandelingen zelf platgebrand.[24] Het jaar daarop waren echter de kansen gekeerd ten gunste van de Romeinen. De opstand eindigde in 70 n.Chr. alsnog met de nederlaag van de Bataven.

Hoe deze opstand precies afliep en hoe het de opstandelingen en hun leider Civilis daarna verder verging, is onbekend; het relaas hierover uit de Historiae van Tacitus breekt abrupt af op het moment dat Julius Civilis zich op een brug over de Nabalia overgeeft aan Cerialis.[5]:53 Wel is duidelijk dat een van de rechtstreekse gevolgen van de opstand was dat het Romeinse Legio X Gemina zich ongeveer een jaar later voor ca. 30 jaar op de Hunnerberg vestigde, ten oosten van het huidige Valkhof.

Latere geschiedenis

[bewerken | brontekst bewerken]

In de laat-Romeinse tijd (3e en 4e eeuw) werd de term Batavi door de Romeinen eigenlijk alleen nog maar gebruikt voor bepaalde militaire eenheden, waarvan verder niet duidelijk is of dit etnisch gezien inderdaad Bataven waren.

Na de val van het Gallische keizerrijk zijn de Bataven mogelijk geheel versmolten met de Franken.[25] [26] Een andere mogelijkheid is dat zij in of rond de 3e eeuw naar zuidelijkere gebieden in Europa zijn getrokken, mogelijk tegelijk met de Romeinen die in deze tijd ook de noordelijke gebieden waaronder Nederland begonnen te verlaten.[noten 6][11]:16

Het voorheen Bataafse gebied kwam vermoedelijk in handen van de Salische Franken.

In zowel de Betuwe als in Hessen zijn schotelvormige Keltische muntjes gevonden, die bestaan uit een legering van goud, zilver en koper, zogeheten triquetrum-munten. Soortgelijke munten zijn ook aangetroffen in Amby (Maastricht). De overeenkomsten tussen deze op verschillende plekken gevonden munten worden vaak gezien als belangrijk bewijs dat de Bataven een mengvolk van Chatten en Eburonen waren en dat ze daadwerkelijk in deze streken woonden. Er is echter ook geopperd dat de munten van elders kwamen.[3]:48-51 [11]:15

Bij Empel heeft een tempel gestaan die aan de Bataafse hoofdgod Magusanus zou zijn gewijd. Rond dit heiligdom zijn veel offergaven gevonden, waaronder verschillende wapens. Het feit dat het offeren van wapens geen Romeins gebruik was, wordt gezien als een belangrijke aanwijzing dat het hier om een Bataafse en geen Romeinse tempel gaat.[27] Ook de Tempels van Elst zijn een tijdlang gehouden voor inheemse, aan Magusanus gewijde Bataafse heiligdommen. Hier wordt inmiddels echter aan getwijfeld.[28]

Omstreeks 2016 waren er in Tiel-Passewaaij, Kesteren, Geldermalsen en Wijk bij Duurstede opnieuw veronderstelde restanten van Bataafse nederzettingen gevonden. Het ging om kleinschalige bedrijven waar zowel akkerbouw als veeteelt had plaatsgevonden. Vooral gerst leek op grote schaal te zijn verbouwd. Uit de vondsten werd verder geconcludeerd dat de landbouw op deze plekken niet noemenswaardig was beïnvloed door de komst van de Romeinen en de aanleg van de limes omstreeks 40-45 n. Chr.[3]:117-118

Voorgestelde etymologieën

[bewerken | brontekst bewerken]

Volgens een populaire theorie is de huidige streeknaam Betuwe rechtstreeks afgeleid van de naam Bataven (die hier immers ook worden verondersteld te hebben gewoond), maar hierover bestaat geen zekerheid.

Much en Heidermanns stellen dat het Germaanse element *bata in verband moet worden gebracht met het Gotische batiza („beter“) of bōta („van nut zijn“, vergelijk het Nederlandse baten) en zo zou de stamnaam vertaald worden als „de beteren“.[29][30] De naam van het insula Batavorum zou in de vroege middeleeuwen verbasterd zijn (via BatuvuaBatuuuaBataweBataweBettue) tot "Betuwe".[31]

De historicus Luit van der Tuuk stelt in zijn boek "De Romeinse limes" een omgekeerde etymologische ontwikkeling voor. De Bataven zouden dan dus niet zelf hun naam aan de Betuwe hebben gegeven, maar de benaming van deze destijds door de Rijn omgeven streek[noten 7] hebben overgenomen in hun stamnaam.[32]

De naam Bataven is, volgens nog een heel andere verklaring, in verband gebracht met de veronderstelde hoofdplaats Batsala. Deze plaats (ook bekend als Basseux) zou in de oudheid nabij het huidige Cambrai (Hauts-de-France) hebben gelegen, dan wel bij Béthune. De naam Batsala wordt vermeld in 685, en is ook bekend uit de 11e-eeuwse Gesta episcoporum Cameracensium.[33] Deze alternatieve naamsverklaring werd tot en met de 19e eeuw vooral in Duitsland aangehangen; onder meer de rechtshistoricus Richard Schröder (1838-1917) zag dit als een mogelijkheid.[34][35] Maar deze verklaring krijgt tegenwoordig binnen wetenschappelijke kringen geen bijval, of is nergens meer bekend.

Nieuwe beschrijvingen vanaf de 16e eeuw: gedeeltelijke mythologisering en veronderstelde woongebieden

[bewerken | brontekst bewerken]
Zie Bataafse mythe voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Wilhelmus Frederici noemt de Bataven al even in zijn De Frisiae situ gentisque origine (1498).[36]:22 In de Nederlanden nam vervolgens vanaf het begin van de 16e eeuw de interesse in de Bataven ineens sterk toe, een trend die min of meer samenviel met de opkomst van het humanisme. Vanaf deze tijd ontstond gaandeweg het beeld dat de Bataven volledig inheems waren geweest in het huidige Nederland, dat ze daar mogelijk met velen geweest waren, veel eigen nederzettingen hadden gehad en mogelijk een voor die tijd hoogontwikkelde eigen beschaving (de zogeheten Bataafse mythe kwam met name hieruit voort; zie ook hieronder). De jonge republiek, nog in strijd met de Spanjaarden, identificeerde zich tevens sterk met de Bataven, die zich in hun eigen tijd ook al hadden verzet tegen de Romeinse dwingelandij. Men ging op grond hiervan rechtstreekse parallellen trekken tussen de Bataafse Opstand van 69-70 en de actualiteit van dat moment: de Nederlandse Opstand tegen de Spaanse koning Filips II onder leiding van Willem van Oranje.[5]:49[37] In Nederland ging men de Bataven vanaf die tijd feitelijk beschouwen als de eigen voorouders. Tot de eerste echt bekende schrijvers die zich intensief op dit onderwerp toelegden behoren Desiderius Erasmus (ca. 1466-1536), Cornelius Aurelius (1460-1531) en Gerardus Geldenhouwer (1482-1542). Zij identificeerden zichzelf tevens publiekelijk als Bataaf.[38][36]:22

In dezelfde tijd vatte de gedachte post dat het leefgebied van de Bataven zelf Batavia heette. Allerlei bekende Nederlandse historici en schrijvers uit de 16e en 17e eeuw schaarden zich achter dit idee, onder wie ook Johannes van Someren (1622-1676) en Jacob Aertsz. Colom (1600-1673).[39][40] Ook voor het bestaan van de naam Batavia in de oudheid ontbreken desondanks duidelijke rechtstreekse aanwijzingen.

De theorieën over de "Bataven als oudste Nederlanders" zijn gaandeweg steeds meer losgelaten en gelden inmiddels als vrijwel volkomen achterhaald. Het in de Nederlandse bodem teruggevonden archeologische materiaal is wat betreft de veronderstelde grootschalige Bataafse aanwezigheid bij lange na niet voldoende overtuigend gebleken (zie ook #Archeologie). Tegenwoordig wordt het dan ook als een veel aannemelijker scenario gezien dat de Bataven op instigatie van de Romeinen en/of bij wijze van kolonisatie naar de Betuwe werden gebracht.[41]

Verwijzingen in de cultuur vanaf de 16e eeuw

[bewerken | brontekst bewerken]

Met de in de 16e eeuw in de Nederlanden opgekomen interesse voor de Bataven kwamen er vanaf die tijd ook allerlei culturele verwijzingen. Tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) schreef P.C.Hooft een historisch treurspel, Baeto, of Oorsprong der Hollanderen (1617),[42] over de fictieve voorvader van de Bataven, dat het beeld van de Nederlandse geschiedenis sterk beïnvloedde. De rechtsgeleerde Hugo de Groot schreef in 1610 De antiquitate reipublicae Batavicae (over de oudheid van de Bataafse republiek), waarin hij 'uit politieke overwegingen' stelde dat de Hollandse Republiek direct verband hield met een (mythische) Bataafse republiek.[43] Schilders als Otto van Veen, Rembrandt van Rijn en Jan Lievens kregen opdracht de – aangenomen – Bataafse geschiedenis in beeld te brengen.

Bekende vernoemingen

[bewerken | brontekst bewerken]
Bataafse Republiek
De burgers van de Bataafse Republiek (1795 - 1801) werden toentertijd ook Bataven genoemd.
Batavia
Batavia, de hoofdstad van Nederlands-Indië (het huidige Jakarta) werd eveneens vernoemd naar de Bataven.
Betuwe
Over de vraag of er een etymologisch verband bestaat tussen de topografische naam Betuwe en de naam Bataven bestaat geen overeenstemming (zie ook #Mogelijke etymologieën).
Passau
Door de Romeinen Batavis genoemd vanwege de Bataafse huursoldaten die daar waren gelegerd. De moderne vorm van de naam is toe te schrijven aan de Hoogduitse klankverschuiving (b > p, t > ss).
Lugdunum Batavorum
Op grond van de veronderstelling dat de Bataven (ook) in het huidige Zuid-Holland hadden geleefd, is de toponiem Leiden omstreeks de 17e eeuw verlatiniseerd tot het bij Ptolemaeus aangetroffen Lugdunum Batavorum ("Lyon van de Bataven").[44][5]:60-61 Deze zelfde gelatiniseerde plaatsnaam is bovendien nog op Katwijk betrokken, op grond van het idee dat de Bataven dáár hun woongebied hadden.

Behalve uit deze Romeinse historiografieën, zijn de Bataven ook in de epigrafie geen onbekenden. Zo zijn in Rome grafstenen teruggevonden van mensen die het vak corporis custos (lijfwacht) beoefenden, waaronder veel Bataven. Ze dienden Nero en Tiberius.

Behalve de lijfwachten van de keizers leverden de Bataven ook ruiter-regimenten, alae of (alae) miliariae, die in grafschriften en getuigenissen van honesta missio terug te vinden zijn op de Balkan, in Zuid-Duitsland (Raetia), Hongarije, Oostenrijk en Frankrijk. Bekend zijn onder andere:

  • ala I Batavorum
  • I Batavorum miliaria. Een ala miliaria is een dubbele ala. Wordt ook met de eretitel pia fidelis vermeld.
  • VIIII Batav(orum) miliaria, ruiterij. Komt ook onder de titel turma voor, maar of het hier dezelfde eenheid betreft, is onzeker.
  • cohors I Batavorum
  • cohors II Batavorum
  • cohors III Batavorum peditata
  • cohors IX Batavorum
  • Over de eerste keizer van het Gallische keizerrijk, Postumus, doet het verhaal de ronde dat hij zelf van Bataafse afkomst was.
  • Een populair verhaal, dat vrijwel zeker op pure fantasie berust, wil dat de Bataven "op holle boomstammen de Rijn afzakten" en aldus Nederland bereikten[26]
  • Een bekend Neolatijns aforisme is Sic transit gloria Batavorum ("Zo gaat de roem der Bataven voorbij"), dat eind 20e eeuw opdook toen de Bataafse mythe steeds verder afbrokkelde.[41]