Vroege middeleeuwen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Vroege Middeleeuwen)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Dit artikel is in bewerking voor de Schrijfwedstrijd. Crystal wp.png
Wil je een grotere wijziging in dit artikel doorvoeren, dan is het misschien beter deze eerst op de overlegpagina voor te stellen. Voor uitleg hierover zie hier.
Replica van de helm van Sutton Hoo; het origineel werd begraven met de Angelsaksische leider — waarschijnlijk koning Rædwald van East Anglia, ca 620[1]

De vroege middeleeuwen is een periode in de Europese middeleeuwen en deze periode loopt doorgaans van de Val van het West-Romeinse Rijk in de vijfde eeuw tot en met de tiende eeuw.

Het merendeel van de vroege middeleeuwen, van het einde van de vierde eeuw na Christus tot aan de achtste eeuw heeft volgens historicus Dick Harrison het karakter van een groot, moeilijk te definiëren overgangsproces waarin de klassieke samenleving veranderde in de middeleeuwse samenleving.[2] In de periode van 600 tot 1000 was er sprake van een langzaam maar gedurig herstel van West-Europa waarin de bevolking groeide en de handel zich herstelde.

Periodisering[bewerken | brontekst bewerken]

Periodes uit de
westerse geschiedenis


Portaal  Portaalicoon  Geschiedenis
Portaal  Portaalicoon  Middeleeuwen

Om grip te krijgen op de lange en brede periode van de middeleeuwen hebben 19e-eeuwse Duitse historici getracht om deze eeuwen onder te verdelen. Zij kwamen met de onderverdeling Früh-, Hoch- en Spätmittelalter, oftewel de vroege, hoge en late middeleeuwen. Ze werden hierin gevolgd door hun Britse collega's, maar de historici in de Romaanstalige landen maakten alleen een onderverdeling tussen de vroege (Frans: bas) en late (Frans: haut) middeleeuwen.[3]

De Nederlandse historici Wim Blockmans en Peter Hoppenbrouwers leggen de grenzen van de vroege middeleeuwen tussen het jaar 300 en het jaar 1000.[4] Daarentegen laat de Zweedse mediëvist Dick Harrison de periode omstreeks 500 beginnen en laat deze eveneens eindigen met het jaar 1000.[2] Het jaar duizend als breekpunt van de middeleeuwen werd voor het eerst gekozen door de Amerikaanse historicus Charles Homer Haskins in 1928. Hij zag de periode 1000 tot 1200 als de periode van de renaissance van de twaalfde eeuw. Daarnaast wordt ook vaak het jaar 950 gekozen als eindpunt van de vroege middeleeuwen en het begin van de hoge middeleeuwen vanwege de grote bevolkingsgroei die zich vanaf dan inzet.[5]

Donkere middeleeuwen[bewerken | brontekst bewerken]

De oorsprong van de term donkere middeleeuwen kan teruggevonden worden in de geschriften van Petrarca die de middeleeuwen aanduidde als donker. Ook de protestanten noemden de middeleeuwen donker vanwege de dominante positie van het katholicisme.[6] De Britse historicus Edward Gibbon greep in zijn The History of the Decline and Fall of the Roman Empire terug op Petrarca en had het over de “donkerheid van de middeleeuwen”. Hierdoor begonnen de termen middeleeuwen en de donkere middeleeuwen (Engels: ‘’Dark Ages’’) uit te groeien tot synoniemen.[7] Door hernieuwd en beter onderzoek ontstond er in de negentiende eeuw een beter beeld van de middeleeuwen in zijn algemeenheid en raakte de terminologie in onbruik. De term "donkere middeleeuwen" ijlde nog even na in de Angelsaksische wereld waar met deze term de periode van de Engelse geschiedenis werd aangeduid van vóór de Normandische verovering van Engeland. Op termijn bleek deze term hier ook niet langer houdbaar en verdwenen de "donkere middeleeuwen" en maakten deze plaats voor de vroege middeleeuwen.[8]

Staatkundige ontwikkelingen[bewerken | brontekst bewerken]

Val van het West-Romeinse Rijk[bewerken | brontekst bewerken]

Kaart van het Romeinse rijk met de door Diocletianus ingestelde prefecturen.

Het Romeinse Rijk had in het begin van de vierde eeuw niet meer zijn grote omvang van een paar eeuwen eerder. In de derde eeuw na Chr. kreeg het rijk te maken met een aantal crises en hierdoor kwam het rijk terecht in een neerwaartse demografische en economische spiraal. Om het rijk uit de vele crises te leiden voerde keizer Diocletianus een aantal hervormingen door. Zo maakte hij een onderverdeling in het West- en Oost-Romeins Rijk, codificeerde hij het Romeins recht, kwamen er munthervormingen en werd het belastingstelsel hervormd. Tevens moesten alle Romeinse burgers zich conformeren aan de Romeinse staatsgodsdienst, het christendom.[9]

Na de troonsbestijging van keizer Valentinianus I kwam er een definitieve scheiding tussen het West- en Oost-Romeinse Rijk. In de late keizertijd veranderde het beleid van de Romeinse keizers voor het bewaken van hun grens. Zo werd er een onderscheidt gemaakt tussen lichtbewapende grenstroepen en mobiele interventielegers die waren gelegerd in de garnizoensplaatsen. Vanaf het midden van de vierde eeuw sloten de Romeinse keizers ook verdragen met omvangrijke volken die militaire bondgenoten van het keizerrijk werden. Doordat de bereidheid onder de Romeinse bevolking afnam om in de legioenen te dienen werden de soldaten voornamelijk onder de "barbaarse" bevolking gerekruteerd. Hierdoor drongen er geleidelijk aan ook steeds meer niet-Romeinse door naar de elite-eenheden en de militaire topfuncties.[10]

Volgens Edward Gibbon viel het Romeinse Rijk door "barbarism and religion", maar deze visie wordt door moderne historici betwist. In het jaar 476 werd de laatste West-Romeinse keizer Romulus Augustulus door de "barbaar" Odoaker afgezet. Hij stuurde de symbolen van de keizerlijke waardigheid naar de keizer in Constantinopel en onderhandelde over zijn eigen positie. Formeel was er dan ook geen sprake van een breuk in het jaar 476. Pas in het jaar 518 sprak de Oost-Romeinse historicus Marcellinus Comes over de val van het West-Romeinse Rijk, al was dit waarschijnlijk een poging om de macht van keizer Justinianus I over het westen te legitimeren.[11]

Byzantijnse Rijk[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Byzantijnse Rijk voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Kaart van het Byzantijnse Rijk onder Justinianus.
 Veroveringen van Justinianus I
 Het rijk bij het aantreden van Justinianus I

De dood van keizer Theodosius I resulteerde in de definitieve scheiding tussen het Oost- en West-Romeinse Rijk en omstreeks het jaar 400 was het Oost-Romeinse Rijk een politiek stabiele en fiscaal geïntegreerde staat. Waar in de vijfde eeuw het West-Romeinse Rijk werd overlopen door de vele Germaanse volkeren had haar oostelijke buur hier in veel mindere mate mee te maken. Alleen de noordelijke Balkan, het moderne Bulgarije en Joegoslavië waren de grootste bedreigingen voor het rijk aan het einde van de vijfde eeuw. De Byzantijnen kenden een korte periode van verval onder keizer Zeno en onder zijn opvolger Anastasius werden de keizerlijke financiën hervormd. Het rijk kende een opleving onder het bewind van keizer Justinianus I. Hij hernieuwde het rechtssysteem (Codex Justinianus), reorganiseerde de keizerlijke administratie en begon aan uitgebreide bouwprojecten, zoals de Hagia Sophia in de hoofdstad Constantinopel. Daarnaast ging hij ook over tot het heroveren van voormalige Romeinse provincies voor zijn rijk. Zo herwon hij Noord-Afrika, Sicilië, Italië en een deel van Spanje.[12]

Het herstelbeleid van Justinianus I begon al in het midden van de zesde eeuw te haperen. De externe druk van de Sassaniden in het oosten en de komst van de Avaren en Bulgaren konden de Byzantijnse keizers met wisselend succes afweren. Keizer Herakleios wist met succes de Sassaniden in 627 te verslaan in de slag bij Ninive, maar de provincies Syria en Palestina zouden een kleine tien jaar later aan de moslims verloren gaan. In de zevende en achtste eeuw werd de militaire organisatie en de belastingen hervormd.[13]

Tot omstreeks het jaar 800 behaalden de Byzantijnse legers kleine successen, maar aan het einde van de negende eeuw begon het tij te keren voor de Griekstalige staat. De Byzantijnen konden hun positie versterken in de laars van Italië en Anatolië. De veroveringen die het rijk boekte in de tiende eeuw, zoals Cilicië en Armenia, waren vooral het gevolg van de verzwakking van de vijanden van de Byzantijnen en de politieke stabiliteit van het Byzantijnse Rijk. Deze stabiliteit werd bewerkstelligd doordat er een werkzaam evenwicht werd gevonden tussen de erfelijke monarchie van het rijk en de inmenging in de staatszaken van de legertop.[14] Na de dood van de succesvolle generaal en medekeizer Johannes I Tzimiskes brak er een burgeroorlog in het rijk uit waarin Basileios II Boulgaroktonos de macht wist te grijpen en deze wist vervolgens Bulgarije te veroveren. Bij zijn overlijden in 1025 was Byzantium weer een grootmacht.[15]

Volksverhuizingen[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Grote Volksverhuizing voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Kaart van de migratiestroom van de volkeren tijdens de Volksverhuizingen

Al sinds de tweede eeuw waren er vele volkeren aan de noordgrens van de Donau en de oostgrens van de Rijn in beweging. Een van de eerste volkeren die hun plek binnen het Romeinse Rijk wisten te veroveren waren de Alemannen, die in zuidwest-Duitsland neerstreken. De Saksen waren een ander volk die in de derde eeuw in beweging kwam. Het merendeel van deze migraties vonden in de periode tussen 300 en 600 plaats en staan bekend als de Grote Volksverhuizing.[16] De situatie veranderde omstreeks 370 toen de Hunnen hun intrede deden ten noordwesten van de Zwarte Zee. Door de druk van de Hunnen waren de Ostrogoten gedwongen om zuidwaarts te trekken, de Donau over richting het Romeinse Rijk. Aanvankelijk waren de Romeinen bereid de Ostrogoten op te nemen in ruil voor de belofte voor troepen voor het Romeinse leger, maar de spanningen liepen weldra op en dit leidde tot de Slag bij Adrianopel in 378. Vier jaar later werd er een overeenkomst gesloten tussen de Romeinen en de Goten waarbij deze laatsten zich als feoderati mochten vestigen in Moesia. Onder leiding van Alarik I vertrekken de Goten uit Moesia. Tijdens hun plundertochten in Europa brandschatten de Goten de stad Rome voor de eerste maal in 410.[17]

In 406 stak aan de noordgrens van het Romeinse Rijk, bij het huidige Mainz, een groot leger de bevroren Rijn over. Dit leger bestond uit Vandalen, Sueven, de Alanen en later ook de Bourgondiërs. Vanwege de voedselschaarste trok dit leger van plaats naar plaats en plunderden ze het platteland. In 409 staken de Vandalen, Alanen en Sueven de Pyreneeën over om daar verder te gaan met de plunderingen. Kort na hun komst werden ze gevolgd door de Goten en zij vestigden zich als foederati in Aquitanië van waar ze een machtig rijk uitbouwden. De Vandalen en Alanen staken op hun beurt de zee over en veroverden in 439 de stad Carthago die de hoofdstad werd van het Vandaalse Rijk.[18]

In Brittannië was omstreeks 410 een einde gekomen aan de Romeinse aanwezigheid op het eiland. De Romeinse troepen op het eiland werden ingezet in de woedende Romeinse Burgeroorlog. Het eiland viel uiteen in ongeveer dertig lokale politieke eenheden. Weldra werd de macht op het eiland overgenomen door een aantal Germaanse volkeren die waarschijnlijk Romeinse hulptroepen waren: de Angelen, Saksen en de Juten.[19] In de tweede helft van de vijfde eeuw nam de migratie aanzienlijk toe en ontstonden er een zevental koninkrijken die in de zesde eeuw met elkaar regelmatig in oorlog waren met elkaar.[20]

"Barbaarse" koninkrijken[bewerken | brontekst bewerken]

De Franken onder de Merovingen[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Merovingen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Het rijk der Franken bij het aantreden van koning Clovis

Een van de weinige Germaanse volkeren die niet heel West-Europa doortrokken waren de Franken. Nadat de Salische Franken in 358 door de Romeinen werden verslagen kregen ze toestemming om zich te vestigen in Toxandrië.[21] Onder leiding van koning Clovis I werd de machtssfeer van de Franken behoorlijk uitgebreid. Hij wist te zegevieren over de Alemannen en versloeg de Visigoten in de Slag bij Vouillé waardoor hij een groot gedeelte van Zuid-Gallië veroverde. Bij zijn dood in 511 was hij de heerser van een West-Europese grootmacht.[22] Na de dood van Clovis werd zijn rijk verdeeld onder zijn zonen, een Frankische gewoonte die in de zesde eeuw tot veel burgeroorlogen leidde. Pas na de dood van Brunhilde in 613 kwam er een einde aan dit tijdperk. De periode van vrede die hierop volgde wordt beschouwd als het hoogtepunt van het Merovingische Frankische Rijk.[23]

Na de dood van koning Dagobert I in 639 werd de opdeling van het Frankische Rijk geconsolideerd in een Austrasisch en Neustrisch-Bourgondisch blok. In deze tijd verschoof ook steeds meer van de werkelijke macht van de koningen naar de leidende elite. Bij hun aantreden waren vele van de Merovingische koningen nog minderjarig en stonden daarom in de schaduw van hun elite. In de tweede helft van de zevende eeuw namen de gevechten tussen de elitefacties en koningen toe en hierdoor verzwakte de controle van het centrale gezag over de perifere regio's. De Merovingische koningen uit de periode 680 tot halverwege de achtste eeuw staan bekend als de rois faineants, de koningen die niets doen. Zij zouden overschaduwd zijn geweest door hun hofmeiers.[24] Dit ambt werd in Austrasië al snel gemonopoliseerd door de Pepiniden, die vernoemd was naar hun stamvader Pepijn van Landen. In het jaar 700 verkregen zij ook de positie van hofmeier in Neustrië.[25]

Longobarden[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Longobardische Rijk voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
De IJzeren Kroon van de Longobarden kwam in het bezit van de Longobarden nadat zij de Goten versloegen. De kroon zou in de middeleeuwen gebruikt worden om de keizers van het Heilig Roomse Rijk mee te kronen.[26]

De Longobarden waren afkomstig uit de Balkan en omstreeks 510 domineerden zij samen met de Gepiden dit schiereiland. Na de komst van de Avaren allieerden de Longobarden zich met hen en werden de Gepiden verslagen in 567. Gesterkt door dit succes trok de Longobardische koning Alboin het jaar daarop Italië binnen en vestigde het volk zich aanvankelijk in noordoost-Italië met Pavia als belangrijkste centrum. Na de dood van de zoon van Alboin viel het rijk uiteen in diverse onafhankelijke hertogdommen. De Longobarden vestigden zich ook in Midden- en Zuid-Italië waar ze de hertogdommen Spoleto en Benevento stichtten. Deze hertogdommen vormden een afzonderlijk politiek bestaan ten opzichte van de Longobardische territoria in het noorden.[27]

Eind zesde eeuw dreigde de ondergang voor het Longobardische Rijk door de opmars van de Franken en Byzantijnen. Hierdoor gaven verschillende stadshertogen hun autonomie op en erkenden ze Authari als hun koning. Authari verkreeg ook een koninklijk domein wat hem en zijn opvolgers een solide machtsbasis gaven. Met behulp van deze bezittingen slaagden Authari en zijn opvolger Agilulf erin hun externe vijanden te verslaan. Tevens werden de regio's Emilia en Venetia veroverd. Op deze manier ontstond er aan het begin van de zevende eeuw een christelijk Longobardische monarchie.[27]

In de eerste helft van de achtste eeuw kwam het Longobardische Rijk in een bloeiperiode terecht. In het midden van de eeuw hadden ze bijna het hele schiereiland veroverd. De belangrijke Byzantijnse stad Ravenna viel in 751. Ook de onafhankelijke hertogdommen Spoleto en Benevento werden door de Longobardische koningen verslagen. Hierdoor kwamen ook de pausen van Rome verder in het nauw te zitten en hierop wendde de paus zich tot de hulp van de Franken. De Frankische Karolingische koning Pepijn de Korte startte een reeks oorlogen tegen de Longobarden die het einde van het rijk inleidde.[28]

Visigoten[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Visigotische Rijk voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Het Visigotische Rijk omstreeks 600

In 455 startte de Visigotische koning Theodorik II vanuit Toulouse een invasie op het Iberisch Schiereiland. Zij versloegen het Suevenrijk in de Slag aan de Urbicus en nog hetzelfde jaar werd de Suevische koning Rechiar gedood waarmee er ook een voorlopig einde kwam aan het Suevische Rijk. Aan het einde van de vijfde eeuw migreerden er grote groepen Goten vanuit Aquitanië naar het zuiden om zich daar te vestigen. Door de machtsuitbreiding van Clovis ten noorden van de Pyreneeën viel het Visigotische Rijk uiteen. In de halve eeuw die daarop volgde ging de rijksvorming van de Goten gepaard met politieke crises. Door de tussenkomst van de Ostrogoten werd de Frankische opmars gestuit en bleef Septimanië nog twee eeuwen lang Gotisch bezit.[29]

Ten tijde van de regering van de koning Leovigild kende het rijk een bloeiperiode. Hij veroverde het opstandige Córdoba en het Byzantijnse Medina-Sidonia en ging vervolgens op pad om de noordelijke provincies zoals Cantabrië te veroveren. Daarnaast maakte hij ook een definitief einde aan het Suevenrijk en hiermee bevatte zijn rijk in 585 het gehele schiereiland, uitgezonderd van de Baskische bergen en de Byzantijnse steden. Onder Leovigild werd ook het prestige van de monarchie vergroot. Dit deed hij door middel van het gebruik van op Oost-Romeins geïnspireerde regalia, werd Toledo het staatscentrum en werd er een Visigotische munt ontwikkeld. Zijn opvolger Reccared I liet zich vervolgens van het arianisme bekeren tot de dominante katholieke stroming van het christendom.[30]

Tot aan 624 hielden de Visigotische offensieven tegen buitenlandse vijanden aan en daarop brak een periode van relatieve rust uit. De problemen van de Visigoten waren in de laatste honderd jaar van hun rijk meer intern van aard dan extern. Bij de intrede van de moslims in 711 werd het Visigotische leger en koninkrijk weggevaagd door de legers van Tariq ibn Zijad.[31]

Opkomst islam[bewerken | brontekst bewerken]

Omajjadische afbeelding van de zes koningen. De tweede, onherkenbare, koning wordt geïdentificeerd als de Visigotische koning Roderik.

Na de dood van de profeet Mohammed op het Arabisch Schiereiland werd het gezag van de islam onder de opvolgers van Mohammed, de kaliefen, razendsnel verspreid. In het jaar 636 versloegen de opvolgers van Mohammes het Byzantijnse Rijk in de Slag bij de Jarmuk. Hierdoor lagen de gebieden van Palestina en Syrië open voor verovering. Na een paar jaar zouden de Byzantijnen ook door de moslims verdreven worden in Egypte.[32]

Al-Andalus[bewerken | brontekst bewerken]

In 711 werd het huidige Marokko veroverd en na deze gebiedsuitbreiding werd er een expeditie naar het Iberisch schiereiland gestuurd onder leiding van Tariq ibn Zijad. De expeditie was aanvankelijk bedoeld als een plundertocht. Tariq ibn Zijad slaagde erin een snel opgetrommeld Visigotisch leger te verslaan in de Slag bij Guadalete. Door dit verlies werd de Visigotische verdediging van hun rijk lamgeslagen. Deze omstandigheden zorgden ervoor dat Tariq zonder al te veel moeite de sleutelsteden Córdoba en Toledo innam met zijn leger. Aangemoedigd door dit succes kwam er een militaire invasie op gang onder leiding van Moessa bin Noessair. In 720 of 721 staken de moslims de Pyreneeën over en werd Narbonne veroverd. De opmars van de islam in Europa kwam in 740 tot stilstand door een opstand van de Berbers op het schiereiland en dit ontketende een vete die tot 756 zou aanhouden, het jaar waarin Abd al-Rahman I het onafhankelijke Emiraat Córdoba stichtte.[33] Zijn nazaat Abd al-Rahman III proclameerde in 929 het Kalifaat Córdoba en hiermee onderstreepte hij zijn legitimiteit ten opzichte van de kaliefen in Bagdad en de Egyptische Fatamiden.[34]

Het rijk van het nieuwe emiraat concentreerde zich met name op het gebied rondom de rivier de Guadalquivir en hadden ze weinig interesse voor het gebied ten noorden van de Pyreneeën. Door deze desinteresse kon het kleine Koninkrijk Asturië in deze periode ontstaan. Omstreeks het jaar 800 ontstonden er naast Asturië nog een paar andere kleine christelijke koninkrijkjes en kwam het oosten, de Spaanse Mark, onder Frankisch gezag te staan.[35] Tot aan het einde van de tiende eeuw bleef de macht van het Omajjadische kalifaat Córdoba te groot voor de christelijke vorsten in het noorden om hun gebied op het schiereiland uit te breiden.[34]

Zestiende eeuwse kaart van Sicilië in het Arabisch, gemaakt door Piri Re'is.

Sicilië en Bari[bewerken | brontekst bewerken]

In het begin van de negende eeuw was de Afrikaanse toevoer van slaven in het huidige Tunesië gestagneerd en moest de islamitische dynastie van de Aghlabiden nieuwe markten aanboren om hun vraag naar slaven te kunnen voldoen. In juni 827 arriveerde er een leger van de Aghlabiden op Sicilië en trokken ze op naar Syracuse dat ze belegerden. Deze belegering eindigde in een deceptie voor de Arabieren.[36] In 831 werd de stad Palermo ingenomen door de Aghlabiden en vestigden ze het islamitische gezag op het eiland, maar de verovering van het gehele eiland zou nog enkele decennia duren. Ondertussen waren de Arabieren ook enkele allianties aangegaan met het Hertogdom Benevento en begonnen ze ook Italië te teisteren. In 846 viel ook een expeditieleger Rome aan. Elf jaar later werd de stad Bari aangevallen en werd daar een emiraat gesticht. Het emiraat diende als uitvalsbasis voor plunderingen in het binnenland van Italië. Het emiraat was geen lang leven beschoren en werd in 871 werd door de christenen heroverd door Lotharius II.[37]

De stad Syracuse werd door de Arabieren in 878 veroverd na een lang beleg en de laatste Byzantijnse bezittingen op het eiland werden pas in 965 veroverd. In de tussentijd had zich een dynastieke wissel op het eiland voorgedaan. De Aghlabiden werden afgezet en in hun plaats kwam de sjiitische dynastie van de Fatimiden. De soennitische bevolking van het eiland kwam herhaaldelijk in opstand tegen het nieuwe gezag. Bij het neerslaan van de laatste grote opstand van 937-939 moordden de Fatimiden hele dorpen uit en lieten ze loyale onderdanen vanuit Afrika migreren naar Sicilië. In 948 werd Hassan al-Kalbi tot emir van Sicilië gemaakt om de positie van de Fatimiden op het eiland te versterken. Zijn nazaten zouden de komende honderd jaar over het eiland heersen en hun regering kwam nog ten einde voor de komst van de Noormannen.[38]

Maatschappij[bewerken | brontekst bewerken]

Levensomstandigheden[bewerken | brontekst bewerken]

Eeuwenlang vormden de Rijn en de Donau de noordgrens van het Romeinse Rijk en daarmee ook de grens tussen beschaving en barbaren. Het Romeinse Rijk was een sedentaire beschaving met een gecentraliseerd gezag en een beroepsleger. De economie was deels afhankelijk van slaven, die werkten op de domeinen van de elite. De Romeinse steden waren vooral bestuurlijke en administratieve centra. Brood, wijn en olijfolie vormden het dagelijks menu. Ten noorden van deze grenzen woonden verschillende Germaanse stammen. De Germanen waren in deze tijd nog half-nomadisch en leefden naast akkerbouw van hun kudden. Vechten en plunderen waren voor de vrije mannen onder hen een normaal onderdeel van het bestaan. Het is niet verwonderlijk dat vele Germanen zich graag binnen het rijk met zijn hogere levensstandaard wilden vestigen. In de loop der eeuwen nam de druk op de grenzen van het Romeinse Rijk toe.

Massale bevolkingssterfte[bewerken | brontekst bewerken]

Inhoud van een merovingisch vrouwengraf (Vrijthof, Maastricht)

De Europese bevolking, die aan het begin van de Christelijke jaartelling ongeveer 70 miljoen zielen telde[39], kromp in de vroege middeleeuwen tot 20-30 miljoen. Dit was niet door toedoen van massale slachtingen door oorlogsgeweld of grote hongersnoden, hoewel die ook een aanzienlijke tol eisten. De belangrijkste oorzaak lijkt te zijn dat er voorheen onbekende epidemische ziektes, meekomend met de invallende steppevolkeren, opdoken die massaal om zich heen grepen. De bevolking had hiertegen vooralsnog geen enkele natuurlijke weerstand en het sterftepercentage bij besmetting was meestal meer dan 50% (vergelijk de enorme sterfte door ziekten onder de indianen tijdens de tijd van de Spaanse Conquistadores). Bekend van kroniekschrijvers uit die periode is een gigantische sterfte in het Byzantijnse Rijk ten tijde van keizer Justinianus I als gevolg van een uitbraak van de pest. De eerste uitbraak was rond 542, waarna deze ziekte lange tijd elke twaalf tot twintig jaar zou terugkeren.

Leenstelsel[bewerken | brontekst bewerken]

Rond 800 ontstond een element van de middeleeuwse maatschappij, het leenstelsel, dat ook met de term feodalisme aangegeven wordt. Essentieel aan het middeleeuwse leenstelsel is de combinatie van vazalliteit en beneficium, het leen dat de vazal ontvangt om in zijn levensonderhoud te voorzien. Overigens ontvingen lang niet alle vazallen een leen. Om vazal te worden moest men een eed van trouw aan de heer zweren. Tot zijn dood was de vazal verplicht zijn heer met raad en daad (consilium et auxilium) bij te staan.

Religie[bewerken | brontekst bewerken]

Christendom[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Geschiedenis van het christendom voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Vroeg-christelijke grafsteen (Maastricht, 5e eeuw)

Gedurende de gehele middeleeuwen was het christendom in zowel het Latijnse Westen als het Griekse Oosten de heersende godsdienst met doorgaans grote invloed op het dagelijks leven.

Constantijn de Grote gaf de christenen met het Edict van Milaan (313) vrijheid van godsdienst. Keizer Theodosius I maakte het christendom in 380 zelfs staatsgodsdienst. De geloofsbelijdenis zoals vastgesteld door het Concilie van Nicea (325) werd voortaan als orthodox beschouwd. De heidense cultus werd verboden en de tempels gesloten.

Het feit dat een deel van de Germanen reeds (ariaans) christen waren, vergemakkelijkte hun integratie in de Romeins-Griekse cultuur. Clovis I, de eerste koning van de Franken, bekeerde zich omstreeks 500 tot het katholicisme, gevolgd door een deel van de Frankische elite. Ook de Longobarden bekeerden zich. Volgens de overlevering werd het bisdom Tongeren, het oudste bisdom in de Nederlanden, al in de 3e eeuw gesticht, maar hiervoor is geen bewijs voorhanden.[40] Domitianus van Hoei was in 535 de eerste bisschop, waarvan vaststaat dat hij te Maastricht resideerde. Vanaf de 6e eeuw werden er in Noordwest-Europa ook steeds meer kloosters gesticht, zoals de Abdij van Luxeuil en de Sint-Medardusabdij. In de Lage Landen gebeurde dit vanaf de 7e eeuw: in 640 de Abdij van Nijvel, in 648 de Abdij van Stavelot, omstreeks 655 de Abdij van Sint-Truiden en in 714 de Abdij van Susteren. Vanaf eind 7e eeuw verbreidt het orthodoxe (Roomse) christendom zich onder invloed van Angelsaksische missionarissen in het huidige Nederland en België.

In de eerste drie eeuwen na Karel de Grote breidde het christendom zich verder uit. Landen die in deze periode tot het christendom zijn overgegaan zijn Moravië, Bohemen, Bulgarije, Polen, Hongarije en het Kievse Rijk.[41]

Iconoclasme[bewerken | brontekst bewerken]

Iconoclasme is de aanduiding van een periode in de geschiedenis van de Oosterse Kerk (730-843), waarin het vervaardigen en het vereren van afbeeldingen (iconen) verboden was. De tegenstanders van het gebruik van iconen werden iconoclasten genoemd, en de voorstanders werden iconodulen genoemd.

Islam[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Islam voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Tijdens de zevende eeuw ontstond de islam op het Arabisch Schiereiland. De islamitische profeet Mohammed werd geboren in Mekka rond 570 en begon te prediken in deze stad rond 610. In 622 migreerde hij naar Medina. Van daaruit verenigden hij en zijn gezellen de Arabische stammen onder de vlag van de islam. Mohammed stichtte een nieuwe verenigde staat op het Arabische schiereiland, dewelke tijdens de op elkaar volgende Rashidun en Omajjaden kalifaten een eeuw van snelle groei van Arabische macht betekende, ver buiten de grenzen van het Arabische schiereiland. In enkele decennia slaagden de islamieten erin het Byzantijnse leger te verslaan en het Perzische Rijk te vernietigen. De islamitische staat groeide uit tot een groot islamitisch Arabisch Rijk met een invloedssfeer van Noordwest-India via Centraal-Azië, het Midden-Oosten, Noord-Afrika, Zuid-Italië en het Iberisch Schiereiland tot aan de Pyreneeën. De politieke focus van de moslimwereld verschoof naar de veroverde gebieden,[42][43] maar Mekka en Medina bleven wel de belangrijkste religieuze plaatsen in de moslimwereld. De Koran schrijft voor dat elke moslim die hiertoe de mogelijkheid heeft, eenmaal in zijn leven een pelgrimstocht of Hadj naar Mekka dient te maken tijdens de islamitische maand Dhu al-Hijjah.[44] Bij de al-Masjid al-Haram (de Grote Moskee) in Mekka bevindt zich de Kaäba, de meest heilige voor de islam, en de Masjid al-Nabawi (de Moskee van de Profeet) in Medina is de plaats waar Mohammed begraven werd. Zo werden Mekka en Medina vanaf de zevende eeuw bedevaartsoorden voor grote aantallen moslims van over de hele islamitische wereld.[45]

Sjiieten en soennieten[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Stromingen in de islam voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Ali, neef en schoonzoon van Mohammed, was niet aanwezig toen Aboe Bakr werd aangesteld tot kalief. De aanhangers van Ali zijn van mening dat de kalief niet gekozen kon worden, maar dat het leiderschap van nature over gaat tot een lid van de familie van Mohammed, in dit geval dus Ali. Volgens hen moet de kalief dus een directe bloedband hebben met Mohammed. De soennitische moslims verwerpen deze theologie en zijn van mening dat het geloof in God en in Zijn boodschapper volledig los staat van familie of bloedband. De aanstelling van Aboe Bakr tot kalief wordt door de soennieten bekrachtigd door het feit dat Mohammed het gebed in de moskee aan Aboe Bakr liet leiden toen hij ziek was.

Dat leidde dertig jaar later (661) tot het eerste schisma binnen de moslimgemeenschap: de strijd tussen de sjiieten en de soennieten. Sjia betekent partij of volgeling en is een afkorting van Shīʻatu ʻAlī (partij of volgelingen van Ali) en Ahli Soenna betekent volk van de traditie (van de profeet). De meningsverschillen lagen echter niet zozeer op het gebied van de orthopraxis, als wel op politiek, ideologisch en spiritueel vlak. In principe kan een moslim in iedere moskee aan het gebed deelnemen en vrijwel alle groeperingen houden zich aan de basispunten van de geloofsleer en geloofspraktijk zoals hierboven genoemd.

Wetenschap en onderwijs[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Wetenschap in de middeleeuwen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De intelligentsia bevond zich waar de rijkdom was, met name het Byzantijnse rijk. Voorbeelden zijn de Codex Justinianus en de Hagia Sophia. In het Westen verspreidde de kennis zich via het kloosterwezen. In het begin had je twee richtingen, de Latijnse met als grondlegger Benedictus van Nursia, patroonheilige van Europa en de Keltische, waarvan Columbanus een van de belangrijkste was.

Eind de 8ste eeuw hervormde de raadgever van Karel de Grote, Alcuin, het onderwijs volgens het principe van het Trivium en Quadrivium. In die tijd ontstonden ook de Kathedraalscholen.

Door de verovering van Spanje door de Moren, maakte Europa kennis met de wetenschap in de middeleeuwse islamitische wereld.

Economie[bewerken | brontekst bewerken]

Met de islamitische veroveringen en het verlies van de Middellandse Zee-eilanden, werd Europa afgesloten van de toenmalige wereldhandel. De munthervorming, het overstappen van de gouden standaard naar de zilveren standaard toont de verarming aan[46].

Cultuur[bewerken | brontekst bewerken]

Kunst[bewerken | brontekst bewerken]

Literatuur[bewerken | brontekst bewerken]

Muziek[bewerken | brontekst bewerken]