Naar inhoud springen

Ulpia Noviomagus Batavorum

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Maquette van het legerkamp op de Hunnerberg opgesteld in Museum Het Valkhof te Nijmegen

Ulpia Noviomagus Batavorum was, naar algemeen wordt aangenomen, de naam van Nijmegen in de laat-Romeinse tijd. Het was de hoofdstad van de Civitas Batavorum (zie ook Germania Secunda). Mogelijk was de volledige naam Municipium Ulpia Noviomagus Batavorum.[1]:107 De plaats moet omstreeks het begin van de 2e eeuw Romeinse stadsrechten hebben gekregen (zie verder #Verband met toekenning Romeinse stadsrechten).

Deze stad was strategisch bij de heuvels aan de rivier de Waal gelegen. De precieze locatie is onduidelijk, maar men meent dat deze overeenkwam met de plek waar nu de Nijmeegse wijk Waterkwartier is. Iets oostelijker lijkt in de eeuw daarvoor de Bataafse nederzetting Oppidum Batavorum ("vesting van de Bataven"), ook bekend als Batavodurum ("versterkte stad van de Bataven") te hebben gelegen. Laatstgenoemde nederzetting werd verwoest tijdens de Bataafse Opstand onder leiding van Julius Civilis in 69 n. Chr.

Het archeologisch onderzoek in de bodem in en nabij Nijmegen werd begin 20e eeuw in gang gezet door Jan Hendrik Holwerda, wiens interesse was gewekt door sporen uit de Romeinse tijd die hier gevonden waren. Later hebben andere archeologen en historici het door Holwerda in gang gezette onderzoekswerk voortgezet. Het archeologisch onderzoek duurt tot op heden en er worden nog steeds soms nieuwe ontdekkingen uit de Romeinse tijd gedaan.

De vroegste sporen die duiden op bewoning in het gebied in en rond het huidige Nijmegen zijn enkele grafkuilen uit het late neolithicum (ca. 2000 v.Chr.) op het Kops Plateau. Verder zijn er een aantal grafheuvels gevonden uit de bronstijd, waarin de gecremeerde resten van meerdere personen zijn aangetroffen (ca. 1100-500 v.Chr.); ook zijn sporen van een cultusplaats gevonden. Deze vondsten houden nog geen verband met de latere Romeinse tijd.

Vroeg-Romeinse tijd (ca. 15 v.Chr. - 69 n.Chr.)

[bewerken | brontekst bewerken]
Schematische weergave van Oppidum Batavorum/Batavodurum met de Romeinse castra op de Hunnerberg en het Kops Plateau (eerste eeuw)

Het legerkamp op de Hunnerberg, eerste periode

[bewerken | brontekst bewerken]

Ergens tussen 20 v.Chr.- 10 v.Chr. moet er zich een groot Romeins invasieleger hebben gevestigd op de Hunnerberg, dat vermoedelijk uit z'n 10.000 man bestond; dit waren mensen met Romeins burgerrecht.[2] Omstreeks 15 v.Chr. lijkt hier een groot kamp (castrum) te zijn gebouwd, het eerste Romeinse kamp op deze plek. Dit kamp was 42 hectare groot, en had een veelhoekige vorm. De zuidrand ervan lijkt overeen te komen met de plek waar nu de Tooropstraat is (wijk Altrade).[3]:23 Het kamp werd verdedigd door een dubbele sloot en een muur van aarde en hout met poorten, hoektorens en intervaltorens om de 24 m. De verdedigingswerken bestonden zelf uit twee droge V-vormige grachten en een wal. Er waren op regelmatige afstand torens van elkaar geplaatst, ook moeten er minstens vier toegangspoorten zijn geweest.[3]:24 Het is de vroegste militaire basis in het Rijnland en kan worden beschouwd als de bakermat van de Nedergermaanse grens. Het kamp had ruimte voor twee legioenen of één legioen met een ala milliaria, een cavalerie-eenheid van de hulptroepen (auxilia) van het Romeinse leger, ongeveer 1000 man sterk.

In 12 v.Chr. voerde Drusus een grootscheepse, succesvolle campagne om Germania (inclusief de fines frisiorum, de Friese grenzen) verder te veroveren. In de Nijmeegse bodem zijn ook archeologische sporen bewaard gebleven die misschien aan deze campagne zijn toe te schrijven. Het wordt daarom voor aannemelijk gehouden dat dit kamp op de Hunerberg heeft gediend als een van de uitvalsbases voor Drusus tijdens diens campagne. Rechtstreekse aanwijzingen dat Drusus daadwerkelijk zelf op deze plek heeft verbleven, ontbreken desondanks.

Het legerkamp op het Kops Plateau

[bewerken | brontekst bewerken]

In circa 10 v.Chr. werd, in plaats van het eerdere grote kamp, een relatief klein legerkamp gebouwd. Dit nieuwe kamp bood plaats aan ongeveer 800 manschappen. Het was echter wel voorzien van een groot en luxueus praetorium, een commandantswoning, in keizerlijk aristocratische stijl. De enige vergelijkbare vondsten zijn gedaan langs de rivier de Lippe. Opmerkelijk is. naast de grote omvang van het praetorium, ook de relatief grote hoeveelheid officierswoningen. De architectuur is verwant aan die van de kampen in Lippe, Oberaden, Anreppen en Haltern (langs de Lippe), hoewel het laatste van iets jongere datum is.

Na de nederlaag van de Romeinen onder Varus in het jaar 9 vond een grote reorganisatie van de troepen in Germania Inferior plaats. Het bestaande kamp aan de Hunnerberg werd verbouwd. Het kreeg een oppervlak van 4,5 hectare en had een omvangrijke bezetting van officieren, waarvan vele uit de cavalerie. Daarop wijzen de vele gevonden metalen onderdelen van paardentuig, bitten en ruitersporen. Het praetorium bleef in gebruik. Het wordt voor mogelijk gehouden dat na Drusus ook Varus en Germanicus hier nog hebben verbleven.[4]

Ook direct buiten het castrum maken sporen en vondsten duidelijk dat hier diverse detachementen ruiterij gestationeerd zijn geweest, vooral langs de wegen door de toegangspoorten. Een deel van de ruiterij verbleef in een groot stallencomplex ten zuidwesten van het legerkamp, waar ook enkele zeisen zijn gevonden, die gebruikt konden worden om gras te maaien voor hooi.

De Romeinse geschiedschrijver Tacitus (die de ondergang van Oppidum Batavorum beschreef) meldt in diens Historiae dat er ook Germaanse troepen aan Romeinse zijde vochten. Dit waren niet alleen Bataven, maar ook Chauken uit het noordwesten van Duitsland (tussen de Ems en de Weser). Dit verhaal lijkt te worden bevestigd door karakteristieke ruitersporen, die elders alleen in het gebied aan de midden en benedenloop van de Elbe worden gevonden, evenals beslag van paardentuig.

Het praetorium is in ieder geval tot kort voor de opstand van de Bataven in bedrijf gebleven. Dramatisch is in dit verband de vondst van een bronzen schijf, die dienst deed om eigendommen van een naam te voorzien. Op de zilverfolie waarmee de schijf is bedekt is de naam te lezen:

De bronzen schijf van Gaius Aquilius Proculus. Museum Het Valkhof

C(aius) AQUILLI PROCULI C(enturio) LEG(io) VIII AUG (van Gaius Aquilius Proculus, Centurio van het Achtste Legioen Augusta).

Deze inscriptie is in verband gebracht[5] met een passage waarin beschreven wordt hoe Brinno, aanvoerder van de Cananefaten, een verbond met de Frisii sloot. Samen overvielen zij de forten langs de Rijn (nu Kromme en Oude Rijn) en trokken langs de rivieren naar het oosten. De restanten van de Rijnlegioenen concentreerden zich in het oostelijk gedeelte van de Betuwe; het grootste gedeelte van de legioenen werd door Aulus Vitellius meegenomen naar Rome. De ervaren primus pilus Aquilius leidde een allesbehalve soldateske groep Tungri en Nerviërs bij de verdediging van de oostelijke Betuwe.

Legio VIII Augusta is bekend van archeologische vondsten uit de Balkan en, na de Bataafse Opstand, in Straatsburg. De meest waarschijnlijke verklaring is dat Aquilius bij het Achtste heeft gediend en in 68 n.Chr. primus pilus was, mogelijk bij het nabijgelegen legerkamp in Castra Vetera (Xanten), en bij Oppidum Batavorum gedetacheerd was. Voor een succesvolle centurio is dit een plausibele carrière. Uit de datering blijkt dat de schijf vlak vóór de Bataafse Opstand in de grond terecht moet zijn gekomen. Nu bevindt zij zich in Museum Het Valkhof in Nijmegen.

Een brandlaag die omtrent 70 n.Chr. wordt gedateerd is waarschijnlijk een nog zichtbaar spoor dat de opstand heeft nagelaten.

Oppidum Batavorum/Batavodorum

[bewerken | brontekst bewerken]
Zie Oppidum Batavorum voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Oppidum Batavorum moet door de Romeinen zelf zijn gesticht, om de Bataven en te huisvesten en tegelijkertijd grip op hen te houden. Omtrent de precieze locatie van deze nederzetting bestaat geen zekerheid, de stichtingsdatum lijkt iets voor het begin van de christelijke jaartelling te zijn geweest.[6] De nederzetting werd in 69 verwoest bij de hiervoor genoemde Bataafse Opstand.

Andere vondsten

[bewerken | brontekst bewerken]
Triomfzuil van Tiberius in Museum Het Valkhof.
Van links naar rechts, voor: TIB(e)R(ius) C(ae)SAR wordt gelauwerd door Victoria, terwijl hij een plengoffer brengt. Links: Apollo. Achter: Ceres. Rechts: Diana. De zuil moet oorspronkelijk 3,5 meter hoog zijn geweest en stond op een prominente plaats in Oppidum Batavorum

Uit de vroeg-Romeinse tijd dateert ook de zogenoemde godenpilaar, die blijkens de inscriptie TIBR/CSAR aan Tiberius is opgedragen. De afbeelding van Tiberius die wordt gelauwerd door Victoria, de godin van de overwinning, wordt in verband gebracht met de expedities van Germanicus.

Ook van belang zijn muntvondsten die gedateerd kunnen worden omtrent 28 n.Chr. en daarom in verband worden gebracht met de opstand van de Friezen. Gelijksoortige muntvondsten zijn uit Friesland bekend: het geld zou in de paniek na de opstand van de Friezen begraven zijn.

Oorsprong naam

[bewerken | brontekst bewerken]

De naam Ulpia Noviomagus Batavorum dateert naar het zich laat aanzien uit de periode van 69 n.Chr. - tweede eeuw n.Chr., de midden-Romeinse tijd. De opstand van de Bataven was beëindigd en de Romeinse troepen waren in Nijmegen gestationeerd om de Bataven in de gaten te houden.

Johannes Smetius, een 17e-eeuwse oudheidkundige die veel bezig was met de oorsprong en geschiedenis van Nijmegen en de rest van Gelderland, gaat in het elfde hoofdstuk van zijn hoofdwerk Oppidum Batavorum seu Noviomagum (1645) dieper in op de naam Noviomagus, met name het tweede, Keltische deel. Hij stelt hier dat de eigenlijke naam van Oppidum Batavorum mogelijk Magum ("versterking") was geweest, wat dus bij de herbouwing "nieuw-Magum" werd. Het feit dat in Smetius' eigen tijd de Kelten en de Bataven vaak aan elkaar werden gelijkgesteld (en tevens werden gezien als de allereerste bewoners van het huidige Nederland, een opvatting die inmiddels volkomen is losgelaten) voerde hij op om deze theorie te staven.[7]

Verband met toekenning Romeinse stadsrechten

[bewerken | brontekst bewerken]

Er zijn geen overgeleverde documenten uit de Romeinse tijd voorhanden waarin letterlijk het toekennen van stadsrechten/zelfbestuur aan Ulpia Noviomagus aan de Waal wordt bevestigd. De naam Ulpia [Noviomagi] wordt niettemin genoemd in de gedenktekst van een stenen altaar dat in de 19e eeuw is teruggevonden in de Duitse plaats Pfünz (Beieren). De tekst in kwestie is afkomstig van een Bataafse ritmeester. Het opschrift luidt: Genio castror)um T. Fl(avius) Rom(a)nus Ulpia Noviomagi Bataus dec(urio) al(ae) I Flaviae praepositus (Aan de Genius van de legerplaats (wijdt) Titus Flavius Romanus, afkomstig uit Ulpia Noviomagus, een Bataaf, ritmeester van de ala I Flavia, chef van...., dit altaar).[8] Het lijkt hier om de tweede naam (gensnaam) van keizer Marcus Ulpius Traianus te gaan. Deze tekst wordt op Romeins Nijmegen van toepassing geacht, en dit geldt als een indirecte aanwijzing dat het toekennen van de stadsrechten aan Romeins Nijmegen moet zijn gebeurd tussen 98 (het jaar waarin Trajanus aantrad als nieuwe Romeinse keizer) en op zijn laatst 104 n.Chr.[noten 1][1]:107[9] In dat laatste jaar trok het Tiende Legioen zich uit deze plaats terug, om in plaats daarvan versterking te gaan bieden in de provincie Aquincum (nu Hongarije).

Midden-Romeinse tijd

[bewerken | brontekst bewerken]

Het legerkamp op de Hunnerberg, tweede periode (70 n.Chr.)

[bewerken | brontekst bewerken]
Schematische weergave van Ulpia Noviomagus Batavorum en het verkleinde Hunnerbergkamp met de vicus eromheen (tweede eeuw)

Na de Opstand van de Bataven (69 n.Chr.) vestigde Legio X Gemina Pia Fidelis zich op de Hunnerberg, volgens de klassieke literatuur ter aflossing van Legio II Adiutrix op dezelfde plek.[10]:49 Dit legioen kwam uit Hispania en was in allerijl door keizer Vespasianus naar de Hunnerberg gezonden. In eerste instantie verbleef het Tiende Legioen in een houten kamp, maar twintig jaar later werd een stenen castrum gebouwd. Er zijn talloze potscherven, dakpannen, stukken waterleiding en een riool,[11] onderdelen van uitrustingsstukken, en zelfs grafstenen teruggevonden die herinneren aan de aanwezigheid van dit legioen, waarvan de Nijmeegse periode het best gedocumenteerd is. Daarnaast duiken er in deze periode opvallend veel familienamen Ulpii op, een andere belangrijke aanwijzing.[1]:107

Naar het castrum liep vermoedelijk een aquaduct vanaf de sprengen in natuurgebied (later onderdeel van het Nederrijkswald); aldaar lijken sporen te zijn gevonden in de vorm van kunstmatig aangelegde dalen.

Kort na het bouwen van het stenen castrum vertrok het Tiende Legioen naar oostelijke delen van het Romeinse Rijk. Later verbleven hier Legio XXX Ulpia Victrix, dat bekend is uit Xanten, en Legio IX Hispana uit Eboracum (York). De aanwezigheid van deze legioenen leidt men voornamelijk af uit stempels die zijn teruggevonden op baksteen en aardewerk.[10]:49

Het kamp was omgeven door de cannabae legionis, een burgerlijke nederzetting bestaande uit kroegen, werkplaatsen, badhuizen en winkels die voorzagen in de dagelijkse noodzakelijkheden voor de milites; hier waren de vrouwen en kinderen van de soldaten ondergebracht. Zuidwestelijk van het kamp zijn de overblijfselen teruggevonden van een amfitheater, dat plaats zou hebben geboden aan zo'n 12.000 toeschouwers.[12] Ten zuidoosten van het castrum is ook nog een groot grafveld uit deze tijd gevonden. Uit de vondsten valt op te maken dat het onderscheid tussen militairen en burgers in deze periode vervaagde. Het terrein van het grote castrum uit de tijd van Drusus lijkt, opvallend genoeg, niet te zijn gebruikt voor begrafenissen.

Uit het laatste kwart van de 1e eeuw zijn weinig acheologische sporen teruggevonden, waarschijnlijk als gevolg van ingrepen die hier in latere tijden in de bodem zijn gedaan. Dit maakt het erg moeilijk om met zekerheid iets te zeggen over de topografie in deze tijd. Op het hoogtepunt, tegen het midden van de tweede eeuw, telde Ulpia Noviomagus Batavorum naar schatting 5000 à 6000 inwoners; een inwoneraantal dat pas ongeveer duizend jaar later door Utrecht zouvworden geëvenaard. Deze schatting (gedaan door Hendrik Brunsting) is onder meer gebaseerd op het bebouwde oppervlak (ca. 35-40 hectare) en het aantal teruggevonden graven (ca. 12.500).[1]:102-103 De plaats lijkt deze tijd een vrij open karakter te hebben gehad, en was mogelijk begrensd door evenwijdige greppels.[13]:67

In de derde eeuw moet het castrum zijn verlaten, waarschijnlijk in verband met toenemende Germaanse invallen en de reorganisatie van de grensverdediging.

De Waalsprong

[bewerken | brontekst bewerken]

Aan de noordelijke oever van de Waal blijkt de bewoning, die in de midden-ijzertijd was begonnen, voortgezet te zijn. Uit de vele vondsten, onder andere een agrarische nederzetting met verkaveling bij Oosterhout, een grafveld en honderden metalen voorwerpen, blijkt dat de lokale bevolking vele Romeinse invloeden overnam. De vondsten kunnen met een tamelijk grote mate van betrouwbaarheid worden toegeschreven aan de Bataven. Het totale areaal van deze nederzetting bedroeg ongeveer 4,5 hectare en was vanaf de derde eeuw v.Chr. in gebruik.

Zeer opvallende vondsten zijn ook Romeinse schrijfplankjes, elders vrijwel uitsluitend bekend uit Romeinse legerplaatsen, die suggereren dat de bewoners geletterd waren. Drie bij elkaar gevonden terracotta beeldjes van Cybele duiden erop dat Romeinse invloeden ook in de religieuze sfeer waren doorgedrongen. Ook de tempels van Hercules in Elst uit de tweede eeuw duiden hierop. Dit zijn de grootste Romeinse tempels die ten noorden van de Alpen zijn gevonden (een populaire theorie is dat ze door de Romeinen werden gebouwd voor de Bataven, maar hierover zijn later weer twijfels gerezen).

Andere vondsten

[bewerken | brontekst bewerken]
Voorstelling uit 2022 van de stad "Ulpia Noviomagus Batavorum", door Peter Nuyten

Uit deze periode dateren ook de meeste andere vondsten. Het Tiende Legioen stichtte in deze periode een nederzetting aan de Waal, westelijk van de locatie van het vroegere Oppidum Batavorum dat nu was platgebrand. Dit stadje kreeg onder keizer Trajanus marktrechten en de naam Ulpia Noviomagus Batavorum. Aan de zuidkant van het Kopsplateau verrezen een Forum en een pakhuis. Bij Holdeurn werd een steenbakkerij ingericht, die voornamelijk dakpannen, maar ook potten maakte. De producten van deze steenbakkerij worden vanaf het eind van de eerste eeuw tot in de derde eeuw in de omgeving van Nijmegen afgezet. Tevens zijn uit deze tijd de resten van twee Gallo-Romeinse tempels gevonden aan het Maasplein (het huidige Waterkwartier).

Aan de overzijde van de Waal zijn ook uit deze periode vondsten bekend waaraan men een Bataafse herkomst toeschrijft. Het algemene beeld van een netwerk van boerderijen en kleine nederzettingen zet zich hier voort, maar er treedt in toenemende mate een 'romanisering' op, zoals blijkt uit vondsten van Romeins aardewerk, munten en sieraden.

Op de plek waar op dat moment het cultureel centrum De Lindenberg in aanbouw was, stuitte men in januari 1969 in een bouwput op de restanten van een gracht uit de laat-Romeinse tijd (4e eeuw); dit wordt opgevat als het eerste bewijs voor Romeinse versterkingen uit die tijd.[14] De gracht was 12 meter breed en ruim 5 meter diep.[15]

In 1975 begonnen onderzoekers van de Katholieke Universiteit Nijmegen opnieuw met opgravingen iets ten noorden van de Weurtseweg, wat echter nog weinig vondsten opleverde. Tien jaar later werd er opnieuw gezocht op de hoek van de Weurtseweg en Bronsgeeststraat. Deze keer werd de vermoedelijke oostelijke afgrenzing van de stad ontdekt, in de vorm van een brede gracht. Ook werden de restanten gevonden van een Romeinse stadsmuur, en de overblijfselen van twee pottenbakkersovens. Naar schatting dateerde dit alles uit de tweede helft van de 2e eeuw. In november 1985 werd bij een onderzoek aan de Dijkstraat een van de Romeinse straten gevonden, waarvan het wegdek uit grind bestond. In de buurt hiervan werden ook vijf of zes kleine metaalsmeltovens gevonden.[13]:66-67

De naam Noviomagus is in 1993 vermoedelijk ook aangetroffen bij opgravingen naar de hiervoor genoemde tempelcomplexen op het Maasplein. Men stuitte op een zilveren ring waarvan het opschrift als volgt is vertaald: "Aan Salus heeft Rusticus voor de schoenmakers uit Noviomagus, uit het genootschap van Esseravus, [deze ring] geschonken en gewijd". Deze tekst bevat de afkorting NOVIOM. De vondst wordt tevens gezien als een mogelijke aanwijzing voor het bestaan van beroepsverenigingen in deze tijd. Er is geopperd dat de ring zelfs al dateert van vóór het jaar 98 – de tijd dat Nijmegen Romeinse stadsrechten kreeg – als de curia waarvan dit opschrift melding lijkt te maken geen stedelijke organisatie was (maar wel een civitas).[1]:111[16]

Historisch perspectief

[bewerken | brontekst bewerken]
Votiefsteen voor de godin Hurstrge van Valerius Silvester, Decurio (raadslid) van Municipium Batavorum

De vondsten suggereren dat Oppidum Batavorum en de iets latere stad Ulpia Noviomagus Batavorum twee verschillende nederzettingen waren. De twee nederzettingen waren, naar algemeen wordt verondersteld, wel allebei ten noorden van de Waal gevestigd. Geen van beide plaatsen was overigens – naar het zich laat aanzien – daadwerkelijk door de Bataven gesticht, ondanks de namen; het waren Romeinse economische en bestuurlijke centra met bewoning door magistraten, handwerkslieden en handelaren.

Behalve de vondst van de bronzen schijf, die in verband wordt gebracht met een passage uit de Historiae, blijkt ook de melding van Tacitus dat de Bataven in zijn tijd de Insula Batavorum bewoonden door archeologisch materiaal te worden ondersteund. Omdat dit vrijwel de enige historische bron is, die iets zegt over de geschiedenis van Nederland in de Romeinse tijd, is dit ondersteunend materiaal van hoge waarde, aangezien hierdoor ook andere meldingen van Tacitus aan geloofwaardigheid winnen. Bepaalde oorspronkelijke ideeën van Holwerda (bijvoorbeeld dat hij de woning van Julius Civilis had teruggevonden) zijn echter onjuist gebleken.[17]

Er zijn ook sporen van een gewelddadig einde gevonden waarbij grote standsbranden hebben gewoed. Dit gebeurde niet alleen in Ulpia Noviomagus, maar ook in (bijvoorbeeld) Atuatuca Tungrorum. Er wordt wel een relatie gelegd met de interne onrust binnen het Romeinse rijk in deze tijd, die leidde tot de opstanden onder Maternus.[1]:110

Laat-Romeinse tijd

[bewerken | brontekst bewerken]

In de derde eeuw begonnen de Franken, een Germaanse stam, invallen te doen in het Romeinse deel van Nederland. In Nijmegen zijn echter uit deze tijd nauwelijks vondsten bekend; het is dan ook aannemelijk dat Ulpia Noviomagus Batavorum in deze tijd geen rol van betekenis (meer) speelde. Het stenen castrum op de Hunnerberg werd niet langer gebruikt.

De bewoning van de nederzettingen ten noorden van de Waal liep echter door tot de derde eeuw. In de tweede helft van deze eeuw bestond korte tijd, van 260 tot 274, het Gallische keizerrijk onder de opstandige keizers Postumus en Tetricus. Het herstel van de Romeinse cultuur in deze streek kwam hierna echter nooit meer echt van de grond.[noten 2]

Geschat wordt dat de Romeinen omstreeks 260-270 uit het oorspronkelijke Noviomagus wegtrokken. In de vierde eeuw verdween ook de keizerlijke naam Ulpia Noviomagus Batavorum. De nederzetting ter hoogte van het huidige Waterkwartier was nu verlaten, terwijl aan de voet van het huidige Valkhof weer een nieuwe nederzetting ontstond. Aangenomen wordt dat de verkorte naam daarvan Noviomagus was.[18]

Na de oudheid

[bewerken | brontekst bewerken]

Na het definitieve vertrek van de Romeinen viel het gebied in en rond de Waal en het Valkhof vermoedelijk eerst in Merovingische handen. Ongeveer acht eeuwen later, in 1230, zou het nu middeleeuwse Nijmegen opnieuw volwaardige stadrechten krijgen. Het verwierf nu de status van vrije rijksstad, destijds van het Heilige Roomse Rijk. Slechts 17 jaar later zou Nijmegen die status echter alweer kwijtraken (als gevolg van de verpanding door Willem II aan Otto II van Gelre). Dit alles kon dus kennelijk ondanks het gegeven dat Nijmegen formeel toen nog steeds het Romeinse markt- en stadsrecht moet hebben bezeten.

Werelderfgoed

[bewerken | brontekst bewerken]

De Nederlandse en Duitse regering hebben de Neder-Germaanse limes in 2011 voorgedragen voor de kandidatenlijst voor het werelderfgoed[19] als uitbreiding op de delen in Duitsland en Engeland. Op 9 januari 2020 is het nominatiedossier aan de UNESCO aangeboden, met daarin de meest complete en best bewaarde vindplaatsen uit de Romeinse tijd.[20] Op 4 juni 2021 is een positief advies uitgebracht door ICOMOS.[21]

Op 27 juli 2021 zijn tijdens de vergadering van het Werelderfgoedcomité van de UNESCO in het Chinese Fuzhou de onderdelen uit het nominatiedossier de status van Werelderfgoed toegekend.[22]

Uit de omgeving van Nijmegen zijn vele vondstplaatsen tot werelderfgoed aangewezen:

  • De Hunnerberg met de overblijfselen van een grote militaire basis ten tijde van keizer Augustus en van een legioensfort uit de late 1e en vroege 2e eeuw met zijn extramurale burger-nederzetting en met de bijbehorende begraafplaatsen, staat in het nominatiedossier als volgt omschreven:

Dit grote fort, meer dan 40 ha groot, dat in het tweede decennium voor Christus als operationele basis diende, kan worden beschouwd als de bakermat van de Nederduitse Limes. Het is de vroegste militaire installatie in het Noorden, dat stevige archeologische sporen heeft achtergelaten. Deze vroege basis, met zijn kenmerkende onregelmatige lay-out, vertegenwoordigt een draaipunt tussen enerzijds een strategie gebaseerd op een reactieve aanvalskracht die van binnenuit Gallië opereerde, en aan de andere kant een preventieve strategie waarbij een enorm permanent garnizoen wordt ingezet langs de buitenzijde.

  • Op het Kops Plateau West een aanzienlijk niet opgegraven deel van het vroeg-Romeinse fort, waaronder een substantieel deel van de verdedigingswerken, het grootste deel van het hoofdkwartiergebouw en sporen van een militair bijgebouw buiten de verdedigingsstructuren van het hoofdfort. Het is het enige fort aan de Nederduitse Limes waar bijgebouwen – extramurale militaire componenten - zijn geattesteerd.
  • Op het Kops Plateau Noord de vuilstortplaats en de noordkant van de vroeg-romeinse fortificatie.
  • Het Valkhofpark met resten van de vroeg-Romeinse stad en het laat-Romeinse fort.
  • De Holdeurn was in de Romeinse tijd een militaire werkplaats.