Zeis

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Zeis scherpen met strekel

Een zeis is een landbouwhandwerktuig om grassen, graan of ruigte te maaien. Het bestaat uit een lang, gebogen, stalen mes dat bevestigd is aan een lange houten of metalen steel met doorgaans twee handvatten.

De zeis ontstond in de oudheid uit de sikkel, vermoedelijk in Keltisch Midden-Europa, en verspreidde zich in de middeleeuwen over het continent. In de 18e eeuw werd de zeis het voornaamste werktuig om grassen en granen te maaien. Vanaf de 19e eeuw werd hij vervangen door mechanische werktuigen. De zeis is nog op kleine schaal in gebruik in Europa, Amerika en delen van Azië[1] op plaatsen waar machines niet bij kunnen of als duurzaam alternatief.

Geschiedenis[bewerken]

Boeren maaien het hooiland in rijen, boerinnen raken het hooi bijeen. Afbeelding bij de maand juni in Les Très Riches Heures du duc de Berry (15e eeuw).
Graanoogst met de zeis door Abel Grimmer (1607)

De zeis ontstond in Centraal-Europa tijdens de ijzertijd als variant van de sikkel. Terwijl de sikkel een van de oudste[a] en meest wijdverspreide gereedschappen is, is de zeis hooguit 2200 jaar oud en beperkte het gebruik ervan zich tot in de 19e eeuw tot Europa en enkele Europese kolonies met een gematigd klimaat.

In het Centraal-Europese neolithicum, toen er voor het eerst aan akkerbouw werd gedaan, kende men primitieve stenen sikkels. In de bronstijd en de vroege ijzertijd (Hallstattcultuur) verschenen in heel Europa bronzen sikkels met een typische sikkelvorm.[2] Een mes vervaardigen uit brons was echter moeilijk; grotere stukken met voldoende veerkracht waren niet vanzelfsprekend. De eerste zeisbladen werden gemaakt van ijzer nadat de winning en bewerking van dat materiaal bekend was geraakt in Centraal-Europa. Men begon met de vervaardiging van zeisen tijdens de La Tène-periode, die geassocieerd wordt met de (Proto-)Kelten. De zeis werd ontwikkeld vanuit de nood om grasland te maaien en zo hooi te maken waarmee men het vee in de wintermaanden kon voeden. De zeis is daarmee het oudste werktuig speciaal ontworpen om grassen te oogsten; om granen te oogsten bleef men de sikkel gebruiken.[3]

De oudste vondsten werden gemaakt in La Tène (Zwitserland) en Römhild (Duitsland) en dateren uit de 2e eeuw v.Chr. De gevonden zeisen vertonen grote onderlinge verschillen. De zeisbladen maten hoogstens 40 centimeter en de stelen waren met 75 à 84 centimeter betrekkelijk kort, wat doet vermoeden dat de maaier geknield werkte. Op al deze vlakken vertonen ze gelijkenissen met de latere Russische gorboesjka. Net zoals bij latere zeisen werd het blad met de steel verbonden door een U-vormige ring. Dat er, met name in Römhild, zoveel exemplaren zijn teruggevonden, wijst op wijdverspreid gebruik en professionele productie.[4] Bij Sanzeno (Italië) werden bladen van verschillende types uit de 1e eeuw v.Chr. teruggevonden, waaronder een model dat sterk lijkt op latere zeisen met een versterkte rug.[5] Latere vondsten, zoals die uit Frankfurt an der Oder (Duitsland; 3e of 4e eeuw n.Chr.), Skarbimierz (Polen) en Moekatsjeve (Oekraïne), wijzen erop dat het werktuig was overgenomen door Germaanse volken.[6] Ook Romeinen en Slaven leerden de zeis kennen.[7][8] In zijn Naturalis historia (77 n.Chr.) schreef Plinius dat er twee types bestonden: de zware 'Gallische' zeis met lange steel en de korte 'Italiaanse' zeis, vermoedelijk een zicht.[9][10] De zeis was niet bekend bij de oude Grieken.[11]

Door de vooruitgang in de veeteelt, nam de vraag naar veevoer toe en zocht men efficiëntere manieren om de nieuwe weilanden te maaien. Deze ontwikkelingen leidden vooral in Gallië, waar er veel grote landgoederen waren ten tijde van het Keizerrijk, tot technologische innovatie in de lange zeis.[10] De zeis raakte langzaam ingeburgerd in de Karolingische periode om hooi te oogsten waarmee het vee in de winter gevoed kon worden.[12] In Karel de Grotes landgoederenverordening (ca. 812) worden sikkels en zeisen vermeld, al gaat het om erg lage aantallen.[13]

Zeisen van het dominante 'Oostenrijkse' type, met een gesmeed zachtstalen blad, ontstonden vermoedelijk in de 16e eeuw tijdens de Ottomaanse bezetting van Hongarije.[9]

De zeis verving de sikkel pas als belangrijkste werktuig aan het einde van de 18e eeuw. In Schotland bijvoorbeeld raakte het werktuig rond 1800 ingeburgerd.[14]

Vanaf de 19e eeuw werd de zeis grotendeels vervangen door machines, zoals de zwadmaaier en later de pikdorser.[9] Het gebruik nam eerst af in de geïndustrialiseerde landen, waardoor een almaar kleiner aantal Europese producenten zich voornamelijk op de export moest richten. In 1889 telden Stiermarken, Neder- en Opper-Oostenrijk 69 zeissmederijen; in 1914 ging het om 29 smederijen. In 1914 produceerden zij samen 33.600 messen per dag. Een aanzienlijk deel was bedoeld voor de export, met Rusland als grootste afnemer.[15]

De zeis wordt nog op kleine schaal geproduceerd en gebruikt in extensieve landbouw en natuurbeheer. Twee nog actieve producenten van zeisen volgens traditioneel Oostenrijks vakmanschap zijn de firma Schröckenfux en de Italiaanse fabriek Falci.

Beschrijving[bewerken]

Een zeis voor het maaien van graan heeft een licht gebogen metalen blad met een brede rug, eindigend in een punt, met een lengte van 70 tot 100 centimeter. Het mes of 'blad' staat haaks op een lange houten of holle metalen steel die in lengte varieert tussen 150 en 200 centimeter. De verbinding tussen beide gebeurt door middel van een ring en een wig of een schroef, zodat de hoek tussen blad en steel gewijzigd kan worden en zodat het blad gemakkelijk afgenomen kan worden om het te haren of te vervoeren. De steel kan recht, licht S-vormig of zelfs Y-vormig zijn, zonder handvatten of met één of twee handvatten, die doorgaans verstelbaar zijn. De precieze plaats van de handvatten wordt bepaald door de lichaamsgrootte van de maaier.[16]

Voor verschillende omstandigheden of te maaien vegetatie bestaan er diverse maaibladen: van circa 30 cm voor nauwkeurig maaien tot meer dan 60 cm voor grote vlakten. Ook bestaan er zware ruigtebladen waarmee ook verhoute planten kunnen worden gemaaid.

Bij traditionele graanzeisen bevindt zich onderaan de zeis, boven op het blad, soms een houten of metalen beugel of een rijfachtig houten raster. Daarmee werden de gemaaide halmen meteen bijeengehouden, zodat ze gemakkelijker waren in te binden.[16][17]

Gebruik[bewerken]

Maaien[bewerken]

Pikker met zeis en wetsteen

De gebruiker staat lichtjes voorovergebogen met de benen geopend, de voeten op een lijn of de rechtervoet wat meer naar voren, en houdt de handvatten of de steel in beide handen vast. Het blad rust in de beginpositie op of net boven het maaiveld rechts van de maaier, met het mespunt op dezelfde lijn als de voeten. In een vloeiende maar niet te krachtige zwaai laat de maaier het zeisblad over de grond glijden in een boogvorm rond het eigen lichaam. De hoek tussen blad en steel eindigt links van de maaier en vormt daar een hoopje staande halmen. Vervolgens laat de maaier de zeis terugglijden naar de beginpositie, zet hij een kleine stap vooruit en hij herhaalt hij de maaibeweging.

Sommige maaiers draaien tijdens het maaien met de heupen, anderen draaien louter met de schouders mee, wat minder belastend is voor de knieën. De armen en handen blijven steeds dicht bij de romp, tenzij de maaier – bijvoorbeeld in kampioenschappen – zo snel mogelijk zo veel mogelijk wil maaien. In dat laatste geval kan hij de voeten ook verder uit elkaar zetten, meer voorovergebukt staan en tijdens de zwaai zijn zwaartepunt verschuiven van het ene been naar het andere.[18]

Maaien gebeurt traditioneel in groep. In een veelvoorkomende opstelling vertrekt de eerste maaier helemaal links op het perceel, waarna een tweede maaier rechts van hem begint, en een derde opnieuw rechts van hem, enzovoort, zodat zij trapsgewijs voortgang maken, nooit in elkaars werkgebied komen en hun maaibeweging niet hoeven te beginnen in de gemaaide halmen van een voorganger. Er zijn ook spiraalvormige opstellingen bekend.[14][19]

Kanten of ruigteplanten zoals netels, distels, bramen, riet en zaailingen van bomen kan men maaien met een korter en sterker blad – een ruigteblad – en in kleinere halen.[20]

Scherpen[bewerken]

Haarhamer, haarspit en strekel

De zeis werkt het best als ze vlijmscherp is. Een botte lemmer dwingt om veel kracht te zetten, terwijl een maaier met een haarscherp mes haast moeiteloos te werk kan gaan.

Zachtstalen zeisbladen om gras te maaien worden voor het maaien gehaard en tijdens het maaien gewet.[21][22] Bij het haren wordt het lemmer met behulp van een speciaal aambeeld (haarspit) en een haarhamer scherp gemaakt. Er bestaan convexe veldaambeelden, die men in de grond slaat, en aambeelden die men op een houtblok kan bevestigen. Men plaatst het snijvlak van de zeis op het aambeeld en tikt erop met de haarhamer. De bot geworden snijrand wordt zo uitgerekt en opnieuw flinterdun gemaakt. Dit herhaalt men over de gehele lengte van het mes. De snijrand van een gehaarde zeis is zo dun dat als men er tegen duwt met de duimnagel of een stukje hout, de snijrand meebuigt. Haren is een specifieke handvaardigheid die enige ervaring vereist. In het veld was bij ploegen van maaiers vaak één persoon constant bezig met het haren van de zeisen.

Tijdens het maaien wordt het mes regelmatig gescherpt met een wetsteen of strekel om het scherp te houden. Eerst wordt het mes schoongeveegd met een doek of met een bundel versgemaaid gras. Een strekel beweegt men met lange zwaaiende bewegingen vanaf de breedste kant naar de punt. Een wetsteen, die vooraf wordt nat gemaakt of die nat wordt bewaard, plaatst men haaks op het mes op de bovenkant en trekt of duwt men vervolgens men over het snijvlak, ofwel in een rechte beweging ofwel door de pols te draaien naar de mespunt toe. Die beweging herhaalt men van de breedste kant naar de punt. Vervolgens draait men het mes om en herhaalt men die beweging aan de onderkant – de bolle, glanzende zijde – maar dan zachter. Bij het wetten worden fijne groefjes getrokken in het snijvlak; door de onderkant subtiel te wetten zorgt men ervoor dat de snijrand niet naar onder gebogen staat.

Bladen van harder metaal worden niet gehaard. Tijdens het maaien worden ze gewet met een ruwere wetsteen. Wanneer het mes bot wordt, kan het geslepen worden.

Onderhoud[bewerken]

Behalve het scherpen, vergt een zeis weinig onderhoud. Om roest te voorkomen moet men het mes na gebruik schoonwrijven en kan men het inoliën met minerale olie. Beginnend roest kan men wegwerken met staalwol en door opnieuw in te oliën.

Een zeis veilig opbergen doet men doorgaans op een van twee manieren. Ofwel hangt men het mes hoog op, bijvoorbeeld aan een balk, zodat alleen de steel binnen handbereik is. Ofwel demonteert men de onderdelen en wikkelt men het mes in stof of steekt men het in een beschermhoes.

Wapen[bewerken]

In de middeleeuwen werd de zeis ook als wapen gebruikt. Boerenzoons die werden verplicht te vechten in dienst van de leenheer en namen zeisen en sikkels mee als wapen. Als strijdwapen werd de zeis aangepast door het blad recht op de stok te zetten.[23] Anders is de zeis onbruikbaar als wapen. De houder heeft twee handen nodig om de zeis te bedienen en omdat het snijblad de vijand van achteren en zijwaarts aanvalt, heeft de vijand volop de gelegenheid om naar voren te lopen en de houder die geen bescherming heeft aan te vallen. Bovendien kan de tegenstander de steel met een hand vasthouden bij zo'n aanval.

Zeisen als sport[bewerken]

Jaarlijkse wedstrijden en kampioenschappen[bewerken]

Hieronder volgt een niet-uitputtend overzicht van jaarlijks terugkomende wedstrijden met betrekking tot zeismaaien of het scherpen van zeisen in Nederland:

  • Elk jaar wordt er tijdens de Flaeijelfeesten op de laatste zaterdag in september, in Oude- en Nieuwehorne het Fries kampioenschap zeismaaien gehouden.[24]
  • In het Gelderse Wapenveld op de Veluwe wordt in september het "Wapenvelds kampioenschap zeismaaien" gehouden op Padd'ndag.[25]
  • De Nederlandse kampioenschappen zeismaaien vinden elk jaar plaats in het Openluchtmuseum te Arnhem.[26]
  • Jaarlijks wordt tijdens de feestweek in Surhuizum (Friesland) het wereldkampioenschap zeisharen gehouden. Degene die aan het einde van het kampioenschap de scherpste zeis heeft, mag zich een jaar lang wereldkampioen noemen.[27]

Symboliek[bewerken]

In de symboliek heeft de figuur van de dood een zeis bij zich. Magere Hein wordt ook de 'de man met de zeis' genoemd. Magere Hein wordt behalve de Dood – in Vlaanderen Pietje de Dood of Heintje de Dood – in Nederland ook Maaijeman genoemd, een verwijzing naar zijn zeis. Ook de Griekse mythologische figuur Chronos en de kunstfiguur Vadertje Tijd dragen een zeis.

Zie ook[bewerken]

Icoontje WikiWoordenboek Zoek zeis in het WikiWoordenboek op.