Rijkskerkenstelsel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

In een rijkskerkenstelsel of de Rijkskerk vertrouwde de vorst zo veel mogelijk land en bestuurszaken toe aan door hem benoemde bisschoppen en abten in de plaats van aan leken. In de 10e eeuw voerden de Ottoonse keizers van het Heilige Roomse Rijk het stelsel in, dat derhalve ook wel het Ottoonse stelsel wordt genoemd. Tegenover dit stelsel kan men de adelskerk plaatsen aan het einde van de vroege middeleeuwen. Door het Rijkskerkenstelsel konden de eerste vrijheden of steden ontstaan. Dit stelsel vormde één van de aanleidingen tot de Investituurstrijd.

Toelichting[bewerken]

Omdat bisschoppen en abten ongehuwd moesten blijven en geen wettelijke erfgenamen hadden, kon de keizer alzo de trend van vazallen keren om overerfbaar gemaakt leengoed geruisloos in eigendom te laten overgaan. Anderzijds kon hij zo invloed uitoefenen op de Kerk.

De term wordt vooral verbonden met het rijk van Otto I tot aan de investituurstrijd, maar het verschijnsel deed zich ook in Frankrijk en Engeland voor. De Ottoonse keizers, Oost-Frankische opvolgers van de Karolingers, schonken of gaven belangrijke gebieden in leen aan bisschoppen of abten. Doordat deze in tegenstelling tot wereldlijke leenmannen geen erfgenamen hadden, kon het leen niet vererfd worden. Na de dood van de bisschop of abt viel de eigendom terug toe aan de leenheer die het dan weer te leen gaf aan een ander lid van de clerus. Daardoor verzekerde de keizer zich voortdurend van steun van zijn vazallen. Deze noemde men prins-bisschoppen vanwege zowel de geestelijke als wereldlijke toebedeelde macht.
Met het concordaat van Worms, dat in 1122 de investituurstrijd beëindigde, kreeg de Kerk weer toenemende invloed op de bisschopsbenoemingen, en daardoor ook op de politiek, omdat sommige bisschoppen tevens rijksvorsten waren.
Het systeem van het rijkskerkenstelsel leidde op lange termijn tot de stichting van een vrijheid of stad in het gebied van de prins-bisschop. De oorzaak hiervan lag in het misbruik van het voogdijschap. De prins-bisschoppen waren immers verplicht een lekenvoogd aan te stellen voor de rechtspraak en voor hun veiligheid. De clerus mocht geen wapens dragen. Deze voogden over kerkelijke gronden trachtten hun macht uit te breiden door in de kerkelijke voogdijgebieden zogenoemde vrijheden of steden te stichten om de bewoners ervan voor zich te winnen en los te wrikken van de eigenaars.

Evolutie[bewerken]

Tegenwoordig streeft men in Europa en de Verenigde Staten ernaar dat noch de staat macht heeft over de Kerk, noch de Kerk over de staat — het principe van de scheiding tussen Kerk en Staat.

Zie ook[bewerken]

Bibliografie[bewerken]

  • Dr. Jan Vaes (2012-13), Algemene en Belgische geschiedenis, Toerisme Vlaanderen
  • Istvan Bejczý, Een kennismaking met de middeleeuwse wereld (2004) 76–77. Bussum: Uitgeverij Coutinho.