Etalagester

Indusbeschaving

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Indusbeschaving
Gebied van hoog-Harappa
Gebied van hoog-Harappa
Regio Noordwesten van Zuid-Azië
Periode Bronstijd
Datering Vroeg-Harappa 3200-2600 v.Chr.
Hoog-Harappa 2600-1900 v.Chr.
Post-urbaan Harappa 1900-1000 v.Chr.
Typesite Harappa
Andere sites Mohenjodaro
Voorgaande cultuur Mehrgarh
Volgende cultuur Vedische tijd
Portaal  Portaalicoon   Archeologie
Opgegraven ruïnes van Mohenjodaro

De Harappabeschaving, Harappacultuur of Indusbeschaving was een beschaving uit de bronstijd in het zuiden van Azië (ca. 3200-1900 v.Chr.), die zich kenmerkte door de bouw van strak geplande steden en het Harappaschrift. De belangrijkste vindplaatsen zijn Harappa en Mohenjodaro, terwijl het verspreidingsgebied vooral de vlakte van de Indus en de zijrivieren was, met uitlopers aan de kust en langs de loop van de Ghaggar-Hakra. De Harappabeschaving was samen met die van Mesopotamië en het Oude Egypte een van de eerste hoogontwikkelde beschavingen ter wereld.[1] Mesopotamië en Egypte hadden wel iets eerder steden dan de Harappabeschaving, maar daar staat tegenover dat de Harappabeschaving het grootste verspreidingsgebied had.

Er was een uitgebreid overzees handelsnetwerk met het westen van Azië, planmatige stedenbouw met gemeenschappelijke infrastructuur als riolering en watertoevoer.[1] De ruime bakstenen huizen met verdiepingen hadden hun eigen badkamer. Handel en nijverheid waren per bedrijfstak in wijken ingedeeld. Er zijn geen grote monumenten gevonden die op een geestelijke of wereldlijke macht wijzen. Het schrift is vooralsnog niet ontcijferd en ook de taal is nog onbekend. Al even raadselachtig is het verdwijnen van de beschaving gedurende een relatief korte periode, waarin de bewoners de steden achterlieten en veel van de culturele ontwikkeling verloren ging.

Er zijn enkele aanwijzingen dat de late Harappabeschaving overlapte met de komst van de eerste Indo-Ariërs naar het zuiden van Azië, maar waarschijnlijk zaten er enkele eeuwen tussen het verdwijnen van de steden en het ontstaan van de Veda's, de heilige teksten van de Indo-Ariërs, op zijn vroegst rond 1600 v.Chr.. De Harappabeschaving werd pas ontdekt in de jaren 1920 en is vrijwel alleen uit talloze archeologische opgravingen bekend; daarnaast zijn er slechts enkele verwijzingen in Sumerische inscripties, waarin de bewoners van de Indusvallei Meluhha worden genoemd.

Ontdekking, opgravingen en verspreidingsgebied[bewerken | brontekst bewerken]

Charles Masson, een deserteur uit de East India Company (EIC), vond in 1826 de heuvels van Harappa, maar was vooral op zoek naar Griekse geschiedenis. Hij was er van overtuigd dat dit Sagala was waar Alexander de Grote in 326. v.Chr. de Slag bij de Hydaspes tegen koning Poros won.[2] In 1831 bezocht Alexander Burnes de ruïnes, maar hoewel hij de plaats van historisch belang achtte, zag hij niet het bijzondere karakter. De verslagen van Masson en Burnes zijn vooral van belang omdat ze onder ogen kwamen van Alexander Cunningham die Harappa in 1853 en 1856 bezocht in zijn zoektocht naar steden die door Xuanzang genoemd waren, maar hij was niet onder de indruk. In 1861 richtte Cunningham de Archaeological Survey of India (ASI) op nadat de Britse kroon in 1858 het gezag over India over had genomen van de EIC.

Harappa volgens Alexander Cunningham
Zegel H-1048 van Clarke

In 1872 keerde Cunningham terug, maar zag dat de ruïnes gebruikt waren bij de aanleg van de Punjab Railway tussen Multan en Lahore. Hij deed er enkele opgravingen en verkreeg er van majoor-generaal Clarke, een commissioner van Oudh, een stempelzegel (H-1048) met een afbeelding van een stier en een vreemd schrift. Aangezien een bult ontbrak bij de stier, ging Cunningham ervan uit dat het zegel niet uit India afkomstig was en ontging ook hem de bijzondere betekenis van Harappa. In 1884 verkreeg J. Harvey via een lokale boer een zegel uit Harappa en in 1886 vond T.A. O'Connor een zegel van een eenhoorn. De drie zegels kwamen terecht in het British Museum waar John Marshall ze onderzocht in 1906. Marshall was in 1902 aangesteld als directeur-generaal van ASI en stuurde in 1909 Hiranand Sastri naar Harappa voor verder onderzoek. Sastri achtte het echter niet de moeite waard om verdere opgravingen te doen. D.R. Bhandarkar bezocht in 1911-12 zowel Harappa als Mohenjodaro, maar dacht dat het moderne bakstenen betrof en daarom niet ouder dan 200 jaar kon zijn. In 1912 publiceerde John Faithfull Fleet zijn onderzoek naar het zegel van Clarke en twee zegels die daarna gevonden waren.[3] In 1914 stuurde Marshall Harold Hargreaves naar Harappa, maar ook deze was weinig enthousiast. In 1916-17 volgde Daya Ram Sahni die een plan maakte voor opgravingen die begonnen in 1920. Ondanks de vondsten was het vooralsnog niet duidelijk dat dit een oude beschaving betrof. Dit inzicht kwam vanuit Mohenjodaro waar R.D. Banerji in 1919 tot de conclusie kwam dat opgravingen de moeite waard waren. Deze begonnen in 1922 en brachten Marshall tot het inzicht dat dit een tot dan toe onbekende oude beschaving betrof. Hij publiceerde zijn bevindingen in The Illustrated London News in de hoop dat anderen de vondsten konden duiden. Dit had het gewenste resultaat, want Archibald Sayce herkende proto-Elamitische elementen zoals Jacques de Morgan die gevonden had in Susa. Hier sloten Sydney Smith en Cyril John Gadd zich bij aan aangezien zij tekens uit Mesopotamië herkenden. Ernest J.H. Mackay zag op zijn beurt overeenkomsten met Kisj. Hoewel zij niet suggereerden dat Harappa een afgeleide cultuur was van het oude Nabije Oosten, bracht de analogie met het Nabije Oosten en Egypte het begin van de Indische beschaving wel zo'n 2000-2500 jaar terug.

Tegen 1931 was er al een groot deel van Mohenjodaro blootgelegd; er volgden nog kleinere campagnes zoals die van Mortimer Wheeler in 1950. Na de opsplitsing van Brits-India in 1947 raakte het gebied van de Indusbeschaving verdeeld over Pakistan en India. De invloed van Britse archeologen duurde nog even voort onder Aurel Stein, maar werd spoedig gedeeld met de Indiase archeoloog Nani Gopal Majumdar en de Duitse archeoloog Michael Jansen.

Harappa en Mohenjodaro kregen lange tijd de meeste aandacht, maar gaandeweg bleek dat andere steden net zo groot of groter waren, zoals Lurewala, Ganweriwala, Rakhigarhi en Dholavira. Ook kleine dorpen als Allahdino en Balu worden in toenemende mate onderzocht. Ook deze vertonen de kenmerken van de Harappabeschaving, als zijn er duidelijk regionale verschillen. Zo bestaat in Allahdino maar 1% van het aardewerk uit het kenmerkende zwart-en-rood aardewerk (BRW). De platforms van leemsteen in Kalibangan die als vuuraltaar zijn geïnterpreteerd, ontbreken in de meeste andere nederzettingen. Ook verschillen de grafrituelen. Gezien de variatie heeft Possehl de beschaving onderverdeeld in domeinen. De kust in het westen is het Kulli-domein, met ten oosten daarvan het Sindhi-domein aan de benedenloop van de Indus. Ten zuiden hiervan bevindt zich op een schiereiland het Sorath-domein met ten noordoosten daarvan het Anartachalcolithicum. De bovenloop van de Indus is het Harappa-domein met ten westen daarvan de noordwestelijke grenslanden, ten zuiden het Cholistandomein en ten oosten het oostelijke domein.[4]:6-7

Vergeleken met het Egypte en Mesopotamië van die tijd besloeg de Harappabeschaving een veel groter gebied. De kern was de vallei van de rivier de Indus, maar de beschaving strekte zich uit langs de kust van de Arabische Zee van Sutkagan-dor in het westen tot Lothal en Malwan in het zuiden die zo toegang gaven tot de handel met de Perzische Golf. In het oosten bevonden zich nederzettingen aan de oevers van de Ghaggar-Hakra. Deze rivier had volgens sommige hypothesen vroeger het hele jaar door water en wordt wel gezien als mogelijke kandidaat van de Sarasvati uit de Rig Veda. De meest oostelijke nederzetting was Alamgirpur, terwijl Manda de meest noordelijke was, afgezien van de dicht bij lapis lazulimijnen gelegen handelskolonie Shortugai.

Van de 1022 archeologische vindplaatsen zijn er echter maar zo'n 100 opgegraven. Door ook het schrift nog steeds niet is ontcijferd, is het moeilijk om aan te geven welk gebied het centrum betrof en welk gebied de periferie was. Ook is niet altijd zeker of het inderdaad Harappanederzettingen betreft. Zo worden de nederzettingen aan de Ghaggar-Hakra wel aangehaald om te spreken van de Sarasvaticultuur. Deze zouden dan vooral de periode laat-Harappa betreffen. Volgens S.R. Rao moeten nederzettingen aan enkele voorwaarden voldoen om hiertoe gerekend te kunnen worden:

To deserve the term "Late Harappan" it is essential that the inhabitants of the deurbanized phase must have retained the core of Harappan achievements such as writing, use of the Harappan standard of weights and Harappan religious beliefs including the method of the disposal of the dead.[5]

Niet alle oostelijke nederzettingen die als Sarasvaticultuur worden aangemerkt, voldoen aan deze criteria. Mogelijk spelen nationalistische sentimenten van Indiase historici daarbij een rol, aangezien het centrum hierbij verplaatst wordt van de Indus in Pakistan naar Ghaggar-Hakra in India.[6]

Sindhu was de antieke naam voor de Indus en daarom is ook wel voorgesteld om het de Sindhu-Sarasvati-beschaving te noemen. Gebruikelijker is het echter om een archeologische cultuur te noemen naar de typesite, in dit geval Harappa.

Ondanks de vele en opvallende vondsten blijven veel vragen onbeantwoord. Zo is het schrift nog steeds niet ontcijferd, omdat teksten – als het al teksten zijn – slechts in brokken van enkele symbolen tegelijk zijn overgeleverd en is het onbekend of er een verband is met het Brahmischrift, ook al lijkt dit tegenwoordig minder waarschijnlijk. Er zijn wel verhalen te vinden in de Sanskritische literatuur van de Veda's over de Arische invasies tussen circa 1700 en 1300 v.Chr. Hierin wordt verhaald van veldslagen met een oorspronkelijke bevolking, maar er zitten geen aanknopingspunten bij met wat nu bekend is geworden over de Indusbeschaving.

Er blijven in ieder geval drie cruciale vragen onbeantwoord:

  • omtrent de middelen van bestaan voor zulke grote bevolkingsconcentraties;
  • omtrent de oorzaak van het betrekkelijk snel weer verdwijnen van deze beschaving vanaf 1900 v. Chr.;
  • omtrent de taal die zij spraken en hoe zij zichzelf noemden.

Chronologie en periodisering[bewerken | brontekst bewerken]

Chronologie van Harappa
Possehl[4]:29 Kenoyer[7]
Stadium 1, vroege landbouwnederzettingen en pastorale kampen Sites Vroege periode van voedselproductie
Kili Ghul Mohammad 7000-5000 v.Chr. 20 Neolithicum/ Chalcolithicum 6500-5000 v.Chr.
Burj Basket-marked 5000-4300 v.Chr. 33 Regionaliseringsperiode
Stadium 2, ontwikkelde landbouwdorpen en pastorale samenlevingen Vroeg-Harappa 5000-2600 v.Chr.
Togau 4300-3800 v.Chr. 84
Kechi Beg/ Hakra 3800-3200 v.Chr. 153/ 126
Stadium 3, vroeg-Harappa
Amri-Nal 3200-2600 v.Chr. 164
Kot Diji 111
Sothi-Siswal 165
Damb Sadaat 37
Stadium 4, overgang vroeg-Harappa - hoog-Harappa Integratieperiode
Overgang vroeg-Harappa - hoog-Harappa 2600-2500 v.Chr. Harappa 2600-1900 v.Chr.
Stadium 5, hoog-Harappa
Sindhi-Harappa 2500-1900 v.Chr. 86
Kulli-Harappa
Sorath-Harappa 310
Punjabi-Harappa
Oostelijk Harappa
Quetta
Laat-Kot Diji
Stadium 6, post-urbaan Harappa Localiseringsperiode
Jhukar 1900-1700 v.Chr. 6 Laat-Harappa 1900-1300 v.Chr.
Vroeg-Pirak 1800-1000 v.Chr.
Laat-Sorath-Harappa 1900-1600 v.Chr. 198
Lustrous Red Ware 1600-1300 v.Chr.
Cemetery H 1900-1500 v.Chr. 41
Swatvallei periode IV 1650-1300 v.Chr.
Laat-Harappa in Haryana en westelijk Uttar Pradesh 1900-1300 v.Chr. Post-Indus
Overgang laat-Harappa - Painted Grey Ware 1300-1000 v.Chr. Painted Grey Ware 1200-800 v.Chr.
Vroeg-Gandhara 1700-1000 v.Chr.
Stadium 7, vroege ijzertijd
Laat-Pirak 1000-700 v.Chr.
Painted Grey Ware 1100-500 v.Chr.
Laat-Gandhara 1000-600 v.Chr. Northern Black Polished Ware 700-300 v.Chr.

Sinds de publicatie in The Illustrated London News werd de analogie met Mesopotamië gebruikt om tot een chronologie te komen. Zo ging Marshall nog uit van een bloeiperiode tussen ca. 3250 en 2750 v.Chr., daarbij data vergelijkend met de chronologie van het Nabije Oosten. Nadat deze laatste aan werd gepast, werd ca. 2350-2000/1950 v.Chr. gedacht als de periode van de Harappabeschaving.

Met de opkomst van radiometrische datering werd een nauwkeurigere datering mogelijk en werd ongeveer 2600-1900 v.Chr. aangenomen voor de stedelijke fase van het kerngebied. Dit komt vrij goed overeen met de data uit Mesopotamië. Daarmee werd de chronologie voor vroeg-Harappa tussen 3200 en 2600 v.Chr., de bloei tijdens hoog-Harappa tussen 2600 en 1900 v.Chr., in dezelfde tijd als het Oude Rijk in Egypte en de Vroeg-dynastieke Periode van de Soemeriërs in Mesopotamië. Laat-Harappa tussen 1900 en 1300 v.Chr. was een periode van neergang.

Van grote invloed waren Stuart Piggott met Prehistoric India uit 1950 en vooral Mortimer Wheeler. Beiden waren sterk beïnvloed door het toen geldende vooruitgangsgeloof en een cyclustheorie van opkomst, bloei en ondergang. Taalverandering en verschillen in artefacten zouden dan een nieuwe cyclus zijn die in gang werd gezet door een invasie door een cultureel of technologisch verder gevorderd volk. Marshall ging uit van een autonome culturele evolutie, maar Mackay zocht een diffusionistische verklaring en dacht dat een migratie van Soemeriërs mogelijk had bijgedragen aan het ontstaan van de Harappabeschaving. Ook Douglas Hamilton Gordon en Samuel Noah Kramer hingen deze verklaring aan. Wheeler dacht dat niet de migratie van mensen, maar van ideeën hier aan ten grondslag lag. Zo werd de meest gebruikelijke periodisering die in een vroeg-, hoog- en laat-Harappa.

Deze unilineaire evolutie was gebaseerd op Harappa en Mohenjodaro en negeerde het Neolithicum grotendeels. Gaandeweg werd echter duidelijk dat sites als Mehrgarh, Kili Gul Muhammad en Rana Ghundai wel degelijk een rol hadden gespeeld in de vorming van de Harappabeschaving. Amalananda Ghosh was op basis van gelijkenissen tussen aardewerk uit het neolithische Sothi en aardewerk uit nederzettingen van de Harappabeschaving in 1965 de eerste die een verband legde tussen pre-Harappa en Harappa.[8] Mohammad Rafique Mughal was daarna in 1970 de eerste die de gehele materiële cultuur vergeleek, met naast aardewerk ook stenen werktuigen, metalen werktuigen en monumenten. Pre-Harappa bleek ook versterkte nederzettingen en stenen en metalen werktuigen en te omvatten en kende afgezien van jade een vergelijkbaar handelspatroon waarbij gebruik werd gemaakt van het wiel. Alleen grote steden en verregaande ambachtelijke specialisatie ontbraken. Gezien de grote gelijkenissen zou pre-Harappa volgens Mughal beter vroeg-Harappa genoemd kunnen worden.[9]

Daarop verdeelde Jim G. Shaffer de beschaving in periodes van culturele overeenkomsten die konden verschillen per site. Shaffer zag een vroege periode van voedselproductie, een regionaliseringsperiode, een integratieperiode en een localiseringsperiode. Deze verdeelde hij in verdere fases. De vroege periode van voedselproductie vanaf 6000 v.Chr. omvatte de neolithische nederzettingen die al vroege kenmerken van de Harappabeschaving kenden. De regionaliseringsperiode van 4000 tot 2500-2300 v.Chr. verdeelde hij op basis van verschillen in vooral aardewerk in Balakot, Amri, Hakra en Kot Diji, om onderscheid te maken tussen complexer wordende groepen die wel interactie met elkaar hadden. De integratieperiode van 2500 tot 2000 v.Chr. kwam overeen met hoog-Harappa waarin de verschillende culturen samensmolten. In de localiseringsperiode van 2100 tot 1300 v.Chr. fragmenteerden de groepen weer tot. Dit was geen neergang, maar een verandering die tot in de ijzertijd aanhield.[10][11]

Klimaat[bewerken | brontekst bewerken]

Het klimaat ten tijde van de Harappabeschaving is onderwerp van discussie, waarbij onder meer Wheeler en Piggott uitgingen van een natter klimaat op basis van:

  • het grote aantal bakstenen moet een grote hoeveelheid brandstof hebben vereist, wat slechts mogelijk was bij dicht begroeide bossen, wat weer veel neerslag vereist
  • de vele gabarbands of dammen in Beloetsjistan suggereren zware regenval
  • afbeeldingen van tijgers, olifanten en neeushoorns op zegels suggereren bossen en graslanden die meer regenval vereisen
  • een uitgebreide waterafvoer

Deze conclusies worden echter betwist. Zo is de hoeveelheid moeilijk in te schatten en de waterafvoer was deels rioolstelsel. Singh kwam op basis van stuifmeelanalyses tot de conclusie dat er een toename was van regenval rond 3000 v.Chr. waarna deze rond 1800 v.Chr. weer afnam.[12] Enzel et al. kwamen echter tot een bijna tegenovergestelde conclusie.[13][14]:156

Volgens Giosan et al. (2012) werd het rond 3000 v.Chr. droger, waardoor de rivieren uit de Himalaya niet meer insneden in Punjab en er verder stroomafwaarts minder sterke overstromingen waren. De minder hevige overstromingen maakten inundatielandbouw mogelijk en zo kon de Harappacultuur floreren tijdens een intense droogte rond 2200 v.Chr. die in Egypte en Mesopotamië juist ontwrichtende gevolgen had. Anders dan eerder gedacht werd de vlakte tussen de Indus en de Ganges niet bewaterd door een gletsjer in de Himalaya, maar door moesson-afhankelijke rivieren. In de eeuwen daarna werd de moesson echter steeds minder sterk en de verdergaande aridificatie maakte de steden in het westen steeds minder bewoonbaar. De bevolking trok daarna oostelijker en vestigde zich in dorpen, waarmee een einde kwam aan de stedelijke samenleving.[15] Uit onderzoek naar sedimentair DNA in de zeebodem van de monding van de Indus blijkt verder dat er tussen 2500 en 1000 v.Chr. periodes met sterke wintermoessons waren. Deze hebben mogelijk bijgedragen aan de trek van de riviervalleien waar in de zomer steeds minder overstromingen waren om landbouw te ondersteunen naar de hoogvlaktes van de Himalaya met zijn winterregens. Tussen 1300 en 1000 v.Chr. namen ook de winterregens af, wat mogelijk een rol speelde bij de migratie naar de Ghaggar-Hakra-vlakte.[16]

Pre-Harappa[bewerken | brontekst bewerken]

Domesticatie was een langdurig proces dat geen unilineaire evolutie was met een vaststaand einddoel, maar iteratief en zeker in het begin een onbedoeld gevolg van de cultivatie van planten en dieren die aangetrokken werden door de menselijke omgeving. Het oude Nabije Oosten was waarschijnlijk de eerste plek waar domesticatie van planten plaatsvond. Het lijkt waarschijnlijk dat vanuit daar gerst, tarwe en andere gewassen via verschillende routes in Beloejistan terechtkwamen.[17] Bij de domesticatie van dieren lijken er meer lokale domesticaties te zijn geweest, zoals die van de zeboe, maar naast geiten en schapen uit het Nabije Oosten ook lokale varianten.[18]

Opmerkelijk is dat de vroege domesticaten niet zoals in het Nabije Oosten door sedentaire groepen werden beheerd, maar door nomadische groepen.[19] Mehrgarh in Beloejistan is de vroegste nederzetting die duidt op vaste vestiging en landbouw. In het Pleistoceen zou de Indus in dit gebied hebben gestroomd, een stuk westelijker dan in moderner tijden.[4]:25 Mehrgarh I kende nog geen aardewerk en de landbouw in dit akeramisch neolithicum zal rond 7000 v.Chr. tot ontwikkeling zijn gekomen door semi-nomadisch levende mensen. De gevonden dierlijke resten waren echter vooral van wild, zodat de jacht nog zeer belangrijk moet zijn geweest.

In Mehrgarh zijn bij de overblijfselen van negen mensen van 7500–9000 jaar geleden elf kronen aangetroffen die in de gebitten waren geboord. Deze vaardigheid lijkt na 4500 v.Chr. te zijn verdwenen, hoewel de staat van de gebitten niet verbeterde.[20]

Vroeg-Harappa[bewerken | brontekst bewerken]

Vroeg-Harappa

De Bolanpas leidt van de Indusvallei via Mehrgarh naar de Quettavallei waar Kili Ghul Mohammad (KGM) de typesite is voor de Kili Ghul Mohammad-fase. Possehl laat deze lopen van 7000-5000 v.Chr., terwijl deze bij Coningham en Young van 4300 tot 3500 v.Chr. duurt. Het aantal nederzettingen was hier nog klein in grootte en aantal. Possehl zag daarna van 4300 tot 3800 v.Chr. nog een Togau-fase die gevolgd werd door de Kechi Beg-fase van 3800 tot 3200 v.Chr., terwijl die laatste fase bij Coningham en Young van 3500 tot 3000 v.Chr. duurde en gevolgd werd door de Damb Sadaat-fase van 3000 tot 2600 v.Chr., waarbij de nederzettingen niet in grootte groeiden, maar wel in aantal. Deze periode viel samen met Mehrgarh VI waar veel ovens en potresten zijn aangetroffen die wijzen op semi-industriële productie. In Mehrgarh VII bleek langeafstandshandel door de carneool uit het westen van India en lapis lazuli uit Afghanistan.

Niet alleen in de tijd, maar ook ruimtelijk is er onderscheid te maken. Zo begon aan de kust in de lage Indusvlakte rond 4000 v.Chr. de Balakot-fase die tot circa 3500 v.chr. duurde. Het roodgebakken aardewerk vertoont kenmerken van de hoogwaardige Nal-keramiek in Beloejistan en vertoonde aan het einde van deze fase overeenkomsten met dat van de Amri-fase. Deze landinwaarts gelegen cultuur liep van 3600 tot 3000 v.Chr..

Stroomopwaarts van de Indus in Punjab bestond van ca. 3500-2700 v.Chr. langs de rivieren Hakra en de noordelijker gelegen Ravi de Hakra-cultuur en de Ravi-cultuur. Gezien de interactie wordt dit wel de Hakra-Ravi-fase genoemd. Ten dele bestonden de nederzettingen uit tijdelijke kampen, maar een groot deel was permanent bewoond, zoals Harappa langs de Ravi.

Tijdens de Kot Diji-fase van 3200 tot 2600 v.Chr. werd de aanzet naar integratie duidelijk. Kot Diji-aardewerk is teruggevonden van Sindh tot Beloetsjistan, Burzahom in de Kasjmirvallei en zuidelijk Afghanistan. In deze fase is bij een aantal sites sprake van stadsplanning, naast Kot Diji onder meer bij Rehman Dheri, Kalibangan, Harappa en het oostelijker gelegen Rakhigarhi. Ook nam in deze periode het aantal tijdelijke kampen sterk af en ontstonden er enkele grotere nederzettingen, zoals Jalwali en Gamanwala.

Aan het einde van deze periode trad tussen de verschillende culturen een culturele convergentie op.[21] Zo werd op verschillende plaatsen de afbeelding van een gehoornde god teruggevonden. Een toenemende specialisatie blijkt uit meer gespecialiseerde werktuigen en die specialisatie impliceert ook toegenomen handel. Stadsplanning impliceert ook een mate van bureaucratie, terwijl depotvondsten met juwelen in Kunal enige sociale stratificatie impliceren.

Hoog-Harappa[bewerken | brontekst bewerken]

Overgang[bewerken | brontekst bewerken]

Bewoningsgeschiedenis[22]
Sites in Sindh Sites in Cholistan
Vroeg-Harappa 54 40
Vroeg-Harappa sites verlaten 27 38
Vroeg- en hoog-Harappa 23 2
Hoog-Harappa sites nieuw opgezet 63 170
Hoog-Harappa 86 176

Wat de aanzet is geweest tot de culturele convergentie is niet duidelijk. Zo zijn er sites uit vroeg-Harappa die geen overblijfselen uit hoog-Harappa hebben en andersom. Enkele nederzettingen op het Pothohar-plateau kennen wel een vroeg-Harappa, maar geen hoog-Harappa, terwijl in Cholistan van alle nederzettingen alleen Chak 76, Gamanwali en Sandhanawala Ther bewoningscontinuïteit kenden. Bij Lothal, Desalpur, Chanhudaro, Mitathal, Alamgirpur en Ropar zijn juist geen aanwijzingen voor een vroeg-Harappa gevonden.

Bij sites die wel beide fases doormaakten, is de overgang niet altijd duidelijk. Zo lijkt Balakot een gat te hebben van enkele eeuwen. Kot Diji heeft aan het einde van de vroege periode een grote brand doorgestaan in de gehele nederzetting en is daarna herbouwd tijden hoog-Harappa. Ook Gumla heeft tussen de twee fases een brandlaag, waarna herbouw direct lijkt te zijn begonnen. Ook bij Amri en Nausharo zijn uitgebreide brandsporen gevonden. In Kalibangan zijn sporen gevonden die wijzen op een mogelijke aardbeving, waarna de nederzetting korte tijd onbewoond is geweest. Het is een open vraag wat de oorzaak is geweest van de duidelijke onrust in deze overgangsfase.

De overgang lijkt relatief snel te zijn gegaan, in drie tot vier generaties.[22]

Bestuur[bewerken | brontekst bewerken]

Aangezien het schrift niet ontcijferd is, zijn ook hypotheses over het bestuur van de Indusbeschaving indirect afgeleid. Enerzijds duidt de complexe stedenbouw en architectuur, het schrift, de standaardisatie van maten en gewichten, het handwerk en de handel erop dat het een complexe samenleving betrof. Anderzijds ontbreken de sporen van monumentale bouwwerken zoals wel werden aangetroffen in het oude Egypte en het oude Nabije Oosten en zijn er ook geen wandtekeningen van krijgers of veldslagen, noch van een grootschalig ontwikkelde bureaucratie. Daarmee lijkt de staatsvorming rond de Indus anders te zijn verlopen en lijkt het waarschijnlijk dat er een minder gecentraliseerd bestuur was met minder hiërarchie. Dit wijkt af van de ideeën over de vroege archaïsche staat die gevormd werden op basis van Egypte en het Nabije Oosten. Volgens de theorie van unilineaire evolutie zou die staat zich ontwikkelen uit het chiefdom en een niveau hoger zijn in de ontwikkeling. Voor Marshall, Mackay, Wheeler en Piggott was ondanks het ontbreken van deze kenmerken voor een staat de samenleving rond de Indus een beschaving en voor de laatste twee zelfs een autoritaire staat. Volgens Bridget en Raymond Allchin ontbrak echter het bewijs voor een priesterkoning en een groot rijk met twee hoofdsteden. Walter Fairservis gaf de eerste aanzet om de Indusbeschaving als een gedecentraliseerd chiefdom te zien, waarmee ook de noodzaak voor een bureaucratie ontbrak. De basis van de samenleving was het geheel van dorpen, niet zozeer de steden. Subhash Chandra Malik sloot hierbij aan en zag een ingebeelde gemeenschap op basis van verwantschap en burgerschap. Shaffer waarschuwde voor de grootse denkbeelden die ontstaan waren op basis van slechts bescheiden opgravingen en zag minder culturele eenheid dan verondersteld werd. Shaffer wilde de Indusbeschaving geen staat noemen, maar ook geen pre-staat, aangezien hij niet het idee van een culturele evolutie met hogere niveau's onderschreef. De Indusbeschaving deed niet onder in complexiteit voor de beschavingen van Mesopotamië, maar zouden een eigen unieke vorm hebben gekend.

In hoeverre de Indusbeschaving een staat was, is daarna een punt van discussie geworden, waarbij de definitie van de staat volgens Henri J.M. Claessen en Peter Skalník uit 1978 invloedrijk was.[23] Jerome Jacobson zag de beschaving juist wel als staat, al ontbraken aanwijzingen voor koningen en een staatsapparaat. Ook Kenoyer was deze mening toegedaan, met heersende elites die niet uit een enkele sociale groep zou hebben bestaan, maar uit onder handelaren, specialisten in rituelen en zij die de productiemiddelen beheersten. Daarbinnen zouden stadstaten waarschijnlijk enige autonomie hebben gekend.[24] Shereen Ratnagar stelde dat de Indusbeschaving een staat is, omdat steden nooit in een chiefdom zouden kunnen ontstaan. Dit lijkt echter niet houdbaar, aangezien er de nodige voorbeelden zijn van steden zonder staat, zoals de latere janapada's. Possehl stelde dat het misleidend kan zijn om de Indusbeschaving als archaïsche staat te beschrijven, aangezien die staat gedefinieerd is op de beschavingen in Egypte en Mesopotamië. Het is vooral van belang om complexiteit en uniciteit van een samenleving in ogenschouw te nemen. Zo kan de Indusbeschaving zijn kracht juist hebben gehaald uit een gedecentraliseerde ideologie.[22]

Hiërarchie en oorlogsvoering[bewerken | brontekst bewerken]

Tegen het gevormde beeld van een heterarchisch bestuur met een vreedzame en egalitaire maatschappij valt in te brengen dat veel van de steden ommuurd waren. Ook zijn er brandlagen gevonden in steden als Kot Diji, Gumla en Nausharo en enigszins Amri die mogelijk het gevolg van geweld zijn geweest, maar dat hoeft zeker niet het geval te zijn geweest. Opvallend is wel dat deze veelal hebben plaatsgevonden op de overgang van vroeg- naar hoog-Harappa, terwijl dergelijke grote branden in andere periodes ontbreken.[22][4]

De skeletten die teruggevonden zijn in Harappa zijn onderzocht op sporen van geweld. De aangetroffen patronen van schedeltrauma's wijzen vooral tijdens het post-urbaan Harappa op het gebruik van structureel geweld. Hoewel het aantal onderzochte skeletten relatief klein was, lijken de resultaten te wijzen opeen minder vreedzame en meer gestratificeerde samenleving dan veelal gedacht.[25]

Steden[bewerken | brontekst bewerken]

Archeologische overblijfselen van het afvoersysteem van de wasruimte in Lothal

Hoewel bevolkingsschattingen van deze periode een sterk speculatief karakter kennen, kan de bevolking op het hoogtepunt van de Harappabeschaving tussen de 4 en 6 miljoen hebben gelegen, waarmee het de grootste samenleving van de antieke tijd zou zijn geweest.[26]

Van de sites waarvan aangenomen wordt dat ze tot de Harappabeschaving behoorden, is slechts een klein deel opgegraven en dan ook slechts ten dele. Desondanks zijn er de nodige patronen te herkennen.

Hoewel de gridstructuur niet perfect oost-west en noord-zuid en haaks was zoals aanvankelijk gedacht werd, blijkt wel een duidelijke stadsplanning. Die is echter niet overal gelijk. Harappa, Mohenjodaro en Kalibangan hebben een verhoogde citadel en een benedenstad, terwijl Dholavira ook nog een tussenstad heeft en bij Lothal en Surkotada de citadel juist een onderdeel is van de stad. Het kleine Lothal kent een veel strakkere planning dan het grotere Kalibangan, zodat grootte geen directe correlatie lijkt te hebben met de mate van planning.

In kleinere nederzettingen werden de gebouwen veelal van leemsteen, modder en stro gemaakt, terwijl in de grotere nederzettingen veel baksteen werd gebruikt, onder meer in Engels verband. Kenmerkend zijn de standaardafmetingen van de stenen met een ratio van 1:2:4, 7x14x28 cm voor huizen en 10x20x40 cm voor stadsmuren. In rotsachtige gebieden als Kutch en Saurashtra werd ook veel natuursteen gebruikt.

De huizen waren veelal toegankelijk via binnenhoven of kleine straatjes, mogelijk om geuren, lawaai en inbrekers buiten te houden. Veel huizen waren voorzien van een badkamer, waarbij een afvoer naar buiten liep en aansloot op riolering. Sommige huizen hadden daartoe een eigen waterput. Ook beschikten veel huizen over een wc. De riolering was afgescheiden van regenafvoer. In Harappa en Mohenjodaro liepen de afvoeren via de hoofdstraten naar velden buiten de stadsmuren.

De rol van de citadel is nog steeds onderwerp van discussie. In tegenstelling tot de gelijktijdige beschavingen van Mesopotamië en Egypte werd hier geen enkele structuur van monumentale afmeting gebouwd en niets schijnt te wijzen op de aanwezigheid van een tempel of paleis. Er is dus ook geen materieel bewijs voor het bestaan van een koning, legers of priesters. Bepaalde structuren worden evenwel geïdentificeerd als opslagzolders, wat op landbouwoverschotten wijst, een teken van bloei van dit stadsleven.

Mohenjodaro[bewerken | brontekst bewerken]

Mohenjodaro is niet alleen de best bewaarde site van de Harappabeschaving, maar mogelijk ook van de gehele bronstijd. Waarschijnlijk werd de stad gevestigd op een niet eerder bebouwde locatie op twee daro's. Deze kunstmatige heuvels zijn het deel dat is opgegraven, terwijl onder meer boringen duidelijk hebben gemaakt dat de site aanmerkelijk groter is dan alleen de twee daro's. De westelijke daro werd door Marshall geïdentificeerd als stoepa, een boeddhistische tempel, terwijl Wheeler deze als citadel benoemde. Ten oosten bevindt zich de benedenstad op de tweede daro, terwijl de grond tussen de heuvels onbebouwd is.

Het grote bad van Mohenjodaro

De citadel meet zo'n 400 bij 200 meter en is omgeven door een 6 meter dikke muur die mogelijk als weermuur diende, maar ook wel gezien worden als niet meer dan ondersteuning om de aarde op zijn plek te houden.[14]:149[4]:185 In het noorden bevindt zich het grote bad, een rechthoekig zwembad van 14,5x7x2,4 meter omgeven door zuilengangen. Twee symmetrische trappen geven toegang tot het bassin dat met bitumen waterdicht was gemaakt. Vlakbij het bad bevond zich een groot gebouw van 69x23,4 m dat volgens Mackay mogelijk voor een priestercollege was bedoeld. Aan de westkant van het grote bad stond een ander groot gebouw van 50x27 m waarvan Marshall en Mackay dachten dat dit een hamam kon zijn geweest, terwijl Wheeler het als graanopslag zag. Kenoyer gaf gezien het ontbreken van graanresten de voorkeur aan de grote hal, waarvan de functie onduidelijk is.[27]

De benedenstad was zo'n tienmaal groter en mogelijk ook ommuurd. Dit deel van de stad heeft een roosterpatroon met twee noord-zuidgaande hoofdstraten en twee iets kleinere oost-westgaande hoofdstraten die de stad verdeelden in blokken die verder onderverdeeld werden door straatjes en stegen. De grootte van de huizen is onder te verdelen in clusters van 20-80m², 80-180m² en 200-300m², met enkele huizen groter dan 380m². Er zijn huizen met binnentrappen, maar dit hoeft niet te betekenen dat er meerdere verdiepingen zijn, het kan ook toegang geven tot het dak.[28]

Er waren een hoop waterputten in de stad, mogelijk meer dan 700, wat neer zou komen op een per drie huizen.

Harappa[bewerken | brontekst bewerken]

Archeologische kaart van Harappa

Harappa is gebouwd op acht heuvels en kent ook een ommuurde citadel met poorten en torens en een gebouw dat als graanopslag werd aangemerkt. Die conclusie werd echter gemaakt op basis van vergelijkingen met Romeinse gebouwen, terwijl hier net als in Mohenjodaro geen graan is aangetroffen. Dit gebouw bevindt zich ook niet binnen de citadel, maar bij een wijk ten noorden daarvan (heuvel F) die door ambachtslieden gebruikt lijkt te zijn. Ook de benedenstad op heuvel E was ommuurd en had werkplaatsen voor ambachtslieden. Bewoning op deze site begon in ieder geval in het vierde millennium v.Chr. op heuvel AB en kende een Hakra-Ravi-fase en een Kot Diji-fase.

Andere steden[bewerken | brontekst bewerken]

Ook Kalibangan was gebouwd op heuvels en kende een citadel en benedenstad. Opvallend aan deze middelgrote stad zijn de vuuraltaren. Deze zijn ook in Banawali, Lothal, Amri, Nageshwar, Vagad en Rakhigarhi aangetroffen, maar alleen in Kalibangan en Banawali lijken ze een gemeenschappelijke functie te hebben gehad. In de andere steden lijken ze te zijn gebruikt voor huiselijke rituelen. In Banawali is de citadel direct aan de stad gelegen, maar afgescheiden door een muur. De ommuring kende aan de oostzijde ook een slotgracht.

Lothal was geen grote stad, maar was van belang door de ligging aan de Golf van Khambhat en zo de Arabische Zee. Tegenwoordig ligt de kust een kleine 20 kilometer verderop, maar tijdens de hoogtijdagen verbond de stad de beschaving met de Perzische Golf. Opmerkelijk was dat de stad beschikte over een scheepsdok waarin het water op gelijke hoogte gehouden kon worden, onafhankelijk van het getij. Daarmee is dit het eerste bekende dok ter wereld. Dholavira was een middelgrote stad met een mogelijk kasteel, een tussenstad en een benedenstad.

Landbouw[bewerken | brontekst bewerken]

Beeldje van een hond uit Harappa
Gewassen[29]:156-157
Harappa Mohenjodaro Kalibangan Lothal Rangpur Surkotada Shortughai Balu
Tarwe X X X
Gerst X X X X
Sesamum X X
Watermeloen X X
Erwten X
Dadels X X
Rijst X X X X X
Gierst X X X
Mungboon X
Druiven X
Knoflook X

De landbouw zal voor een groot deel gebaseerd zijn op de pre-Harappacultuur. Gezien de grootte van het gebied met een grote variëteit in landschappen en weersomstandigheden was er ook de nodige variatie in gewassen die verbouwd werden en nog worden in de verschillende regio's. Die variatie heeft mogelijk bijgedragen aan de stabiliteit van de voedselvoorziening doordat de afhankelijkheid van een enkel gewas verminderd werd.

De vruchtbare alluviale gronden die na de jaarlijkse overstromingen achterbleven, zullen bewerkt zijn geweest, waardoor irrigatie nauwelijks nodig zal zijn geweest. In Shortughai zijn wel irrigatiekanalen gevonden. De overstromingen maakten ook ploegen minder noodzakelijk, al zijn er wel terracottamodellen van ploegen gevonden in Banawali en Bahawalpur en een geploegd veld in Kalibangan. Werkelijke ploegen zullen aanvankelijk van hout zijn geweest en ondertussen vergaan.

Naast akkerbouw was de veehouderij een belangrijk onderdeel van de voedselvoorziening met onder meer zeboes, waterbuffels, schapen en geiten. Beeldjes van honden suggereren dat ook deze gedomesticeerd waren. In hoeverre het paard onderdeel uitmaakte van de Indusbeschaving is onderdeel van discussie. De overblijfselen zijn niet altijd goed te onderscheiden van de Indiase wilde ezel. Zo is de vondst bij Surkotada betwist.[30] Ook zijn er maar een gering aantal beeldjes gevonden. Lange tijd was de consensus dan ook dat het paard door de Indo-Ariërs werd geïntroduceerd. Het lijkt erop dat het paard wel aanwezig was, maar geen belangrijke rol speelde.

De jacht was ook nog van belang, zoals blijkt uit overblijfselen van herten en wilde varkens, schapen en geiten, maar ook landschildpadden en vissen. Indische neushoorns zijn alleen bij Amri gevonden, maar is wel veelvuldig afgebeeld. Kamelen en Indische olifanten komen sporadisch voor. Klein wild als konijnen, blauwe pauwen, duiven, apen en eenden komen voor op afbeeldingen.

Gebruiksvoorwerpen en sieraden[bewerken | brontekst bewerken]

Beeldje van een ossenkar uit Mohenjodaro

De keramiek van de Indusbeschaving werd in het verleden wel als minder ontwikkeld dan die in Egypte en Mesopotamië gezien, maar gebleken is dat dit onterecht is. De eenvoud van veel voorwerpen volgde niet uit een gebrek aan ontwikkeling, maar uit aanpassingen voor massaproductie die komt kijken bij grotere samenlevingen. In Mesopotamië was een soortgelijke ontwikkeling bij de Urukperiode die minder kleurrijk aardewerk had dan de voorgaande Obeidcultuur. Massaproductie was mogelijk door het gebruik van de pottenbakkersschijf. Ovens om het aardewerk te bakken zijn onder meer gevonden in Harappa, Mohenjodaro, Nausharo en Chanhudaro. Bij weinig zuurstoftoevoer ontstond grijsgebakken aardewerk, terwijl toevoer van zuurstof oxidatie bespoedigde en het aardewerk rood kleurde. Dit aardewerk varieerde van bakstenen tot terracotta en faience. Potten hadden verschillende patronen, waaronder grijs, vaalgeel en zwart-op-rood, met uiteenlopende vormen. Grote vazen kunnen zijn gebruikt voor graan of water, terwijl kleinere, meer gedecoreerde ook een ceremoniële functie kunnen hebben gehad. Net als bij de stedenbouw, kenden ook de ambachtelijke producten een grote mate van standaardisatie, mogelijk vanuit een centrale overheid, al is dat onduidelijk.

Er zijn veel beeldjes gevonden van mensen, verschillende dieren en ook ossenkarren en ander rollend materieel. Ook armbanden en ringen zijn in grote hoeveelheden teruggevonden. Klingen van hoornsteen zullen zijn gebruikt als messen en sikkels.

Gouden en carneolen kralen uit de koningsgraven van Oer, waarschijnlijk afkomstig van de Indusbeschaving

Talk (steatiet) werd gebruikt voor luxeproducten en zegels als het Pashupati-zegel. De zegels bevatten vaak tekens van het Indusschrift. Ook de priesterkoning van Mohenjodaro werd van steatiet gemaakt.

Metalen voorwerpen werden gemaakt van koper en legeringen daarvan, zoals met arseen, tin en nikkel tot brons. Naast wapens werden hier werktuigen van gemaakt, maar ook sieraden en beeldjes als de danseres van Mohenjodaro. Werktuigen die gehard moesten zijn, zoals messen en bijlen, waren veelal brons, de overige voorwerpen waren veelal puur koper.

Dat er kleding werd gemaakt van katoen en wol valt af te leiden uit terracotta beeldjes, uit Mesopotamische teksten over de invoer van katoen uit Meluhha en katoenen doeken die in Mohenjodaro en Harappa zijn gevonden.

In Chanhudaro zijn veel kralen teruggevonden die gemaakt werden van carneool uit Gujarat. Hier werden kettingen van gemaakt die tot in Mesopotamië zijn teruggevonden. Het maken van de kralen was een arbeidsintensief proces waarbij gebruik werd gemaakt van verschillende soorten boortjes. Een van de materialen voor deze boortjes was Ernestite, genoemd naar Ernest J.H. Mackay, een hard metamorf gesteente. Alles bij elkaar kon het een jaar duren om tot een ketting te komen, zodat ze alleen door de rijken zullen zijn gedragen.[31]

Handel en transport[bewerken | brontekst bewerken]

Het grootste deel van de handel betrof de handel in de Indusbeschaving zelf. De routes lagen hier vooral langs de kust, langs de Indus en de andere rivieren en langs bergpassen als de Bolanpas tussen de Indusvlakte en Beloejistan en de Gomalpas richting Afghanistan. Uit koperen, bronzen en terracotta modellen en rotstekeningen blijkt dat ossenkarren en andere tweewielige karren ten tijde van het derde millennium v.Chr. in gebruik waren. De werkelijke exemplaren zullen zijn gemaakt van hout en ander vergankelijk materiaal en zijn niet bewaard gebleven.

Het dok van Lothal

Daarnaast blijkt uit vondsten dat er ook handel was met andere culturen, al was het volume waarschijnlijk minder groot dan aanvankelijk gedacht. Shortugai in Afghanistan was de belangrijkste handelspost, terwijl in Turkmenistan voorwerpen van de Indusbeschaving teruggevonden zijn in Altyndepe, Namazgadepe en Khapuzdepe. In Iran zijn onder meer in Tepe Hissar, Shah Tepe, Kalleh Nisar, Susa, Tepe Yahya, Jalalabad en Marlik voorwerpen gevonden. Vermoedelijk via de zeeroute zijn ook sporen uit het Indusgebied gevonden op eilanden in de Perzische Golf als Failaka bij Koeweit, Qal'at al-Bahrein en Hamad op Bahrein, op het vasteland bij Hajar in Saoedi-Arabië, Umm-an-Nar in de Verenigde Arabische Emiraten, Al-Moyassar in Oman

Uit kleitabletten uit de tijd van Sargon van Akkad (ca. 2334-2279 v.Chr.) blijkt een handel met Meluhha – waarschijnlijk de Indusbeschaving – Dilmun – waarschijnlijk Bahrein – en Magan – waarschijnlijk Oman. Harappaanse voorwerpen zijn gevonden in Kisj, Lagasj, Nippur en Ur. Andersom ontbreken echter Mesopotamische sporen in het Indusgebied, zodat de handel waarschijnlijk via tussenpersonen ging. Het belang dat aan de Mesopotamië-Indus-relatie wordt gehecht, verschilt. Volgens Ratnagar was het belang van de handel en dan vooral in lapis lazuli dusdanig groot dat de neergang in die handel de neergang van de Indusbeschaving betekende.[32] De archeologische vondsten die dit zouden moeten ondersteunen zijn echter gering in aantal, terwijl materialen als koper en lapis lazuli ook dichter bij huis werden gevonden. Chakrabarti en Shaffer kwamen dan ook tot de conclusie dat de handel met Mesopotamië van beperkt belang was.[33][34]

Meetkunde[bewerken | brontekst bewerken]

Gewichten[35]
HARP
(2010)
Vats
(1940)
Mackay
(1938)
HARP
(2010)
Vats
(1940)
Mackay
(1938)
Categorie Ratio Gemiddelde gewicht (g) Exemplaren
(AAA) 0,30 2
(AA) 0,60 1
A 1 0,86 0,95 0,87 7 1 5
(A') 1⅓ 1,25 8
B 2 1,78 1,66 1,77 13 12 13
Q ⅓ x 7 2,10 4
C ⅓ x 8 2,66 2,28 4 2
D 4 3,52 3,50 3,43 12 20 31
E 8 6,61 6,83 6,83 8 27 45
F 16 13,86 13,67 13,73 10 28 91
(F') 18 15,50 1
G 32 26,70 27,06 27,41 7 59 94
H 64 51,97 54,73 54,36 3 18 23
J 160 120,81 130,38 136,02 4 18 11
K 200 174,50 1
L 320 225,50 271,33 1 1 4
M 640 546,70 1
N 1600 1417,50 3
Poids cubiques harappéens - BM.jpg

De bevolking van de Indusbeschaving bereikte grote meetnauwkeurigheid op gebied van massa, lengte en tijd. De eerste aanzet tot een uniform gewichtenstelsel is gevonden in de Kot Diji-fase en verspreidde zich tijdens hoog-Harappa over het hele gebied. Hemmy maakte een indeling naar de ratio's van de kubusvormige gewichten. Bij de kleinere gewichten verliep deze binair (1:2:4:8:16:32:64) en daarna maakte deze grotere stappen ( 160, 200, 320, 640, 1600, 3200, 6400, 8000 en 12.800). Er is veel speculatie geweest over de basis van het gewichtenstelsel, waarbij tarwe (0,048 g), gerst (0,064 g) en mungboon of masha zijn genoemd. Ook het paternosterboontje of ratti dat als basis zou dienen voor het latere stelsel in de Vedische tijd is een veelgenoemde kandidaat. Met een gewicht variërend tussen 0,109 en 0,113 g zijn er 8 ratti nodig om tot een gewicht van categorie A te komen. Het grootste gewicht dat is gevonden, weegt 10.865 g. Er is vaak aangenomen dat de gewichten werden gebruikt voor dagelijkse handelsdoeleinden, maar gezien het geringe aantal lijkt het waarschijnlijker dat ze werden gebruikt voor belasting- of invoerheffingen.[35] De gewichten die genoemd worden in Kautilya's Arthashastra uit de Vedische periode komen in gewicht weliswaar niet overeen, maar ook hier is de binaire ratio terug te vinden.

Stenen muren in Mohenjodaro

Ook lengtematen kenden standaardisatie. Dat is duidelijk bij de stedenbouw. Rond 7000 v.Chr. was het gebruik van leemsteen daarbij al wijdverbreid, al hadden deze handgemaakte stenen nog geen uniforme vormen. De weinige teruggevonden stenen uit deze vroege periode waren wigvormig en zijn 17,5 cm lang, 9 cm breed aan de brede zijde en 5,5 cm aan de smalle zijde en 4,5 cm dik. Daarmee lag de verhouding aan de brede zijde al wel op de 4:2:1 die in de latere fase de standaard werd. Stenen die teruggevonden zijn uit het einde van de Ravi-cultuur meten 40 x 23 x 11 cm en hebben grote overeenkomsten met stenen uit de latere Kot Diji-fase, al zijn die laatste uniformer, doordat ze met mallen werden gemaakt. De afmetingen van de stenen voor de vroege stadsmuren van Harappa waren 10 x 20 x 40 mm en deze werden soms ook gebruikt voor de fundaties van huizen, al komt daar ook 10 x 20 x 30 cm en 10 x 18 x 36 voor. Voor de scheidingsmuren werden stenen van 7 x 12 x 24 cm tot 7 x 14 x 28 cm gebruikt. Tijdens hoog-Harappa werden geleidelijk steeds meer bakstenen in plaats van leemstenen gebruikt, aanvankelijk van 7 x 14 x 28 cm. Deze werden ook wel gebruikt om de grotere stenen van de stadsmuren te bekleden. Richting het einde van deze periode werden ook kleinere stenen gebruikt van 5 x 12 x 24 cm. Voor putten werden ook wel wigvormige stenen gebruikt.
Er zijn enkele zeldzame vondsten van linialen gedaan. Op een ivoren schaal uit Lothal zijn over een lengte van 46 mm 27 maatstreepjes gevonden, waarmee de maatverdeling overeenkomt met 1,77 mm (door verkeerdelijk door 27 te delen, wordt wel 1,704 mm genoemd). Op een bronzen staaf uit Harappa was de afstand 9,34 mm en op een liniaal uit Mohenjo-daro was de afstand 33,5 mm.[35]

Schrift en taal[bewerken | brontekst bewerken]

De langste teruggevonden tekst bestaat uit 34 tekens. Deze koperen plaat is mogelijk gebruikt om kopergravures te maken, waarmee het de oudst bekende druktechniek zou zijn[36]

Het Indusschrift is nog niet ontcijferd, ondanks meer dan honderd pogingen daartoe. Een vroege poging was van Flinders Petrie op basis van overeenkomsten met Egyptische hiërogliefen. Walter Fairservis dacht in 1983 voldoende overeenkomsten met Dravidische talen te zien om het Indusschrift te kunnen lezen. In 1987 zag James Kinnier Wilson overeenkomsten met spijkerschrift uit Mesopotamië en kwam met een Indo-Sumerische ontcijfering. Vanuit het hindoenationalisme wordt wel beweerd dat het Indusschrift een vroege vorm van Sanskriet zou zijn, waarmee het controversiële standpunt ingenomen wordt dat de Indische identiteit terug te voeren is tot de Indusbeschaving. Problematisch is echter dat het niet bekend is welke taal of talen er gesproken werden ten tijde van de Indusbeschaving. Ook ontbreekt een twee- of drietalige tekst zoals de steen van Rosetta waarbij het schrift met een bekend schrift vergeleken kan worden.

In 1977 publiceerde Iravatham Mahadevan een beschrijving van zo'n 3700 zegels met 417 verschillende tekens.[37] Shikaripura Ranganatha Rao stelde in 1982 het schrift ontcijferd te hebben op basis van slechts 62 tekens.[38] Asko Parpola dacht in 1994 dat er zo'n 450 tekens waren.[39] Met anderen heeft Parpola drie delen uitgebracht met enkele duizenden zegels en inscripties.[40][41][42] Een vierde deel is aangekondigd, maar nog niet verschenen.

Bryan Kenneth Wells kwam in 2015 zelfs tot 676 tekens.[43] Wells heeft met Andreas Fuls een database aangelegd met een groot deel van de tekens.[44] Het grote aantal tekens maakt het onwaarschijnlijk dat het een alfabet of syllabisch schrift betreft. Waarschijnlijk is het een logosyllabisch schrift, een combinatie van een syllabisch en een logografisch schrift, en is de schrijfrichting van rechts naar links. Sommige teksten zijn echter van links naar rechts geschreven en enkele meerregelige teksten zijn afwisselend van richting geschreven, boustrofedon.

De tien schrifttekens van het tekstbord van Dholavira, ontdekt aan de noordpoort

De teruggevonden teksten zijn kort, maximaal 34 tekens en gemiddeld 5. Volgens een kleine groep onderzoekers zijn de tekens dan ook geen schrift dat een taal weergeeft, maar zijn het niet-linguïstische symbolen zoals ook gebruikt worden in onder meer de heraldiek.[45] Hiervoor zou echter geen vaste volgorde en schrijfrichting nodig zijn, die wel is aangetroffen. Een studie op basis van conditionele entropie door Rajesh P.N. Rao heeft aangetoond dat de mate van flexibiliteit in de volgorde van tekens overeenkomt met die van andere talen.[46] De meerderheid van de onderzoekers gaat er dan ook vanuit dat het wel een taal is, die evenwel gezien de kortheid net als het protospijkerschrift uit Sumer mogelijk een beperkte rol had, zoals het beschrijven van producten en heersers. Het tekstbord van Dholavira – dat ooit aan een muur moet hebben gehangen, maar plat op de grond is gevallen – suggereert echter dat het schrift meer dan alleen een economische functie had. Daarnaast kunnen langere teksten op vergankelijk materiaal verloren zijn gegaan.

De huidige aanwijzingen lijken de balans voor de taal van de Indusbeschaving door te laten slaan naar een proto-Dravidische taal en niet het Sanskriet.[47]

Religie en begrafenisrituelen[bewerken | brontekst bewerken]

Vrouwelijke figurine met waaiervormige hoofdtooi

De eerste inzichten over de Harappaanse religie werden in 1931 uiteengezet door Marshall.[48] In het Nabije Oosten werd uit teksten duidelijk dat vergelijkbare beeldjes vruchtbaarheidssymbolen waren en soms ook godinnen. Marshall herkende in 1931 dan ook een moedergodinnencultus, terwijl Mackay er in hetzelfde werk ook speelgoed in zag en in 1938 mogelijk votiefbeeldjes. Ook de dierenbeeldjes werden zowel als mogelijk speelgoed en votiefbeeldjes gezien.[49][50]

Terughoudendheid bij de interpretatie is geboden, vooral omdat het schrift nog niet ontcijferd is.[51] Ook verschilt het per stad wat er is teruggevonden. Zo zijn er in Kalibangan geen antropomorfe beeldjes gevonden en in Lothal slechts enkele. Alexandra Ardeleanu-Jansen onderzocht in Mohenjodaro de hoeveelheid en soort beeldjes en waar deze gevonden werden. Zo'n 80% van de antropomorfe beeldjes daar is vrouwelijk, maar met een grote variatie, zodat het moeilijk is een classificatie te maken. Er zijn echter wel een aantal overeenkomsten te vinden bij groepen beeldjes. Zo zijn alle mannelijke beeldjes naakt. De nodige slanke vrouwenbeeldjes hebben waaiervormige hoofdtooien, terwijl een andere groep bestaat uit vrijwel naakte volle, waarschijnlijk zwangere vrouwen. Hoewel dit mogelijk een uitbeelding is van vruchtbaarheid, wees Ardeleanu-Jansen de interpretatie als moedergodin af. Zo werd geen enkele figurine gevonden in een publieke ruimte als een tempel. Ook werden de vrouwelijke figurines meestal niet geïsoleerd gevonden, maar in combinatie met mannelijke en dierenbeeldjes.[52] Tekenend is ook dat er geen tempels zijn gevonden. Rituelen lijken zich dan ook in huiselijke kring te hebben afgespeeld.

Een zegel met daarop een mannelijke figuur met een hoofdtooi met buffelhoorns werd door Marshall gezien als aanwijzing dat er ook een mannelijk god aanbeden werd. Deze door dieren omringde man werd Marshall gezien als Pashupati, heer van de dieren en een van de manifestaties van Shiva uit de latere hindoemythologie. Marshall meende ook een yogahouding te zien, wat ook aansluit bij Shiva als Mahayogi. Daarmee kreeg het zegel de naam Pashupati-zegel. In hoeverre er werkelijk sprake is van een yogahouding en een gelijkenis met Shiva is echter betwist en er zijn dan ook vele verschillende interpretaties.[4]:141-143 Een deel daarvan gaat er net als Marshal vanuit dat het een dravidische pre-arische god betreft, een ander deel ziet er een vedische god in, wat aansluit bij het hindoenationalisme, dat een culturele continuïteit verondersteld waarbij er sprake zou zijn geweest van inheemse Ariërs, de out-of-India-theorie.

Rolzegel K-65 uit Kalibangan
Verschillende zegels van dieren en tekens

De moeilijkheid van verschillende interpretaties is ook te zien bij rolzegel K-65 uit Kalibangan. In een discussie over het Pashupati-zegel, waarbij de daarop afgebeelde persoon als Lady of Beasts werd gezien, zag Shubhangana Atre op het rolzegel uit Kalibangan een mogelijk mensenoffer, meer specifiek een maagdenoffer. De persoon in het midden zou een maagd zijn die geflankeerd wordt door twee mannen met wapens waarmee zij geofferd zou worden. Daarmee zag Atre een parallel met de latere cultus rond de maagdelijke Griekse en Romeinse godin Diana.[53] Pramod V. Pathak bracht daar tegenin dat de speren ongeschikt zijn als offerwapen, terwijl het ook zeer onwaarschijnlijk zou zijn dat de cultus van Diana eeuwenlang onopgemerkt bleef, om daarna vele duizenden kilomters verderop op te duiken.[54] Volgens Parpola zijn het twee krijgers die dreigen elkaar te spietsen, terwijl ze beiden aan de hand worden vastgehouden door een godin. Naast de gevechtsscène gaat het lichaam van de godin op in dat van een tijger.[39]

Een aantal stenen werd geïnterpreteerd als yonis en lingas, vertegenwoordigingen van respectievelijk vrouwelijke en mannelijke geslachtsdelen. Ook die interpretatie is echter betwist.[55]

De vele afbeeldingen van dieren, waaronder mogelijk eenhoorns, hangen mogelijk ook samen met een cultus. Ook de swastika is teruggevonden op afbeeldingen en kan hierbij een rol hebben gespeeld.

De uitgebreide waterwerken, waaronder het grote bad in Mohenjodaro, leidden Michael Jansen ertoe om te spreken van wasserluxus.[56] Dat het water naast een fysieke rol bij de reinheid ook een religieuze rol kan hebben gespeeld, werd al geopperd door Mackay.[57] Ook anderen hebben sindsdien een mogelijk religieus aspect gezien in de waterhuishuiding, waaronder Possehl die daarbij ook het concept wasserluxus gebruikte.[4]

Niet alleen water, maar mogelijk ook vuur heeft eenritueel aspect gehad. Vuuraltaren zijn in Kalibangan, Banawali, Lothal, Amri, Nageshwar, Vagad en Rakhigarhi aangetroffen, maar alleen in Kalibangan en Banawali lijken ze een gemeenschappelijke functie te hebben gehad in vuurrituelen met vuuroffers. In de andere steden lijken ze te zijn gebruikt voor huiselijke rituelen.

In onder meer Harappa, Kalibangan, Lothal, Rakhigarhi en Surkotada zijn begraafplaatsen gevonden. Veelal werd het lichaam in rugligging met het hoofd richting het noorden geplaatst en werd er wat voedsel en aardewerk meegegeven. Vooral begraafplaats R37 in Harappa heeft veel informatie opgeleverd, onder meer over het gebruik van grafkisten. De overblijfselen zijn van gezonde, goed gevoede mensen, waarschijnlijk van de bovenklasse.[58]:206-211 Anders dan in beschavingen in Egypte en Mesopotamië zijn er geen imposante grafmonumenten gevonden.

De vermeende priesterkoning uit Mohenjodaro

De moeilijkheid van interpretaties blijkt ook bij de vermeende priesterkoning uit Mohenjodaro. Dit beeldje werd in 1925-26 door Kashinath Narayan Dikshit opgegraven. Mackay was de eerste die er een mogelijke priester in zag. Marshall had het over een mogelijke koning-priester, maar met Wheeler werd het beeldje bekend als mogelijke priesterkoning. Wheeler maakte daarbij de vergelijking met de priesterkoningen van Sumerië.[59] Enige onderbouwing hiervoor ontbrak echter, terwijl er ook nauwelijks aanwijzingen zijn voor de bijbehorende hiërarchische samenleving.[4]:114-115 Sindsdien wordt dan ook steeds minder waarschijnlijk geacht dat het een priesterkoning betrof.[60][58]:481-483

Laat-Harappa[bewerken | brontekst bewerken]

Gedurende 700 jaar was de beschaving van de Indusvallei welvarend. Kunstenaars en handwerkslieden maakten prachtige en kwalitatief goede producten. Maar even plotseling als zij was opgekomen is deze beschaving ook in verval geraakt en vergaan. Tegen 1900 v.Chr. zijn er de eerste tekenen van verval. De steden liepen leeg. De achterblijvers raakten ondervoed. Honderd jaar later, rond 1800 v.Chr., zijn de meeste steden helemaal verlaten. De gouden tijd van handel met Iran lijkt voorbij tegen 1700 v.Chr. Dat is ook het moment waarop vermeldingen van handel met het oosten uit de Mesopotamische teksten verdwijnen.

De grote agglomeraties van Oost-Turkmenistan (Altyn-tepe en Namazga-tepe) werden verlaten en de grote metropolen van de Indusvallei raakten in verval. In de regio van de Indusbeschaving nam het regionalisatieproces weer toe met het verdwijnen van de karakteristieke elementen van de Harappa-eenheid: schrift, zegels, en gewichten. Maar toch overleefden veel elementen tijdens het 2e millennium v.Chr. in de oostelijke en zuidelijke gebieden van de regio. De thans bekende archeologische gegevens maken het aannemelijk dat de materiële cultuur die als laat-Harappa is geclassificeerd tot minstens 1000-900 v.Chr. heeft voortgeduurd en deels in de tijd samenviel met de Painted Grey Ware en misschien de vroege NBP-cultuur.[61] Archeologen benadrukken dat er een continue reeks culturele ontwikkelingen is die de twee hoofdfasen van urbanisatie in Zuid-Azië verbinden.

In de daaropvolgende eeuwen verdween, in tegenstelling tot wat met de gelijktijdige Mesopotamische en Egyptische beschavingen gebeurde, de herinnering aan de Indusbeschaving. In feite is het Indusvolk niet echt verdwenen. Na de instorting van hun indrukwekkende beschaving duiken er regionale culturen op waar, in wisselende intensiteit, de invloed van de Indusbeschaving in terug te vinden is. Waarschijnlijk is er ook gedeeltelijke migratie naar het oosten geweest, richting de Gangesvlakte. Wat verdween was dus niet een volk, maar een materiële cultuur: steden, schriftsysteem, commercieel netwerk en ten slotte de kennis die er de intellectuele grondslag van was.

Klimaatverandering is een mogelijke natuurlijke oorzaak van de neergang van de Indusbeschaving. Het klimaat werd er duidelijk kouder en droger vanaf 1800 v.Chr.

Een cruciale factor was misschien ook het verdwijnen van grote delen van het rivierensysteem Ghaggar-Hakra. Klimaatverandering of een tektonische gebeurtenis kan bronnen en loop ervan naar de Gangesvlakte hebben verlegd, al bestaat er twijfel over deze laatste verklaring. Massale uitwijking van delen van de bevolking, om allerlei redenen, kan ertoe leiden dat de kritische massa, nodig voor het onderhoud van een beschaving, in korte tijd verdwenen is, zodat het achterblijvende deel de cultuur niet kan op peil houden.

De Sarasvatî

Invallen van oorlogszuchtige volken in het noordwesten van India worden evenmin uitgesloten als mogelijke oorzaak van het plotse verdwijnen van de Indusbeschaving. De Swatcultuur van Noord-Pakistan werd als eerst mogelijke kandidaat voor de vroege vestigingen van Indo-Ariërs in het subcontinent beschouwd. Door vestiging van andere volkeren zou er een breuk zijn gekomen in de handelsbetrekkingen met andere landen.

Een mogelijke verklaring voor de instorting van deze beschaving is de hypothese van de Indo-Arische invasie in Noord-Indië. De Indo-Ariërs bevonden zich rond 2000 v.Chr. in Bactrië. Zij waren het in ieder geval die het Sanskriet naar India brachten, of dit nu op vreedzame wijze gebeurde of niet. Indirect zouden zij echter de destabilisatie van de Indussteden al hebben teweeggebracht alvorens zich tegen 1700 v.Chr. definitief in India te vestigen.[62]

Vroeg twintigste eeuw werd deze migratie in de vorm van een Arische invasiehypothese geformuleerd en toen de Indusbeschaving in de jaren 1920 werd ontdekt, werd het samenvallen van haar instorting, precies met de tijd van de veronderstelde invasie, gezien als een onafhankelijke bevestiging daarvan. In de woorden van archeoloog Mortimer Wheeler: staat de Indo-Arische oorlogsgod Indra terecht voor de vernietiging. Maar het is verre van zeker dat de instorting van de Indusbeschaving het gevolg was van een Indo-Arische invasie, als die er al geweest zou zijn. Waarschijnlijker lijkt het tegendeel: de Indo-Arische migratie als gevolg van de ineenstorting, vergelijkbaar met wat met het Romeinse Rijk gebeurde tijdens de invallen van barbaarse volkeren aldaar bij de Volksverhuizingen.[bron?] Dit maakt het ook acceptabeler dat de adoptie van Indo-Arische talen het gevolg was van geleidelijke culturele mengeling van de Cemetery H-mensen (waarschijnlijk Dravidiërs en Indo-Ariërs), eerder dan van acute invasie.

In India wordt de Indusbeschaving zelf als Arisch gezien. Uit DNA-onderzoek van botten blijkt dat de bevolking op zeker moment uit zowel Ariërs als Dravidiërs bestond.[bron?]

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Externe links[bewerken | brontekst bewerken]

Zie de categorie Indus Valley Civilization van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.
Etalagester Dit artikel is op 24 april 2008 in deze versie opgenomen in de etalage.