Indische filosofie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Filosofie
Banner-philosophy.png
Geschiedenis van de filosofie
Westerse filosofie Presocratische filosofie
Antieke filosofie
Middeleeuwse filosofie
Renaissancefilosofie
Moderne filosofie
Hedendaagse filosofie
Oosterse filosofie Arabische filosofie
Boeddhisme
Chinese filosofie
Confucianisme
Hindoeïsme
Indische filosofie
Japanse filosofie
Taoïsme
Zoroastrisme
Religieuze filosofie Christelijke filosofie
Joodse filosofie
Islamitische filosofie
Categorie filosofie Boeken
Filosofen
Stromingen
Portaal  Portaalicoon  Filosofie

Indische filosofie (Sanskriet: Darshanas) is de overkoepelende term voor een aantal vormen van filosofie die op het Indische subcontinent zijn ontstaan. Hiertoe behoren onder meer de hindoeïstische filosofie, de boeddhistische filosofie en het jaïnisme. De filosofie van het Indische subcontinent behoort tot de vroegste vormen van wijsgerig denken.[1] De verschillende stromingen verschillen op heel wat belangrijke punten, waardoor het moeilijk is om een omvattend beeld van de Indische filosofische gedachtegang weer te geven. Wel wordt onderscheid gemaakt tussen de orthodoxe en de niet-orthodoxe of heterodoxe filosofieën, de astika en nastika. Pas vanaf de tijd van de migratie van Indo-Arische volken, de Vedische tijd, zijn er overleveringen van de Indische filosofie bekend.

Kenmerken[bewerken]

De Indische filosofie kent met zijn verschillende stromingen een aantal overeenkomsten:

  • de zielsverhuizing met daarmee samenhangend:
  • het streven om moksa te bereiken heeft een praktische instelling tot gevolg om karma te beïnvloeden, aangezien hoe men zich gedragen heeft in het eerdere leven bepaalt hoe men wedergeboren wordt
  • een sterke gerichtheid op het innerlijke, terwijl het aardse bestaan veelal van ondergeschikt belang is
  • bij de logica van de pramana’s, de Indische kentheorie, speelt ook intuïtie een belangrijke rol
  • een belangrijke rol is weggelegd voor tradititionele geschriften, vooral de Veda’s. Dit maakt het moeilijker toegankelijk voor diegenen die hier niet mee bekend zijn
  • er is een opmerkelijke verdraagzaamheid, waarbij andere denkwijzen wel kritisch benaderd worden, maar niet onderdrukt

De Rig-Veda is hier de oudst bekende overlevering en een belangrijke scheidslijn is dat tussen de scholen die de Veda's aanhangen en de scholen die deze verwerpen, respectievelijk de astika en nastika. Onder de eerste vallen de zes darsana's, nyaya, vaisheshika, samkhya, yoga, mimamsa en vedanta. Onder de laatsten vallen charvaka, het boeddhisme en het jaïnisme.

Ook politieke filosofie heeft altijd een belangrijk onderdeel van de Indische filosofie gevormd. Een van de eerste teksten die aan de Indische politieke filosofie was gewijd is de Arthashastra, die rond de vierde eeuw v.Chr. geschreven moet zijn. De politieke filosofie van India is sterk beïnvloed door het dharmisme. Hierin speelt geweldloosheid met de begrippen ahimsa en satyagraha – die door Mahatma Gandhi werden gepopulariseerd in de tijd dat India voor zijn onafhankelijkheid streed – een zeer belangrijke rol.

Geschiedenis[bewerken]

Shankara die de herleving van advaita vedanta teweeg bracht

De Indische filosofie werd vooral in de periode tussen 1000 v.Chr. en de eerste eeuwen van de christelijke jaartelling uitgewerkt en verspreid. Er zijn verschillende onderverdelingen mogelijk, zoals

  • Vedische periode
    • Oud-Vedische of hymnenperiode (ca. 1500-1000 v.Chr.), waarin de hymnen van de Rig-Veda een zeer belangrijke rol spelen.
    • De tijd van de offermystiek (ca. 1000-750 v.Chr.), waarin er een kastenstelsel ontstond nadat de Indo-Ariërs zich van de inheemse volkeren - die zij shudra's noemden - wilden onderscheiden. Met name de kaste van de priesters (brahmanen) werd hierbij zeer belangrijk.
    • De tijd van de Upanishads (ca. 750-500 v.Chr.)
  • Klassieke periode (ca. 500 v. Chr.-1000 n.Chr). Hierin was sprake van steeds meer kritiek op de brahmaanse godsdienst en traden Mahavira en Boeddha naar voren, die ervoor zorgden dat er op het Indische subcontinent niet langer sprake was van slechts één religie. Ook was de Indische filosofie vanaf toen niet langer bedoeld was geheime leer maar werd opengesteld voor een breed publiek, inclusief de lagere kasten die er niet eerder bij betrokken waren geweest. In plaats van het Sanskriet werd de volkstaal als voertaal gebruikt. Met name tussen 800 v.Chr. en 200 vond er tussen de verschillende filosofische scholen een heftige competitie plaats. Sommige van deze scholen zoals het shaivisme, het advaita vedanta, het boeddhisme - dat zich later vanuit India grotendeels verplaatste naar China en Japan - en het jaïnisme hebben deze strijd overleefd, terwijl andere zoals de Ajivika tegenwoordig niet meer bestaan.
  • Na-klassieke periode (vanaf ca. 1000)

In de periode 1750–1947, de tijd van de Britse koloniale bezetting, verkreeg de Indische filosofie haar huidige vorm. Denkers als Vivekananda, Aurobindo, Tagore, Gandhi, Krishnamurti en Radhakrishnan gaven aan de traditionele Indische filosofie een eigentijdse betekenis, daarbij mede beïnvloed door de westerse indologen, iets wat Agehananda Bharati het pizza-effect noemde.

Vedische periode[bewerken]

Oud-Vedische of Samhitaperiode[bewerken]

Aanvankelijk was het gebied van de Indo-Ariërs beperkt tot het vijfstromengebied Punjab rond de Indus in het noorden van Zuid-Azië. Het betrof in deze periode nog een pastorale samenleving die vooral leefde van de veeteelt.

Over een lange periode ontstond hier vanuit vele onbekende bijdragen een traditie die uiteindelijk op schrift zouden worden gesteld. Deze Veda's bestaan uit vier afdelingen, waarbij bij offers elke afdeling door een priester werd voorgedragen:

Elke Veda bevat weer vier niveau's:

De lof gold voor de deva's of goden, zoals de god van het vuur Agni, de god van donder en bliksem Indra en de zonnegod Vishnu. In de teksten is hiernaast echter ook een filosofisch begin te zien, zoals in de scheppingshymne in Rig-Veda 10.129 nasadiya sukta, waarin de tijd van voor de schepping wordt gezien als een tijd waarin zowel het Niet-Zijn als het Zijn nog niet bestonden en waarin wordt gesteld dat ook de goden pas na de schepping ontstonden en dat mogelijk zelfs de schepper niet weet hoe de goden zijn ontstaan.[2]

Deze teksten gelden als de absolute en eeuwige waarheid, aangezien zij op openbaring berustten. Desondanks is dus al in de Rig-Veda een twijfel aan de goden te zien en een zoektocht naar de oergrond achter deze goden. In de Brahmana's vermindert de angst voor de goden, aangezien deze door brahmanistische rituele offers (yajna's) in toom gehouden kunnen worden.

Brahmanische en Aranyaka-periode[bewerken]

Met het verschuiven van de focus van de Samhita's naar de Brahmana's nam ook de aandacht voor rituelen toe ten koste van de deva's, de goden van de Rig-Veda. Dit ging gepaard met de opkomst van de brahmanen, de priesters die met hun rituelen de goden moesten bedwingen. Zij verkregen steeds meer de belangrijkste positie in de maatschappij, ten koste van de kshattriya's, de krijgers en heersers, overigens zonder wereldlijke macht naar zich toe te trekken. Mogelijk hing deze verandering van positie samen met de overgang van een semi-nomadische krijgerssamenleving naar een agrarische samenleving. Onder de heersers vielen de vaishya's, de handelaren en landbouwers, en daaronder de shudra's, de arbeiders en dienaren. Mogelijk waren deze laatsten de nakomelingen van de oorspronkelijke bevolking die nu onder de Indo-Ariërs viel. Zij mochten dan ook niet deelnemen aan de hindoeïstische initiatierite van upanayana. De dalits vielen zelfs buiten het kastenstelsel met zijn vier varna's dat gedurende deze periode zo vorm begon te krijgen.

Gedurende deze periode ontwikkelden zich de begrippen Brahman en Atman tot belangrijke concepten binnen het hindoeïsme en de hindoeïstische filosofie.

Upanishadische periode[bewerken]

In deze periode was het gebied ondertussen uitgebreid tot de Ganges en ontwikkelden zich voor het eerst sinds de Indusbeschaving weer steden. In deze steden werd de onderlinge solidariteit de familiebanden ten dele vervangen door een solidariteit tussen de klassen.

De janapada's, kleinere stamgebieden waarin leiders voortkwamen uit stam- en familieverbanden, vormden zich tot grote (maha) gebieden, de zestien mahajanapada's, elk geleid door een koning met elk een eigen hoofdstad. Deze centralisatie ging gepaard met een toenemende handel waardoor een handelaarsklasse kon ontstaan. De verschuiving van de macht van een raad van stamhoofden naar een koning, de urbanisatie en het ontstaan van een koopmansklasse bracht een individualisering teweeg die ook gevolgen voor de religieuze beleving. Het leven als lijden kreeg een belangrijke plaats, terwijl het polytheïsme in belang afnam.

Eerder lag de nadruk op de natuurlijke omstandigheden waarin de mens moest zien te overleven, maar in een steeds meer gestratificeerde samenleving groeide de ongelijkheid. In andere samenleving ontstonden in gelijke omstandigheden religies die hier een rechtvaardigheid voor boden in het hiernamaals. De brahmanen konden hier maar een beperkt antwoord op vinden. Zij vormden een gesloten groep die hun kennis en daarmee macht over de geestelijke wereld voor zichzelf hielden en vooral mondeling overbrachten. Dit systeem verkreeg een zekere starheid en gerichtheid op uiterlijke rituelen die onvoldoende voorzag in de eisen van de nieuwe samenleving. Zo ontstond een mystieke tegenbeweging op zoek naar het innerlijk en de verlossing van deze cyclus. Dat betekende overigens niet dat er sprake was van een volledige overgang. Buiten de stedelijke gebieden waar de nieuwe onzekerheden geen rol speelden, bleef er behoefte aan de oude vormen. Dit kon spanningen veroorzaken tussen de stedelijke elite en de landelijke bevolking.

Zo ontstonden de meer filosofisch getinte Upanishads. Hoewel eerder al Upanishads gevormd waren, ontstonden de belangrijkste in deze periode. In deze geheime teksten is een vroege filosofische bespiegeling te vinden over de aard van de wereld en de mensen en over wat er na de dood gebeurt. De aard van de wereld komt naar voren in de begrippen Brahman en Atman. Het begrip Brahman had zich ontwikkeld tot het onpersoonlijke Absolute waaruit alles ontstaat, niet gebonden aan tijd (kala), ruimte (desa) en causaliteit (nimitta), dit in tegenstelling tot de goden. Atman had zich ondertussen ontwikkeld tot de diepste zelf. Waar deze ontwikkeling al eerder was begonnen, werd in de Upanishads de conclusie getrokken dat beiden een waren. Elke persoon heeft wel een eigen vorm, maar heeft dezelfde essentie. De echte overkoepelende werkelijkheid is Brahman die zich in personen als Atman manifesteert. Dit overkoepelende komt ook naar voren in de Maha Upanishad. Onder meer wordt hierin verkondigt Vasudhaiva Kutumbakam, de wereld is één familie:

Alleen kleingeestigen zeggen 'de ene is een familielid, de andere vreemdeling'
Voor hen die grootmoedig leven, is de hele wereld een familie Maha Upanishad, VI-71-72

Bij wat er na de dood gebeurt spelen samsara, karma en moksa een belangrijke rol. Samsara is daarbij de eeuwigdurende cyclus van dood en wedergeboorte. Aangezien er sprake is van zielsverhuizing bij de wedergeboorte, is men afhankelijk van karma – hoe men zich gedragen heeft in het eerdere leven. Het loont dus om een goed leven te leiden, want dan wordt men als goede opnieuw geboren. Dit betekende echter niet dat men hiermee echt geholpen was, aangezien de Upanishads het leven vooral als lijdensweg zien. De moksa of verlossing uit de eeuwigdurende cyclus geldt daarom als belangrijkste doel van goed leven. Daarbij verdwijnt de individuele ziel in de universele ziel zoals een rivier verdwijnt als deze in zee uitmondt.

Vergelijking wereldbeelden[3][4]
Vroege Veda's Upanishads
Teksten Veda's met Brahmana's en Aranyaka's Upanishads
Geloof Vele goden Brahman
Focus Deze wereld Spirituele wereld
Primaire waarden Deugd, succes en plezier Verlossing (moksa)
Nadruk op Gemeenschap Individuele zoekende
Belangrijk Rituelen Kennis
Gebed Meditatie (yoga)
Samsara Niet genoemd Fundamenteel probleem
Karma Niet belangrijk Essentieel
Bestaan Nadruk op pluralisme Nadruk op non-dualisme
Leven is een strijd Geweldloosheid (ahimsa)
Zelf Dit lichaam en deze geest De Atman die Brahman is
Goddelijkheid Delen in goddelijkheid Goddelijk zijn
Universele orde Rtam Dharma en karma
Astika-school Mimamsa Vedanta

Klassieke periode[bewerken]

Er was eerder kritiek geweest gedurende de Vedische periode, waarbij onder meer de Upanishads tot stand kwamen. Uiteindelijk werden de Upanishads echter onderdeel van de Veda's en werden zelfs voor een groot deel van de Hindoes het belangrijkste deel daarvan. Gedurende de klassieke periode groeide de kritiek tegen de geheime rituelen en werden de Veda's verworpen door skeptische bewegingen, maar vooral materialistische bewegingen. Dit werden de nee-zeggers, of nastika's, waarbij voor het eerst duidelijk historische filosofen naar voren komen, veelal kshattriya's in plaats van brahmanen.

Dit alles had een brahmanistische tegenreactie tot gevolg waarbij de kritiek van de nastika's gepareerd werd door de astika's. Ook onderling was er de nodige kritiek en daarmee was dit een rijke filosofische periode waarin de negen belangrijkste darsana's gevormd werden.

Niet-orthodoxe scholen[bewerken]

Charvaka[bewerken]

Van de materialistische bewegingen was Charvaka de belangrijkste. Hierin werden de Veda's, de bijbehorende rituelen en het bovennatuurlijke verworpen, alsook de ziel. Alles kwam voort uit de vier materiële elementen, ook de geestelijke processen. Het had dan ook geen zin om afstand te doen van de aardse genoegens. In plaats van geheime rituelen die uitgevoerd werden door een kleine elite, werden grootschalige debatten gehouden voor de groeiende aanhang. Uiteindelijk wist deze school van nee-zeggers niet overeind te blijven, maar het droeg wel bij aan een ontwikkeling van scholen waarbij niet de brahmanen de hoofdrol speelden.

Jaïnisme[bewerken]

Mahavira (599–527 v.Chr.) zou de stichter zijn geweest van het jaïnisme, dat de wereld verdeelde in levende zielen (jiva's) en levenloze materie (ajiva). De jiva kan een eeuwigdurende alwetend gelukkig bestaan leiden, maar door bepaalde handelingen van de ziel wordt deze vervuild met ajiva en vormt zo een sterfelijk lichaam. Dit komt naar voren in de zeven realiteiten of tattva's:

  • jiva, de levende ziel
  • ajiva, levenloze materie
  • asrava, instroom van goede en kwade karmische materie in de ziel
  • bandha, gebondenheid, onderlinge vermenging van de ziel en karma
  • samvara, onderbreking van de instroom van karmische materie in de ziel
  • nirjara, geleidelijke afscheiding van een deel van karmische materie van de ziel
  • moksa, verlossing door volledige vernietiging van alle met een bepaalde ziel gebonden karmische materie

Om deze verlossing te bereiken, is strenge ascese nodig, waarbij geweldloosheid (ahimsa), niet liegen (satya), niet stelen (asteya), kuisheid (brahmacharya) en afzien van begeerte (aparigraha) noodzakelijk zijn. Deze strenge regels hebben een grote verspreiding in de weg gestaan, maar desondanks wist deze school zich te handhaven, al dan niet in minder strenge vorm. De belangrijkste sektes zijn de Shvetambara's, de witgekleden, en de Digambara's, de in lucht gekleden.

Ter verdediging van hun leer, ontwikkelden de jaïna's de doctrine van syadvada, waarbij een uitspraak slechts geldig is in bepaalde omstandigheden. Volgens deze relativistische doctrine zijn er oneindig veel naya's, manieren om iets te bekijken. Dit komt onder meer naar voren in het verhaal De blinde mannen en de olifant.

Boeddhisme[bewerken]
1rightarrow blue.svg Zie Boeddhistische filosofie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Gautama Boeddha (ca. 563/480–ca. 483/400 v.Chr.) was de stichter van het boeddhisme dat de vier edele waarheden als fundament heeft:

  • het bestaan van lijden en ontevredenheid (dukkha)
  • verlangens als de oorzaak van het lijden (samudaya)
  • de opheffing van het lijden door deze verlangens op te geven (nirodha)
  • het edele achtvoudige pad tot opheffing van het lijden (magga)

Volgens Boeddha was de wereld opgebouwd uit een oneindig basiselementen, de levenloze dharma's. Deze dharma's ontstaan en vergaan continu en daarmee ook alle voorwerpen, dieren en ook mensen. Daarmee verandert ook de 'ik' continu en is er geen sprake van een 'zelf' of atman, maar van een niet-zelf of anatman. Er kan ook niet gesproken worden over verleden-heden-toekomst, er is sprake van een opeenvolging van hedens. Er is echter wel een verband tussen deze dharma's, het afhankelijk ontstaan (pratitya-samutpada) – een vorm van causaliteit. Voor de mens komt dit terug in het levensrad met zijn twaalf nidana's – oorzaken of schakels – dat de samsara of de cyclus van dood en wedergeboorte uitbeeldt:

  1. avidya, onwetenheid
  2. samskara, wil tot leven
  3. vijnana, bewustzijn
  4. nama-rupa, naam en vorm
  5. sadayatana, de zes zintuigen (het verstand wordt als innerlijk zintuig gezien)
  6. sparsa, aanraking
  7. vedana, waarneming
  8. trsna, begeerte
  9. upadana, hechting
  10. bhava, wording
  11. jati, geboorte
  12. jaramarana, ouderdom en dood

1 en 2 zijn overgebleven uit het vorige leven en zijn de oorzaak dat de cyclus zich doorzet en daarmee van het lijden. Het huidige leven speelt zich af van 3 tot en met 9, waarna de cyclus zich met 11 en 12 herhaalt in volgende levens.

Ondanks zijn afwijzing van de Veda's en atman is de wedergeboorte ook voor Boeddha dus een gegeven en dat geldt ook voor de wens tot verlossing van de samsara en de dukkha. Deze uitdoving of nirwana kan gezien worden als het doel van het boeddhisme, zoals moksa dat is in het hindoeïsme en kan bereikt worden door het volgen van het edele achtvoudige pad. Het hiervoor vereiste gedrag is terug te vinden in de boeddhistische ethische code of levensregels zoals pancasilani.

Waar Boeddha stelde dat verlossing in zichzelf moet worden gevonden, werd hij in later tijden zelf als god vereerd, vooral in de stroming mahayana (groot voertuig) dat het karakter van een Kerk kreeg. In theravada – ook wel denigrerend hinayana (klein voertuig) genoemd – is dit niet het geval.

Logica[bewerken]

Een belangrijke ontwikkeling was die van de boeddhistische logica. Zo worden daarin vier alternatieven onderscheiden (catuskoti), waarbij de laatste twee zijn afgeleid uit de eerste twee:

  1. A
  2. niet-A
  3. zowel A als niet-A
  4. noch A noch niet-A

Nagarjuna (ca. 150–ca. 250), de belangrijkste boeddhistische denker na Boeddha zelf, paste dit toe op het leven:

  1. zijn
  2. niet-zijn
  3. zowel zijn als niet-zijn
  4. noch zijn noch niet-zijn

Hieruit leidt Nagarjuna af dat dit slechts op kan gaan in combinatie met afhankelijk ontstaan als er sprake is van een niet-zelf voor alle fenomenen, sunyata of leegheid. Door de vier alternatieven ook te ontkennen, kwam Nagarjuna tot de achtvoudige ontkenning. Deze leer dat niets in afzondering van zichzelf bestaat zonder zijn oorzaken en omstandigheden, werd bekend als madhyama-pratipad of middenweg.

Nagarjuna ontwikkelde daarbij de leer van de tweevoudige waarheid, waarbij twee waarheden (satya) worden onderscheiden, een wereldse (samvrti) en een ultieme (paramartha). De eerste is nodig voor het alledaagse leven waarbij het praktische karakter het dagelijks leven mogelijk maakt. Daarbij kan aan fenomenen een invulling gegeven worden die zij volgens de ultieme waarheid niet hebben.

Hoofdsystemen[bewerken]

Waar Fjodor Sjtsjerbatskoj (1866–1942) een chronologische onderverdeling voor het boeddhistische denken maakte, stelde Takakusu Junjiro (1866–1945) een onderverdeling voor op basis van de alternatieven van 'zijn' en 'niet-zijn' van de catuskoti, hoewel dit niet de volgorde was hoe het denken zich historisch ontwikkelde.

Boeddhistische filosofie[5]
Realisme Nihilisme Idealisme Negativisme (Nihilisme)
Stroming Hinayanistisch Hinayanistisch Semi-mahayanistisch Mahayanistisch
School Sarvastivada
Alles bestaat
Satyasiddhi
De waarheid kan bereikt worden met tegengestelde ontkenning
Vijnaptimatra
Alleen ideevorming bestaat
Madhyamika
De waarheid kan bereikt worden met een synthetische ontkenning
Begrippen Pudgula - sunyata
Ontkenning individualiteit (pudgala)
Sarva - dharma - sunyata
Ontkenning van realiteit van alles, zowel individualiteit (pudgala) als materie als geest (dharma)
Bahya - artha - sunyata
Ontkenning van realiteit van alle externe zaken
Sarva - dharma - sunyata
Ontkenning van realiteit van alles, zowel materie als geest als hechting van alle levende wezens
Ens (zijn) Non-ens (niet-zijn) Zowel zijn als niet-zijn Noch zijn noch niet-zijn
Vasubandhu (ca. 420–ca. 500) Harivarman (ca. 250–ca. 350) Vasubandhu (ca. 420–ca. 500) Nagarjuna (ca. 150–ca. 250)

De eerste school beschouwt de werkelijke wereld als bestaand, als realistisch. De tweede school ontkent dit juist, vandaar dat Takakusu hier over nihilisme spreekt. Volgens de derde school van de ondertussen door zijn broer Asanga bekeerde Vasubandhu bestaan er alleen ideeën, vandaar idealisme. Nagarjuna was eerder al verder gegaan dan de tweede school met zijn sunyata en ontkende zowel het zijn als het niet-zijn. Takakusu heeft het hier ook over negativisme.

Zen[bewerken]

Naast deze logische systemen is er in het boeddhisme ook een belangrijke plaats voor meditatie. Dit komt sterk naar voren bij zen waarbij de overlevering zonder woorden plaatsvindt, maar via de ervaring.

Met voor leken relatief beperkte verplichtingen en een inclusief karakter, waardoor het samen met andere religies aangehangen kon worden, werd het boeddhisme de meest succesvolle missionaire religie tot deze rol rond 1000 door de islam over werd genomen. Belangrijk bij de verspreiding was ook het monasticisme waarbij monniken bij elkaar leefden in kloosters. In India zelf verdween het boeddhisme echter grotendeels gedurende de middeleeuwen.

Orthodoxe scholen[bewerken]

De opkomst van de niet-orthodoxe scholen dwong het brahmanisme tot vernieuwing. Argumentatie werd daarmee van groot belang, en zo ook taal. Rond deze tijd werkte Panini dan ook aan zijn Ashtadhyayi over Sanskriet grammatica. De ontwikkeling is te volgen in de Upanishads, commentaren op soetra's, het enorme werk Mahabharata en de Manusmriti, de wetten van Manu. Zo ontstonden de zes belangrijkste scholen, vaak in drie paren genoemd:

Van deze scholen hebben samkhya, yoga en vedanta de grootste invloed gehad.

Nyaya[bewerken]

Aksapada Gautama zette in de Nyaya Sutras het eerste systeem van logica op met een bijbehorende terminologie. Deze methodologie werd overgenomen door alle andere Indische scholen, ook de niet-orthodoxe.

Vaisheshika[bewerken]

Volgens Kanadu in de Vaisheshika Sutra was de wereld opgebouwd uit paramanu, vergelijkbaar met atomen. Uitgaande van deze theorie werd een beeld geschetst van de natuurlijke wereld en de metafysica, het begrip waarvan uiteindelijk moksa mogelijk moest maken, het streven van elk Indisch systeem. In toenemende mate werd daarbij gebruik gemaakt van de nyaya-logica, zodat beide scholen elkaar steeds meer gingen beïnvloeden.

Samkhya[bewerken]

De samkhya-school van Kapila heeft een dualistisch karakter en onderscheidt het stoffelijke actieve prakrti en het geestelijke passieve purusa. Daarmee staat het tegeover het monisme van de Upanishads en de vedanta-school. Waar bij de laatste twee de werkelijkheid een illusie is, de maya, werd deze bij samkhya werkelijkheid, de prakrti. Atman werd purusa en gold niet meer als overkoepelend zelf, maar als een verzameling individuen. Daarmee verdween ook de noodzaak tot een godsbegrip.

In de prakrti werken drie krachten of guna's, de lichte goede sattva, de passievolle dynamische noch goede noch slechte rajas en de negatieve apathische tamas. De prakrti omvat niet alleen de stoffelijke wereld, maar ook het denken, voelen en handelen, wat in het Westen meestal tot het geestelijke domein wordt gerekend. Het geheel wordt onderverdeeld in 25 tattva's, waaronder de prakrti, het intellect (buddhi), het ik-bewustzijn (ahamkara), de zintuiglijke vermogens, de rede (vac), de zintuigen en de vijf elementen (mahabhuta) en daar tegenover de purusa.

De drie guna's zijn daarbij verantwoordelijk voor de dynamiek van de cyclus van ontstaan en ondergang. Daarbij is de eenheid van prakrti en purusa slechts een schijnbare eenheid, zoals een kleurloos kristal rood kleurt als er een rode bloem achter gehouden wordt. De weg naar moksa ligt in het inzicht dat de purusa geen deel uitmaakt van de wereld met zijn lijden en dat de prakrti zonder het bewustzijn van de purusa geen lijden voelt.

Yoga[bewerken]

Yoga met de Yogasoetra's van Patanjali als standaardwerk, heeft sterke metafysische overeenkomsten met samkhya, maar heeft verder vooral een praktische inslag. Afwijkend van samkhya kent yoga wel een persoonlijke god, die evenwel geen scheppende god is, aangezien de schepping verklaard wordt door de wisselwerking tussen purusa en prakrti.

De praktische benadering moet leiden tot moksa en dit vergt een combinatie van onthoudingen (yama's), voorschriften (niyama's), meditatie (dhyana) en andere oefeningen, de acht geledingen (ashtanga) van raja-yoga. Hoewel het doel de moksa is, kan het als bijverschijnsel bovennatuurlijke krachten (siddhi) bevorderen.

Mimamsa[bewerken]

De mimamsa-school stond voor een terugkeer naar de vroege Veda's en beschouwden onder meer de Upanishads als ondergeschikt aan de Samhita's en vooral de Brahmana's. Het hechtte daarbij grote waarde aan de daarbij behorende rituelen waarmee de aard van dharma, de morele plichten, onderzocht moet worden. Daartoe kunnen alle pramana's gebruikt worden.

Vedanta[bewerken]

Waar mimamsa terugkeerde naar de vroege Veda's, gaat vedanta terug naar de Upanishads, wat ook de naam verklaard, die staat voor 'het einde van de Veda's '. Naast de Upanishads gelden de Brahmasoetra's en de Bhagavad Gita – samen de Prasthanatrayi genoemd, de drie bronnen – als de grondslag van vedanta.

Binnen vedanta zijn weer verschillende stromingen, waaronder advaita. De belangrijkste filosoof van deze stroming is Shankara. A-dvaita (niet-tweeheid) wijst daarbij op non-dualisme, het een-zijn van Brahman en Atman. Shankara stelde daarbij de kentheoretische vraag in hoeverre deze werkelijkheid te kennen is. De Indiase kentheorie, de pramana, geeft daarbij zes mogelijkheden. Volgens Shankara kan Brahman niet door waarneming (pratyaksa) of gevolgtrekking (anumana) doorgrond worden, al lijkt dat wel zo door de maya, de uiterlijke schijn. Die pramana's zijn slechts nuttig voor empirische kennis. Ware kennis (vidya) kan echter wel bereikt worden door de openbaring van de Veda's en dan vooral de Upanishads.

De Upanishads en vooral de oudere Veda's verkondigen echter niet slechts monistische standpunten, maar ook pluralistische. Zo worden er wezens beschreven die verschillen van Brahman. Om dit conflict op te lossen, maakte Shankara gebruik van een tweevoudige waarheid vergelijkbaar met die van de boeddhistische Nagarjuna. Bij Shankara zijn dit paramartha, de absolute waarheid, en vyavahara, de praktische waarheid. Daarnaast is er nog pratibhasika, de schijnbare waarheid.

De praktische uitvoering van vedanta is jnana-yoga met zijn viervoudige praktijken:

  • viveka, het onderscheid tussen het eeuwige en het tijdelijke
  • vairagya, bevrijding van alle passie
  • shad-sampat, de zes deugden:
    • sama, gemoedsrust
    • dama, zelfbeheersing
    • uparati, afzien van zinsgenot
    • titiksa, verdraagzaamheid
    • sraddha, geloof
    • samadhana, concentratie
  • mumukshutva, intens verlangen naar moksa
Kentheorie
Pramana Nyaya Vaisheshika Samkhya Yoga Mimamsa Vedanta Charvaka Boeddhisme Jaïnisme
Waarneming
Pratyaksa
X X X X X X X X X
Gevolgtrekking
Anumana
X X X X X X X X
Vergelijking en analogie
Upamana
X X X
Afleiding uit omstandigheden
Arthapatti
X X
Afwezigheid van waarneming/
negatief bewijs
Anupalabdhi
X X
Getuigenis van expert
Sabda
X X X X X X

Na-klassieke periode[bewerken]

Met het verdwijnen van het boeddhisme uit India, verdween ook een belangrijke stimulans voor de verdere ontwikkeling van de brahmaanse filosofie. Hoewel de ontwikkeling daarna niet stilstond, trad er wel verstarring op, wat gepaard ging met een dogmatischer opstelling en een verharding van het kastenstelsel.

Invloed in het Westen[bewerken]

De Indische filosofie verspreidde zich al vroeg door Azië, maar was tot de achttiende eeuw nauwelijks bekend in het Westen. De toenemende Britse aanwezigheid in India bracht daar verandering in. Warren Hastings stimuleerde de vertaling van de Bhagavad Gita door Charles Wilkins die verscheen in 1785. De Upanishads werden in 1796 vertaald door Anquetil-Duperron uit het Perzisch. Hoewel deze vertaling de nodige fouten bevatte, stelde Arthur Schopenhauer:

Het is de meest lonende en meest verheffende lectuur die ter wereld mogelijk is. Deze is de troost van mijn leven geweest en zal ook die van mijn sterven zijn.

Gedurende de negentiende eeuw ontwikkelde zich zo in het Westen de indologie, waarbij Schlegel, Müller en Deussen waren daarbij belangrijke namen.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Doniger, W. (1981): The Rig Veda. An Anthology, 108 Hymns Translated from the Sanskrit, Penguin Books
  • Koller, J.M. (2016): The Indian Way. An Introduction to the Philosophies and Religions of India, Routledge
  • Laumakis, S.J. (2008): An Introduction to Buddhist Philosophy, Cambridge University Press
  • Störig, H.J. (2000): Geschiedenis van de filosofie, Spectrum
  • Takakusu, J., ed. Chan, W.T.; Moors, C. (1947): The Essentials of Buddhist Philosophy, University of Hawaii

Noten[bewerken]

  1. Störig, H.J. (2000), p. 31
  2. There was neither non-existence nor existence then; there was neither the realm of space nor the sky which is beyond. What stirred? Where? In whose protection? Was there water, bottomlessly deep?
    There was neither death nor immortality then. There was no distinguishing sign of night nor of day. That one breathed, windless, by its own impulse. Other than that there was nothing beyond.
    Rig-Veda 10.129.1-2 in Doniger (1981)
  3. Koller (2016), p. 58
  4. Laumakis (2008), p. 29
  5. Takakusu (1947), p. 4