Geschiedenis van Zuid-Azië

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De geschiedenis van Zuid-Azië (een werelddeel dat tegenwoordig de staten India, Pakistan, Bangladesh, Nepal, Sri Lanka, Bhutan en de Maldiven beslaat) reikt terug tot het 3e millennium v.Chr. Het gebied zag de geboorte van een aantal grote religies waaronder het hindoeïsme, boeddhisme en het sikhisme. Al voor het begin van onze jaartelling dreven de Indiërs handel met andere delen van de wereld, tot in China aan toe. De Indiërs hebben onder andere invloed gehad in het begin van het Khmer-rijk, Java en ook in Funan en Champa. Ook in hedendaags Thailand zijn er verscheidene pre-Tai koninkrijken zoals Haripunchai, Dvaravati en Lopburi die door de Indiërs beïnvloed zijn.

Inleiding[bewerken]

Geografie en klimaat[bewerken]

Reliëfkaart van Zuid-Azië.
Klimaten van Zuid-Azië.
De moesson arriveert van het zuidoosten eind mei naar het noordwesten halverwege juni. Vanaf september trekt de moesson zich weer terug uit het noordwesten. Rond het einde van het jaar is de moesson ook in het zuiden verdwenen.
1rightarrow blue.svg Zie Geografie van India en Klimaat in India voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.

Het Indisch subcontinent bestaat uit een eigen tektonische plaat, de Indische plaat. Deze botst in het noorden tegen de Euraziatische plaat, daarmee de Himalaya vormend. In het noordwesten grenst het subcontinent aan het Hoogland van Iran met de Hindoekoesj en in het noordoosten aan Myanmar met het Arakangebergte. In het zuidwesten wordt het begrensd door de Arabische Zee en in het zuidoosten door de Golf van Bengalen, beide deel uitmakend van de Indische Oceaan. Hierbij is de noordwestelijke kant de meest toegankelijke en dit is dan ook de gebruikelijke route geweest voor migraties en veroveringen uit Zuidwest-Azië. Met de ontwikkeling van de scheepvaart werd de Indische Oceaan van een grens een middel tot uitwisseling met het Nabije Oosten en Oost-Afrika, de moessonuitwisseling. Ook Zuidoost-Azië kwam zo binnen bereik.

Het Himalayagebergte is het brongebied van vele rivieren, waaronder de Indus en de Ganges. Tezamen vormen deze een enorme vruchtbare laagvlakte, de Indus-Gangesvlakte. Deze vlakte wordt ten oosten van de Indus begrensd door de Tharwoestijn en ten zuiden door het Hoogland van Dekan. Het bergachtige karakter van het zuiden dat veel meer verschillende landschappen kent dan het noorden, maakte dat het politieke landschap hier ook lange tijd versplinterd was. De eerste rijken vormden zich dan ook in de laagvlaktes. Menselijk ingrijpen is al beschreven in de Satapatha-Brahmana tijdens wat de overgang van een semi-nomadische krijgerssamenleving naar een agrarische samenleving moet zijn geweest door middel van brandlandbouw.[1]

Door de grootte van het subcontinent zijn er verschillende soorten klimaten:

  • een woestijnklimaat in het westen en noordwesten. In het pleistoceen heerste hier een heel ander klimaat en was er altijd oppervlaktewater, afgezien van een periode tussen 25.000 en 13.000 BP. Ook halverwege het holoceen tussen 6000 en 4000 BP was er een toename van regenval, gepaard gaand met een toegenomen bevolking
  • een steppeklimaat in het westen en noordwesten, en in delen van het zuiden
  • een gematigd chinaklimaat in de berggebieden in het noorden en noordoosten
  • een hooggebergteklimaat in de hoogste delen van de Himalaya
  • een warm chinaklimaat of gematigd savanneklimaat in de vlaktes in het noorden en noordoosten. Aan het einde van het pleistoceen was het hier veel koeler en droger
  • een tropisch savanneklimaat in grote delen van het zuiden en in het oosten
  • een tropisch moessonklimaat aan de westkust in het zuiden, op de Laccadiven en op de Andamanen en Nicobaren

Veel gebieden hebben echter ook sterk verschillende plaatselijke klimaten.

Het klimaat wordt naast de geografie sterk bepaald door de moesson. Dit is een periodieke wind die in de zomer de noordoostelijke passaat verdringt en ongeveer 180º van richting verandert naar zuidwestelijk. Doordat de Himalaya het subcontinent afsluit van koude lucht uit het noorden en door de grote landmassa is dit het meest uitgesproken moessonsysteem op aarde. Vanaf april vormt zich hier een thermisch lagedrukgebied. Dit is de heetste tijd van het jaar. De moesson zet zich vanaf eind mei vrij plotseling in en brengt daarbij een andere luchtmassa die de nodige verkoeling brengt. Tussen juni en september gaat de moesson gepaard met moessondepressies die hevige regenval met zich meebrengen. Vanaf september trekt de moesson zich weer terug, beginnend in het noordwesten. Rond het einde van het jaar is de moesson ook in het zuiden verdwenen.

Geschriften[bewerken]

Naast archeologische vondsten zijn oude geschriften van groot belang om een beeld te verkrijgen van de geschiedenis. Het oudste overgeleverde is het Harappaschrift dat echter nog niet ontcijferd is. Dit werd tussen circa 3500 en 1900 v.Chr. gebruikt. Het oudste ontcijferde is het Brahmischrift waarvan het oudst overgeleverde werk van rond de vierde eeuw v.Chr. is.

Deze geschriften zijn echter veelal niet geschreven om een historisch overzicht te geven, zodat het niet eenvoudig is om te bepalen in hoeverre teksten bruikbaar zijn. Daarnaast is datering van teksten moeizaam, ook omdat er een orale traditie bestond, zelfs nadat het schrift al lange tijd geïntroduceerd was. Veel oude teksten zijn gevormd gedurende eeuwen met vele onbekende auteurs die regelmatig conflicterende inzichten toevoegden.

De orale traditie werd in stand gehouden omdat de Veda's, de eerste en belangrijkste teksten, niet voor iedereen toegankelijk waren en daarom pas na lange tijd op schrift werden gesteld. Die traditie had tot gevolg dat bij vedische scholen (charana's) die hun aanhang verloren ook hun recensies (shakha's) verloren ging. Dit gold ook toen teksten op schrift werden gesteld, aangezien nog lang gebruik werd gemaakt van palmbladmanuscripten die vergankelijk van aard waren en afhankelijk waren van kopiisten.

Naast de verschillende schriftvormen, zijn er vele verschillende talen die gaandeweg evolueerden. De Veda's zijn overgeleverd in het vedisch Sanskriet. Dit ontwikkelde zich tot het klassieke Sanskriet van Panini en Patanjali en werd daarmee voor dagelijks gebruik een dode taal, maar als literaire en heilige taal de lingua franca van Zuid-, Zuidoost- en delen van Centraal-Azië. Veel van de hindoegeschriften zijn in dit Sanskriet geschreven.
Als levende taal ontwikkelde het Sanskriet zich tot vele Middel-Indo-Arische talen. Van deze prakrits is Vararuchi de vroegst bekende grammaticus. Belangrijke prakrits waren Maharashtri, Shauraseni en Magadhi. Een vroege vorm van de laatste, het Ardhamagadhi, werd in veel jaïnische geschriften gebruikt. Een verwante prakrit was Pali dat gebruikt is in veel boeddhistische geschriften. Uit deze prakrits ontwikkelden zich tot Apabhramsa en uiteindelijk moderne Indo-Arische talen als Hindi, Punjabi, Marathi, Bengaals, Assamees, Gujarati, Sindhi, Odia, Nepalees en Kasjmiri.
Een andere taalfamilie zijn de Dravidische talen waarbij Tamil de heilige taal was met de Tolkappiyam als vroegste beschrijving van de grammatica. Ook in de tamilgeschriften is een ontwikkeling te zien van de vroege Sangam-literatuur tot het moderne Tamil. Andere talen uit deze familie zijn onder andere Malayalam, Telugu, Kannada en Tulu. Deze worden vooral in het zuiden gesproken, afgezien van Brahui, Gondi en Malto.
De derde taalfamilie op het subcontinent is die van de Austroaziatische talen, met onder meer Santali, Khasi en Mundari.
De Tibeto-Birmaanse talen zijn onder meer Manipuri, Bodo, Garo en Lushai.
Op de Andamanen wordt Andamanees gesproken.

Silappatikaram Tirukkural Sangam-literatuur Jaïna-canon Tipitaka Smriti Dharmasoetra Purana Ramayana Mahabharata Vedanga Veda's

Historiografie[bewerken]

De historiografie van Zuid-Azië kent verschillende benaderingen die deels na elkaar komen en deels gelijktijdig voor kwamen en komen. Een vroege vorm was de koloniale tijdens de Britse heerschappij. Dit oriëntalisme of indologie werd aanvankelijk vooral uitgevoerd door werknemers van de Britse Oost-Indische Compagnie en later Brits-Indië. In 1784 werd The Asiatic Society opgericht, wat een stimulans betekende voor tekststudie, epigrafie, numismatiek en geschiedenis. Ook in andere Europese landen werd indologie een onderzoeksveld, terwijl veel tekststudie afhankelijk was van Indiërs, die daarvoor zelden de eer kregen. De studie van de prehistorie begon nadat de in 1851 opgerichte Geological Survey of India stenen werktuigen vond. In 1861 werd hiervoor de Archaeological Survey of India opgericht.

In deze tijd ontstond de periodisering van de Indische geschiedenis in een hindoe-, moslim- en Britse (christelijke) periode. Veel van de overgeleverde teksten betrof brahmaanse literatuur die veelal letterlijk werd geïnterpreteerd, veelal vanuit een westers perspectief of mentalité. Dit resulteerde in een statisch beeld waarbij nuances van klasse en varna, religie en etniciteit verloren gingen en opeenvolgende staten als despotisch werden afgeschilderd. India werd afgeschilderd als een andere wereld, spiritueel en voor het Westen ondoorgrondelijk.

Een groeiende nationale beweging in India ging gepaard met een opkomende nationale geschiedschrijving met Majumdar als belangrijkste historicus. Deze nationale school had ook aandacht voor Zuid-India en regionale staatjes. Hieruit groeide een nationalistische geschiedschrijving waarbij de vedische tijd opgehemeld werd als hindoetijdperk en de moslimperiode daarna als tegenslag. De nationalisten volgden hierin de oriëntalisten, omdat beide scholen de Britse kolonisatie als een bevrijding van de islamitische heerschappij zagen. Veel nationalistische onderzoekers dateerden vedische teksten aanmerkelijk vroeger dan andere historici.

Naast de historiografische benadering en de archeologie, was het werk van De Terra en Paterson belangrijk voor het onderzoek naar de paleoklimatologie en de paleomilieu's, al worden hun conclusies niet meer onderschreven.

Na de onafhankelijkheid groeide de marxistische historiografie waarbij Kosambi een belangrijke rol speelde. Hierin lag de nadruk niet op evenementiële geschiedenis, maar op sociale en economische patronen en processen. Ook kwam hierin aandacht voor andere groepen dan alleen elites als de brahmana's. Het deelde echter de visie van een unilineaire evolutie die de andere scholen kenmerkte en door de nadruk op klasse ging ook hier veel nuance verloren.

Hoewel deze benaderingen nog steeds hun invloed hebben, is zoals ook elders de Indische historiografie verder ontwikkeld. In toenemende mate wordt gebruik gemaakt van archeologische en ecologische inzichten waarbij het relatief statische beeld vervangen wordt door een veel dynamischer culturele evolutie. Ook hier heeft gendergeschiedenis nieuwe inzichten opgeleverd, terwijl er ook steeds meer aandacht is voor de vele regionale verschillen. De oude periodisering werd veelal niet meer adequaat bevonden. Allereerst beperkt deze zich voor de eerste twee periodes tot slechts de religie van de heersende elite. Daarbij wordt de derde periode niet als christelijk benoemd, terwijl boeddhistische en jaïnische heerser worden genegeerd. Ook wordt er een te grote verandering gesuggereerd, terwijl hier veel minder sprake van was dan gedacht en zich ook niet over het gehele subcontinent uitstrekte. Tegenwoordig wordt dan ook veelal een onderverdeling gemaakt in prehistorie, oudheid, vroege middeleeuwen, middeleeuwen en moderne tijd. Een deel van de oudheid wordt ook wel als protohistorie beschouwd, aangezien het Harappaschrift nog niet ontcijferd is en er naast het schrift lange tijd een orale traditie bleef bestaan.

Prehistorie[bewerken]

De steentijd in India is in te delen in paleolithicum, mesolithicum en neolithicum. Onderstaande tabel geeft hiervan een sterk versimpelde weergave. In werkelijkheid overlappen fases elkaar en zijn er sterke regionale verschillen.

Stenen tijdperk[2]
Prehistorische periode Geologische tijdvak Tijd Typische Indische stenen werktuigen Voornaamste bestaansbasis
Oudpaleolithicum Oudpleistoceen 2 Ma – 100.000 BP Kerntechnieken zoals choppers, chopping tools, splijters en vuistbijlen Jagen en verzamelen
Middenpaleolithicum Middenpleistoceen 100.000 – 40.000 BP Kerntechnieken zoals levalloistechniek
Jongpaleolithicum Jongpleistoceen 40.000 – 10.000 BP Afslagtechnieken zoals bladvormige klingen en burijnen
Mesolithicum Holoceen 10.000 – 8000 BP Afslagtechnieken zoals microlieten Jagen, verzamelen, vissen, enkele vormen van domesticatie van dieren
Neolithicum 9000 – 5000 BP Geslepen stenen werktuigen zoals schoenleestbijlen Voedselproductie op basis van domesticatie van dieren en planten

Paleolithicum[bewerken]

Prehistorisch onderzoek begon onder Britse heerschappij, waarbij Le Mesurier al in 1856 een hoornstenen pijlpunt ontdekte. Hierop volgde een reeks van ontdekkingen, onder meer in het oostelijke Vindhyagebergte, het Jabalpurgebied, Sindh, de Andamanen en de Bengalen. In 1863 deed Foote de eerste paleolithische vondst bij Pallavaram waar hij een vuistbijl van kwartsiet ontdekte. Foote zou daarna een belangrijke rol spelen bij de ontwikkeling van de Indische prehistorie.

De vroegste aanwijzingen van menselijk leven in India zijn de vondsten van stenen werktuigen. Bij de rivier Soan zijn werktuigen gevonden varierend van Mode 1 tot Mode 3 Levallois.[3] Vondsten vergelijkbaar met de Soan-cultuur zijn ook verder naar het oosten gedaan, tot aan de Siwaliks.

Het aantal vondsten van vroege Hominini in Zuid-Azië is zeer beperkt. Vondsten bij Hathnora in de Narmadavallei in Centraal-India door Soniaka leken volgens hem afkomstig van Homo erectus van 600.000 tot 700.000 jaar oud, maar andere wetenschappers zoals Sankhyan vermoeden dat dit een archaïsche Homo sapiens betreft.[4][5] Hier is ook Acheuléen-gereedschap teruggevonden. In Odai bij Viluppuram is een babyschedel gevonden die gedateerd is op 166.000 BP, wat het in het Midden-Pleistoceen zou plaatsen.[6] Lang werd gedacht dat in het zuiden geen werktuigen als choppers aanwezig waren en dat er daarom geen sprake was van de Acheuléen-cultuur, maar van het Madrasien. De vondst van dit soort werktuigen, onder meer in Isampur en Attirampakkam, heeft dit inzicht doen veranderen.

Sankalia ontdekte bij Nevasa artefacten uit het middenpaleolithicum, wat soms wordt aangeduid als de Nevasa-industrie.

Rotsschildering in de rotsschuilplaatsen van Bhimbetka

Moderne mensen verschenen ongeveer 12.000 jaar geleden op het subcontinent, na het einde van de laatste ijstijd. De mesolithische periode duurde op het subcontinent van ongeveer 10.000 tot 5000 jaar geleden. Bagor is de grootste en een van de best beschreven mesolithische sites in India. Naast een mesolitische periode kent Bagor ook periodes van koper- en ijzertijd. Een aantal eerdere paleolitische sites hebben ook mesolitische periodes.

Neolithicum[bewerken]

Aardewerk uit Burzahom

Het neolithicum wordt veelal geassocieerd met landbouw, sedentarisme, aardewerk en een bestaanseconomie waarmee verreweg het merendeel van de productie voor eigen consumptie was. Dit komt echter niet geheel overeen met het beeld dat de archeologie geeft. Sedentarisme kwam ook voor in het mesolithicum op plaatsen waar voldoende voedsel uit het wild kon worden gehaald en aardewerk ontbreekt in een aantal gevallen in de vroege fase, het akeramisch neolithicum. Domesticatie moet daarnaast eeuwen hebben geduurd en landbouw zal zeker in het begin een kwetsbare vorm van levensonderhoud zijn geweest, zodat het lange tijd slechts een aanvulling zal zijn geweest op jagen en verzamelen. Ook zijn er aanwijzingen van langeafstandshandel op meerdere plaatsen.

De oudste aanwijzingen voor permanente bewoning komen uit de grotten van Bhimbetka in het tegenwoordige Madhya Pradesh en zijn zo'n 9000 jaar oud. De vroeg-neolithische Mehrgarhcultuur in Beloetsjistan is zo'n 9000 jaar oud. De overgang naar landbouw begon daar met het verbouwen van gerst en tarwe en de domesticatie van runderen, schapen en geiten. Er worden wel zeven periodes met weer subperiodes onderscheiden, waarvan Mehrgarh I en II neolithisch waren en periode I akeramisch was.

Op de noordelijke hellingen van het Vindhyagebergte is waarschijnlijk onafhankelijk de rijstteelt ontwikkeld.

In de Golf van Khambhat zijn onder water sporen van een andere neolithische cultuur gevonden. Koolstofdatering geeft een ouderdom van 7500 jaar voor deze voorwerpen.[7] Het Laat-Neolithicum viel in de Indusvallei tussen 6000 en 2000 v.Chr. en in Zuid-India tussen 2800 en 1200 v.Chr.

De overgang naar landbouw zal ook zijn effect hebben gehad op de geloofssystemen. In neolithische nederzettingen zijn de nodige terracotta figurines gevonden die mogelijk vruchtbaarheidssymbolen waren en mogelijk zelfs godinnen. Deze zijn dan ook wel in verband gebracht met een zogenaamde moedergodinnencultus, maar tegenwoordig is men hier zeer terughoudend in.[8]

Het aantal begrafenissen nam toe in het neolithicum. In Mehrgarh ging dat wel gepaard met het bedekken van de lichamen met rode oker, mogelijk een vruchtbaarheidsritueel. Bij Burzahom zijn ook dieren aangetroffen in mensengraven, wat wijst op een sterke band tussen mens en dier. Ook is er voedsel aangetroffen, wat mogelijk duidt op een geloof in een hiernamaals.

Kopertijd[bewerken]

Koper komt voor op vele plaatsen in Zuid-Azië, maar vooral in Rajasthan, Gujarat en Bihar. Zo'n 5000 jaar geleden lijkt hiervan voor het eerst gebruik te zijn gemaakt zoals door de Ganeshwar-Jodhpura-cultuur in het noordoosten en de Ahar-cultuur in het zuidoosten van Rajasthan. In de Malwa-regio ontwikkelde zich de Kayatha-cultuur die gevolgd werd door de Ahar-cultuur en daarna de Malwa-cultuur.

In het westelijke Hoogland van Dekan vormde zich de Savalda-cultuur, terwijl in het zuiden de kopertijd inzette in Singanapalli en Ramapuram.

Oudheid[bewerken]

Beeld van een "priesterkoning" uit Mohenjodaro

Voor 4000 v.Chr. hadden in de bergen die het Indisch Subcontinent scheiden van Afghanistan gemeenschappen van jager-verzamelaars plaatsgemaakt voor vaste nederzettingen van landbouwers, die bestonden uit hutten van bamboe en leem.[9] De Bronstijd begon op het subcontinent rond 3000 v.Chr..

Harappabeschaving[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Indusbeschaving voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De eerste significant belangrijke beschaving in het gebied begon met het ontstaan van de Harappabeschaving, vroeger Indusbeschaving genoemd. Het bestaan van deze beschaving werd pas in het begin van de 20e eeuw door archeologen ontdekt.

Chronologie van Harappa
Possehl[10] Kenoyer[11]
Stadium 1, vroege landbouwnederzettingen en pastorale kampen Sites Vroege periode van voedselproductie
Kili Ghul Mohammad 7000 - 5000 v.Chr. 20 Neolithicum/ Chalcolithicum 6500 - 5000 v.Chr.
Burj Basket-marked 5000 - 4300 v.Chr. 33 Regionaliseringsperiode
Stadium 2, ontwikkelde landbouwdorpen en pastorale samenlevingen Vroeg-Harappa 5000 - 2600 v.Chr.
Togau 4300 - 3800 v.Chr. 84
Kechi Beg/ Hakra 3800 - 3200 v.Chr. 153/ 126
Stadium 3, vroeg-Harappa
Amri-Nal 3200 - 2600 v.Chr. 164
Kot Diji 111
Sothi-Siswal 165
Damb Sadaat 37
Stadium 4, overgang vroeg-Harappa - hoog-Harappa Integratieperiode
Overgang vroeg-Harappa - hoog-Harappa 2600 - 2500 v.Chr. Harappa 2600 - 1900 v.Chr.
Stadium 5, hoog-Harappa
Sindhi-Harappa 2500 - 1900 v.Chr. 86
Kulli-Harappa
Sorath-Harappa 310
Punjabi-Harappa
Oostelijk Harappa
Quetta
Laat-Kot Diji
Stadium 6, post-urbaan Harappa Localiseringsperiode
Jhukar 1900 - 1700 v.Chr. 6 Laat-Harappa 1900 - 1300 v.Chr.
Vroeg-Pirak 1800 - 1000 v.Chr.
Laat-Sorath-Harappa 1900 - 1600 v.Chr. 198
Lustrous Red Ware 1600 - 1300 v.Chr.
Cemetery H 1900 - 1500 v.Chr. 41
Swatvallei periode IV 1650 - 1300 v.Chr.
Laat-Harappa in Haryana en westelijk Uttar Pradesh 1900 - 1300 v.Chr. Post-Indus
Overgang laat-Harappa - Painted Grey Ware 1300 - 1000 v.Chr. Painted Grey Ware 1200 - 800 v.Chr.
Vroeg-Gandhara 1700 - 1000 v.Chr.
Stadium 7, vroege ijzertijd
Laat-Pirak 1000 - 700 v.Chr.
Painted Grey Ware 1100 - 500 v.Chr.
Laat-Gandhara 1000 - 600 v.Chr. Northern Black Polished Ware 700 - 300 v.Chr.

Deze beschaving kende tijdens vroeg-Harappa tussen 3200 en 2600 v.Chr. een vroege fase en bereikte haar bloei tijdens hoog-Harappa tussen 2600 en 1900 v.Chr., in dezelfde tijd als het Oude Rijk in Egypte en de Vroeg-Dynastieke Periode van de Soemeriërs in Mesopotamië. Laat-Harappa tussen 1900 en 1300 v.Chr. was een periode van neergang.

Vergeleken met deze twee tijdgenoten besloeg de Harappabeschaving echter een veel groter gebied. De kern was de vallei van de rivier de Indus, maar de beschaving strekte zich uit van Gujarat en de Ganges in het oosten tot de Makran in het westen; en van de Arabische Zee tot in Centraal-Azië. Wat rest zijn ruïnes van strak geplande en goed georganiseerde steden. De belangrijkste ruïnes zijn die van Harappa en Mohenjodaro, beide in het huidige Pakistan.

Over de oorsprong van de beschaving is het nodige debat geweest. Marshall, de ontdekker van de beschaving, ging uit van een autonome culturele evolutie, terwijl anderen een diffusionistische verklaring zochten. Zo stelde Mackay dat een migratie van Soemeriërs mogelijk had bijgedragen aan het ontstaan. Wheeler dacht dat niet de migratie van mensen, maar van ideeën hier aan ten grondslag lag. Problematisch hiermee was echter dat er grote verschillen bestaan tussen de Harapabeschaving en die van het Oude Nabije Oosten. Zowel het schrift als de opzet van de nederzettingen wijkt sterk af, terwijl er in het Nabije Oosten veel meer gebruik werd gemaakt van brons. Ook ontbreekt een grootschalig kanalensysteem in de Harappabeschaving. Ghosh vond bevestiging van de ideeën van Marshall in de overeenkomsten tussen de pre-Harappacultuur van Sothi en hoog-Harappa. Hij vergeleek echter slechts de keramiek en zag daardoor aanmerkelijke verschillen over het hoofd. Mughal vergeleek daarnaast ook stenen en metalen artefacten en architectuur en vond veel overeenkomsten. Wat ontbrak in de pre-Harappacultuur waren grote steden en de ambachtsspecialisatie was van een minder hoog niveau. Gezien de vele overeenkomsten gaf Mughal de voorkeur aan de benaming vroeg-Harappa.

Wat de aanleiding is geweest gedurende de overgang vroeg-Harappa - hoog-Harappa om over te gaan tot volwaardige stedenbouw is niet goed te achterhalen uit archeologische gegevens. Niet alle nederzettingen uit het vroeg-Harappa groeiden uit tot steden in het hoog-Harappa en andersom zijn er bij onder meer Lothal, Desalpur, Chanhudaro, Mitathal, Alamgirpur en Ropar geen lagen aangetroffen uit het vroeg-Harappa, evenmin als in de actieve Indus-vlakte. Daarnaast is er bij een aantal nederzettingen een onderbreking te zien tussen de twee fases. Bij Kot Diji en Gumla zijn afzettingen gevonden die wijzen op een grote brand, terwijl bij Amri en Nausharo ook brandsporen zijn gevonden. Bij Kalibangan was mogelijk een aardbeving de oorzaak van de onderbreking.

De huizen hadden in enkele gevallen meerdere verdiepingen. Lange tijd werd gedacht dat de Harappa-steden waren uitgelegd met een volmaakt raster in noord-zuid- en oost-westrichting, maar de rasters zijn niet altijd zo recht aangelegd. Wel was de mate van stadsplanning was opmerkelijk, al is die niet overal hetzelfde. Mohendojaro, Harapa en Kalibangan hebben allen een citadel en een lagere stad, terwijl de citadel bij Lothal en Surkotada onderdeel is van de stad. Dholavira bestaat naast de citadel en de lage stad ook nog uit een middenstad.
In dorpen werd veelal gebruik gemaakt van ongebakken steen, terwijl in steden de baksteen meer werd gebruikt. In bergachtige gebieden werd uitgebreid gebruik gemaakt van natuursteen.
Kenmerkend is onder meer het gebruik van steen met een gestandaardiseerde ratio van 1:2:4. Voor huizen was dit 7 x 14 x 28 cm en voor stadsmuren 10 x 20 x 40 cm.
In veel huizen was een badruimte en een toilet en daarbij hoorde ook een rioolstelsel, gescheiden van de regenwaterafvoer.[12]

Van de beschaving zijn gebruiksvoorwerpen, gereedschappen, sieraden, artefacten, keramiek en kleine beeldjes gevonden. De bewoners waren in staat tot het bewerken van koper, brons, lood en tin. Als eersten waren ze in staat door weven uit katoen textiel te maken. De Harrapanen hadden een schrift, dat uit rond de 400 tekens bestaat maar tot op heden onontcijferd blijft. Mysterieuze "zegels" met tekeningen en opschriften zijn teruggevonden tot in Mesopotamië. De naam "Meluhha" in Soemerische inscripties wordt algemeen met de Harappabeschaving geïdentificeerd. De Soemeriërs dreven over zee handel met dit gebied en importeerden onder andere koper, goud, ivoor en katoen.

Akkerbouw was de basis van het levensonderhoud, aangevuld met veeteelt en de jacht en visserij. Hoe dit er uitzag, is onder meer afhankelijk van het klimaat. Hoe dit er toen uitzag, is onderwerp van discussie, waarbij onder meer Wheeler en Piggott uitgaan van een natter klimaat op basis van:

  • het grote aantal bakstenen moet een grote hoeveelheid brandstof hebben vereist, wat slechts mogelijk was bij dicht begroeide bossen, wat weer veel neerslag vereist
  • de vele gabarbands of dammen in Beloetsjistan suggereren zware regenval
  • afbeeldingen van tijgers, olifanten en neeushoorns op zegels suggereren bossen en graslanden die meer regenval vereisen
  • een uitgebreide waterafvoer

Deze conclusies worden echter betwist. Zo is de hoeveelheid moeilijk in te schatten en de waterafvoer was deels rioolstelsel. Singh kwam op basis van stuifmeelanalyses tot de conclusie dat er een toename was van regenval rond 3000 v.Chr. waarna deze rond 1800 v.Chr. weer afnam. Enzel et al komen echter tot een bijna tegenovergestelde conclusie, zodat dit niet eenduidig opgelost is.

De strakke planning van de steden en de uniforme maten van wegen, kanalen, gereedschap en bouwmateriaal doen een zekere mate van centraal gezag vermoeden. Ook over de wijze waarop de beschaving georganiseerd was tasten archeologen echter volledig in het duister. Er is vrijwel niets bekend over de religie. Geen enkel gebouw kon als tempel geïdentificeerd worden. Opgegraven menselijke resten laten echter zien dat de bewoners van verschillende etnische komaf waren.[13]

De Harappabeschaving lijkt geleidelijk in verval te zijn geraakt. In de centrale steden langs de Indus zijn aanwijzingen gevonden voor het afnemen van de bevolking en verdwijnen van centraal gezag rond 1900 v.Chr., mogelijk als gevolg van de grote overstromingen die het gebied in die tijd teisterden. Ook verminderde opbrengsten van het land als gevolg van overcultivatie en ontbossing kan een oorzaak geweest zijn voor de leegloop van de steden.[14] In sommige randgebieden echter, zoals Gujarat en het noordoosten van de Punjab, lijkt van een bevolkingsafname geen sprake. In die gebieden verdwijnen na 1900 v.Chr. slechts de zegels met het schrift en de typische Harappa-keramiek.

Komst van de Indo-Ariërs[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Vedische tijd voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In de loop van het 2e millennium v.Chr. arriveerde een nieuwe bevolkingsgroep in het noordwesten van het subcontinent, die een Indo-Europese taal sprak. In tegenstelling tot de Harappanen waren deze "ārya" (wat "nobel", "rein" of "puur" betekent) aanvankelijk semi-nomadische veehouders, die niets van landbouw wisten. Ze hadden echter, in tegenstelling tot de toenmalige bewoners van de Indus-Gangesvlakte, de beschikking over paarden en strijdwagens, die een militair voordeel gaven. Anders dan de Harappanen lieten ze bronnen na. Hun taal, het Sanskriet, is een Indo-Arische taal en een voorloper van de meeste talen van het subcontinent. Hoewel de Harappa- en Vedische beschavingen deels in hetzelfde gebied lagen, is niet duidelijk of en in hoeverre interactie plaats heeft gevonden. De eerste Indo-Ariërs kunnen mogelijk in de nederzettingen van de late Harappanen zijn geïntegreerd, en het is duidelijk dat ze woorden en landbouwtechnieken van de oorspronkelijke bewoners hebben overgenomen.

De Vedische beschaving kenmerkte zich door gebruik van het Sanskriet; een bevoorrechte priesterklasse die religieuze rituelen leidde (brahmanen); en een hiërarchisch ingedeelde samenleving.[15] De oudste Vedische geschriften zijn verzamelingen religieuze teksten, voornamelijk hymnes voor offerrituelen. Pas rond 500 v.Chr. werden deze teksten opgeschreven, daarvoor werden ze mond-op-mond doorverteld. De oudste Veda is de Rig Veda, die ergens tussen 1600-900 v.Chr. ontstaan moet zijn.[16] Andere, iets minder oude bronnen zijn de Upanishads, Brahmana's en Purana's, die verhalen over de goden, mystieke wijsheden en beschrijvingen van de afstammingen en daden van heersers bevatten. Daarnaast zijn er de twee grote epen van India, de Mahabharata en Ramayana. Al deze teksten hebben tegenwoordig nog steeds een belangrijke religieuze waarde voor hindoes. Helaas voor historici hadden degenen die deze werken uiteindelijk opschreven, in tegenstelling tot de Veda's, vooral propagandistische doelstellingen en is de historiciteit van de gebeurtenissen en karakters betwijfelbaar. Als bron voor de sociale en maatschappelijke omstandigheden tijdens het 1e millennium v.Chr. zijn ze echter van onschatbare waarde.

Het offerritueel (yajna) stond centraal in de Vedische religie. Bij uitzondering kwamen mensenoffers voor, maar meestal waren de belangrijke offers vee (symbool voor welvaart) of paarden (symbool voor kracht). De ashvamedha, het paardenoffer, werd door een stamleider of koning uitgevoerd en stond symbool voor de band tussen mensen en goden. De belangrijkste oorlogsgod was Indra, die met bliksemschichten gewapend was. Andere belangrijke Vedische goden waren Agni, de god van het vuur; Varuna, de god van de gerechtigheid en Surya, de zonnegod.

Schildering van Rama (17e eeuw) in Bhadrachalam (Andhra Pradesh). Rama, de hoofdpersoon van de Ramayana, had als "ideale heerser" een voorbeeldfunctie voor Indische monarchen. Hij werd later opgenomen in het hindoeïstische pantheon als incarnatie van Vishnu.

Waar de Indo-Ariërs oorspronkelijk vandaan kwamen is onbekend. Hun geschriften zelf zwijgen over een inval of land van oorsprong. Omdat Sanskriet een Indo-Europese taal is ontstond in de 19e eeuw de hypothese van een Arische invasie vanuit een gebied in Centraal-Azië, waarvandaan "Arische" volkeren zowel Europa als Zuid-Azië koloniseerden. De verhalen over veldslagen en oorlogen uit de Veda's kunnen in dat geval op de conflicten tussen de nieuwkomers en de oorspronkelijke bevolking (waaronder wellicht de Indusbeschaving) gebaseerd zijn. Zowel het idee van een gewelddadige inval als het idee van een massale volksverhuizing zijn tegenwoordig echter omstreden. Hoewel duidelijk is dat de Ariërs nieuwkomers waren,[17] is zelfs niet duidelijk of het woord "ārya" uit de Veda's wel op een etnische groep slaat. Duidelijk is dat degenen die zich "ārya" noemden neerkeken op anderen, die ze "dasa" noemden. Mogelijk was sprake van migratie in plaats van een invasie, en wisten de nieuwkomers de lokale bevolking, op wie ze neerkeken, te assimileren en te imponeren, waardoor ze als leiders aanvaard werden. De Vedische cultuur verspreidde zich in dat geval, naast door natuurlijke bevolkingsgroei, ook door assimilatie. De oorspronkelijk semi-nomadische veehoudende nieuwkomers vestigden zich steeds meer in steden en namen de landbouwmethoden van de lokale bevolking over.

Urbanisatie en staatvorming[bewerken]

Plaatsnamen in de Rig Veda verwijzen vooral naar een land van zeven rivieren, de tegenwoordige Punjab. Dit moet het gebied zijn waar de Ariërs zich het eerst vestigden. Later verspreidden ze zich oostwaarts naar het Gangesbekken. De doab tussen de Ganges en Yamuna is waar de Mahabharata zich afspeelt, die rond 800 v.Chr. moet zijn ontstaan. Dit gebied werd "arya-varta", het "thuisland" van de Ariërs, genoemd. De later ontstane Ramayana noemt echter ook gebieden verder naar het oosten en zuiden. Dit laat zien hoe de Arische beschaving zich langzaam verspreidde.

Opgravingen van ceramiek geven verdere aanwijzingen van het verspreiden van de Vedische cultuur over het noorden van het Indisch Subcontinent.[18] Daarbij was van belang dat vanaf ongeveer 1000 v.Chr. brons vervangen werd door ijzer, zodat zowel landbouwwerktuigen als wapens beter werden.[19] De Ariërs lijken langs twee corridors van het westen naar het oosten opgetrokken te zijn, daarbij de oorspronkelijke bevolking assimilerend. Aan de noordkant van het Gangesbekken, langs de uitlopers van de Himalaya (de zogenaamde "uttarapatha") en aan de zuidkant langs de Deccan ("daksinapatha"). Dit patroon is eenvoudig te verklaren. Het bekken van de Ganges was in die tijd, anders dan tegenwoordig, bedekt met tropisch bos. Rond de rivier zelf was dit bos dichter en het land drassiger, oftewel moeilijker te ontginnen en in cultuur te brengen. Langs de twee corridors groeiden de nederzettingen. Vooral de noordelijke corridor zou in de latere Vedische periode (tussen 1000 en 500 v.Chr.) belangrijk worden.

De Mahajanapada's waren de zestien grootste staten van Noord-India, verspreid over de Indus-Gangesvlakte. Naast deze zestien lagen er vele kleinere staatjes over het subcontinent verspreid.

De agriculturele ontwikkeling ging gelijk op met de opkomst van steden en, rond 800-600 v.Chr., de vorming van kleine staatjes.[19] In de semi-nomadische vroege Vedische gemeenschappen (stammen) werd de leider gekozen vanwege zijn capaciteiten om de stam voor rampen te behoeden, rituelen uit te voeren, en te leiden bij het roven van vee van andere stammen. De identiteit van het individu werd bepaald door de stam en zijn familiebanden, de status en de hoeveelheid vee die hij bezat. In de latere vaste landbouwnederzettingen en daaruit voortkomende steden ontstond een veel complexere samenleving. Identiteit werd nu ontleend aan staat en woonplaats, en de kasten werden ook belangrijker. De staatjes sloegen gouden of koperen munten om de handel te vereenvoudigen.

De ontstane staatjes worden "mahajanapada's" genoemd. Rond 600 v.Chr. waren er zestien dergelijke rijkjes in het Gangesbekken. De bestuursvorm verschilde: in sommige staatjes had de vorst een erfelijke functie, in andere werd hij gekozen door een raad, en weer andere ("republieken") werden door een raad bestuurd. Een van de rijkjes was Magadha, dat in het oostelijke Gangesbekken lag, in het centrale deel van de huidige Indiase deelstaat Bihar.

Boeddhisme en jaïnisme[bewerken]

Het kastensysteem was inmiddels volledig ontwikkeld. Religieuze rituelen werden uitgevoerd door een priesterklasse, een ander deel van de bevolking was van geboorte uit krijger, weer anderen ambachtslieden of boeren. Vermoedelijk werden rond deze tijd (800 - 500 v.Chr.) de Upanishads geschreven, Laat-Vedische teksten die een grote invloed zouden hebben op de Indische filosofie en maatschappij. Ongeveer in dezelfde tijd (wel als de gouden eeuw van de Indische filosofie gezien) werden het boeddhisme en het jaïnisme gesticht door respectievelijk Gautama Boeddha en Mahavira. Beide nieuwe religies waren gecentreerd rond een simpele doctrine en werden in Prakrit gepredikt, zodat ze snel veel aanhangers hadden onder het gewone volk. Overigens zijn religieuze verschillen tot de komst van de islam op het Indisch Subcontinent nooit redenen voor grootschalige conflicten geweest, deze religies bestonden meestal vreedzaam naast elkaar. Het jaïnisme zou beperkt blijven tot het subcontinent, terwijl het boeddhisme door reizende monniken en nonnen vanuit India naar Centraal Azië, China, Tibet, Sri Lanka en Zuidoost-Azië verspreid werd.

Klassieke periode[bewerken]

De periode tussen Ashoka (3e eeuw v.Chr.) en de Gupta's (5e eeuw n.Chr.) is door Indiase nationalisten wel een "donkere" tijd genoemd, vanwege het ontbreken van centraal gezag, het verval van de vedische waarden als gevolg van de opkomst van andere religies, en de voortdurende invallen van niet-inheemse volkeren uit het noordwesten. Historisch was het echter ook een periode van bevolkingsgroei, toenemende handel en welvaart, en uitwisseling tussen culturen en met andere werelddelen. Griekse invallers en Romeinse handelaren brachten technologie en kennis uit Europa mee. In het noorden van het subcontinent vond ook uitwisseling met Perzië en volkeren uit Centraal-Azië plaats. Tegelijkertijd verspreidden kunst, religie en wetenschap van Zuid-Azië zich naar Zuidoost-Azië en via Centraal-Azië naar China. De "klassieke" periode van Zuid-Azië culmineerde in de heerschappij van de Gupta's, onder wie religie, kunst en wetenschap opbloeiden en het moderne hindoeïsme begon te ontstaan. In het zuiden van het subcontinent en op Sri Lanka ontstonden ondertussen eigen culturen, weliswaar beïnvloed door de aryanisatie, maar duidelijk verschillend van het noorden.

Perzische en Griekse invasies[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Achaemeniden, Alexander de Grote en Greco-Boeddhisme voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.
Kaart van het rijk van Alexander de Grote, dat net als dat van de Achaemeniden ook gebied rond de Indus besloeg.

Gebieden in het noordwesten van het Indisch Subcontinent (tegenwoordig in Afghanistan en Pakistan ten westen van de Indus) kwamen door veroveringen van Darius de Grote rond 520 v.Chr. onder heerschappij van het Perzische Achaemenidenrijk. Deze gebieden bleven zo'n twee eeuwen lang Perzisch.[20] Toen Alexander de Grote in 334 v.Chr. het Achaemenidenrijk veroverde trok hij verder naar het oosten om in de Slag bij de Hydaspes (in de buurt van het tegenwoordige Jhelum in Pakistan) de lokale koning Poros te verslaan. Daarmee werd een groot deel van de Punjab aan Alexanders rijk toegevoegd.[21] Alexanders troepen weigerden echter verder dan de Hydaspes (Beas) te trekken en hij was gedwongen zijn verovertocht te staken. Alexander gaf sommige van zijn veteranen land in de Punjab en liet onderbevelhebbers achter om de administratie van deze provincies te regelen. Na zijn dood gingen deze onderbevelhebbers, die diadochen worden genoemd, onderling op de vuist en werden al snel van het subcontinent verdreven.

Zowel de Perzische als de Griekse invasie hadden grote invloed op de Indische beschaving. Het politieke systeem van de Perzen werd bijvoorbeeld overgenomen door de Maurya's. In de regio Gandhara (het tegenwoordige Afghanistan en noordwesten van Pakistan) konden door de invasies uit het westen Indische, Perzische, Centraal-Aziatische en Griekse invloeden samensmelten waarbij het Greco-boeddhisme ontstond, een belangrijke culturele stroming binnen het mahayana-boeddhisme die tot de 5e eeuw n.Chr. zou blijven bestaan.

Maurya's[bewerken]

Kaart van het Mauryarijk tijdens de grootste omvang. Het rijk zelf is donkerblauw, bondgenoten lichtblauw.
1rightarrow blue.svg Zie Maurya's, Magadha, Chandragupta Maurya en Asoka voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.

Het koninkrijk Magadha was oorspronkelijk een van de Mahajanapada's, volgens de overlevering gesticht door de Haryanka's in 684 v.Chr. De hoofdstad was eerst Rajagriha, later werd dat Pataliputra (bij het tegenwoordige Patna). Op de dynastie van de Haryanka's volgden de Shishunga's, vanaf 424 v.Chr. de Nanda's en vanaf 321 v.Chr. de Maurya's.

In 321 v.Chr. maakte de eerder verbannen generaal Chandragupta Maurya, geadviseerd door het militaire genie Chanakya een einde aan de Nanda-dynastie door koning Dhana Nanda af te zetten. Dit betekende het begin van de Maurya-dynastie. Chandragupta Maurya veroverde vervolgens niet alleen een groot deel van het Indisch Subcontinent, maar verlegde de grenzen van zijn rijk tot aan Perzië en Centraal-Azië door Gandhara te veroveren op de Griekse diadochen.

Chandragupta Maurya bekeerde zich tot het jaïnisme en zorgde voor de verspreiding van deze religie in Zuid-India. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Bindusara, die een aantal rijkjes op het zuidelijke subcontinent veroverde of schatplichtig maakte.

Bindusara werd opgevolgd door zijn zoon Asoka, die er in het begin op uit was zijn rijk verder uit te breiden. Na een bloederige strijd onderwierp hij het koninkrijk Kalinga, maar kreeg spijt van zijn daden. Hij bekeerde zich tot het boeddhisme en bedreef daarna een politiek van geweldloosheid (ahimsa). Overal in zijn rijk liet hij zuilen met daarin gebeiteld de edicten van Asoka oprichten, die gebaseerd waren op het boeddhisme. Deze edicten zijn de oudste bewaard gebleven historische documenten op het subcontinent, vanaf deze tijd kunnen dynastieën redelijk nauwkeurig gedateerd worden. Dankzij Asoka zou het boeddhisme zich verspreiden over grote gebieden in Zuid- en Oost-Azië. In het Mauryarijk werd het de de facto staatsgodsdienst. Asoka's kleinzoon Samprati bekeerde zich echter tot het jaïnisme en hielp deze religie te verspreiden.

Na de Maurya's[bewerken]

Al 50 jaar na de dood van Asoka (185 v.Chr.) kwam er een einde aan de Maurya-dynastie, toen koning Brihadratha werd vermoord door zijn generaal Pusyamitra Sunga. Sunga stichtte de Sunga-dynastie, die op zijn beurt weer gedeeltelijk werd verdrongen door de Kanva-dynastie (71 - 26 v.Chr.). Het rijk was inmiddels een groot deel van zijn voormalige gebied kwijt en na nederlagen (30 v.Chr.) tegen de Satavahana-dynastie, die na de dood van Asoka zelfstandig geworden waren en het centrale deel van India regeerden, was de hegemonie van Magadha voorgoed voorbij.

Zowel in het zuiden als noorden ontstond een aantal onderling rivaliserende rijkjes en dynastieën. Een aantal daarvan heerste tijdelijk over een groter gebied. Desondanks was de middenperiode een periode van grote culturele ontwikkeling en welvaart, die voortkwam uit de handelscontacten die vooral het zuiden had met het Romeinse Rijk in het westen[22] en Zuidoost-Azië in het oosten. Veel van de zuidelijke dynastieën heersten ook over grote gebieden in Zuidoost-Azië en verspreidden er het boeddhisme en hindoeïsme.

De Satavahana-dynastie heerste vanaf ongeveer 230 v.Chr. over wat nu Midden-India is. De belangrijkste heersers waren Satakarni, die de Sunga's uit het noorden versloeg en Gautamiputra Satakarni. Tegelijkertijd lag van de 2e eeuw v.Chr. tot de 3e eeuw n.Chr. in de Himalaya het koninkrijk Kuninda.

Boeddhisme en jaïnisme hadden hindoeïsme in het noorden en midden vervangen als dominante godsdienst. Tijdens de Gupta's zou het boeddhisme een schisma doormaken en splitsen in de hinayana- en mahayanascholen. Tegelijkertijd vond iets soortgelijks plaats in het jaïnisme, dat splitste in de digambara- en svetambarascholen. Na de 5e eeuw maakte het hindoeïsme een comeback en werd het de dominante godsdienst van India. Het zuiden was al die tijd dominant-hindoeïstisch, omdat de invloed van de Maurya's er kleiner was geweest.

Een andere nieuwe stroming was het christendom, dat volgens de overlevering in 52 n.Chr. door de apostel Tomas naar Kerala was gebracht.

Noordelijke rijken[bewerken]

Demetrius "de onoverwinnelijke" (205-171 v.Chr.), stichter van het Indo-Griekse Rijk. De olifantskop die hij draagt staat symbool voor zijn veroveringen in India.

In het noordwesten van het subcontinent ontstond vanaf de 2e eeuw v.Chr. een aantal "hybride" dynastieën en rijken, de Indo-Grieken, de Indo-Scythen, de Indo-Parthen en de Indo-Sassaniden. Het Indo-Griekse Rijk werd gesticht toen de Indo-Bactrische koning Demetrius het noorden van het Indisch Subcontinent binnenviel in 180 v.Chr. en strekte zich uit over gebied in het tegenwoordige Afghanistan en Pakistan. Het rijk hield bijna twee eeuwen stand en werd geregeerd door een opeenvolging van dertig Griekse koningen, die vaak aan de macht kwamen na een burgeroorlog met hun voorganger. De Indo-Scythen waren een Indo-Europese Saken stam (Scythen), die uit het zuiden van Siberië naar Bactria migreerden en van daaruit Sogdiana, Kasjmir, Arachosia en Gandhara binnenvielen. Hun rijk hield stand tussen de 2e eeuw v.Chr. en de 1e eeuw n.Chr. De Indo-Parthen (in Indische bronnen "Pahlava's" genoemd) versloegen een aantal lokale heersers (waaronder de Kushana heerser Kujula Kadphises) in het tegenwoordige Afghanistan en Noord-Pakistan en beheersten daarna een tijd lang een deel van Gandhara. Nog later zou de Indo-Sassanide cultuur ontstaan door het mengen van de Indische cultuur met die van de Perzische Sassaniden.

In de 1e eeuw n.Chr. ontstond het rijk Kushana in het noorden, gesticht door de Yuezhi, een Indo-Europese stam uit Centraal-Azië. Het rijk strekte zich op zijn hoogtepunt uit van Bactria in het tegenwoordige Afghanistan en Tadzjikistan tot ver in de Gangesvlakte, misschien zelfs tot aan de Golf van Bengalen.

Zuidelijke rijken[bewerken]

De tempel van Thanjavur, een voorbeeld van Chola-architectuur.
Fresco's uit de Grotten van Ajanta, Gupta-periode.
Beelden in een tempel in Khajuraho, Rajput-periode

De Westelijke Kshatrapa's (35 - 405 n.Chr.) waren Saken-heersers van een rijk in west-centraal India. Ze waren de opvolgers van de Indo-Scythen en tijdgenoten van de Kushana's in het noorden en de Satavahana's in het zuiden.

In het uiterste zuiden lag een aantal rijken en rijkjes naast elkaar, waaronder de Pandya's, Chola's, Chera's, Kadamba's, de Westelijke Ganges-dynastie, de Pallava's en Chalukya's. Een aantal van deze rijken veroverde aanzienlijke gebieden van Zuidoost-Azië wat leidde tot de verspreiding van het hindoeïsme daar. Een boeddhistische dynastie, de Kalabhra's, onderbrak korte tijd de dominantie Chola's, Chera's en Pandya's in het zuiden.

Gupta's[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Gupta's voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In de 4e en 5e eeuw heerste de Gupta-dynastie over het grootste deel van het noorden van het Indisch Subcontinent, deze periode wordt wel een "gouden eeuw" van India genoemd. De Gupta's zorgden voor een opbloei van cultuur en wetenschap en introduceerden een effectievere politieke administratie. Het was de tijd van de terugkeer van het hindoeïsme en de Vedische Purana's zijn waarschijnlijk tijdens deze periode geschreven. De wiskundige Aryabhata (rond 476-550), die wordt gezien als een van de grondleggers van de moderne wiskunde, leefde aan het einde van de Guptaperiode in Paliputra. De periode van rust maakte het voor Chinese Tang monniken, waaronder Fa Hien en later I-Tsing, mogelijk om India te bezoeken en beschrijven.

De Witte Hunnen, een waarschijnlijk Hephtalitisch volk uit Centraal-Azië, hadden zich in de vroege 5e eeuw in Afghanistan gevestigd, hun hoofdstad was Bamiyan. Aan het begin van de 6e eeuw vielen ze Noord-India binnen en maakten een einde aan het Guptarijk. Daarna was het subcontinent weer enige tijd verdeeld over een groot aantal lokale rijkjes, hoewel de Gupta's over een gebied in Magadha bleven heersen.

India in de middeleeuwen[bewerken]

Politieke kaart van India tussen 750 en 900: na het uiteen vallen van het rijk van Harsha werd de heerschappij over de streek rond de stad Kannauj (in de westelijke Gangesvlakte) bevochten door onder andere de Pala's uit het oosten, Pratihara's (Rajputs) uit het westen en Rashtrakuta's uit het zuiden.

Bloei van regionale rijken[bewerken]

De periode die volgde op de val van het Guptarijk wordt als Middeleeuwen aangeduid, ongeveer analoog met de Europese Middeleeuwen.[23] Nadat er door invallen van de Huna's uit het noorden in 550 een einde kwam aan het Guptarijk, was er nog één maal een heerser die erin slaagde het grootste deel van India min of meer in zijn macht te krijgen: Harsha, die van 606 tot 647 regeerde. Harsha's hoofdstad lag tussen de rivieren Ganges en Yamuna, in het noorden. Hoewel Harsha zichzelf chakravartin (keizer van de kosmos) liet noemen, slaagde hij er niet in de Chalukya's te onderwerpen, die het huidige Karnataka regeerden. Na Harsha's dood viel zijn rijk uiteen. Het gebied werd pas met de komst van de islamitische sultans in de 13e eeuw weer onder een heerser verenigd. In de tussentijd werd het gebied bevochten tussen de boeddhistische Pala's, die Bengalen regeerden; de Pratihara's, een Rajputdynastie uit Rajasthan; en de Rashtrakuta's uit het zuiden, die de Chalukya's hadden opgevolgd in Karnataka.

Ten noorden van de Gangesvlakte lagen een aantal zelfstandige rijken, zoals dat van de Huna's, oorspronkelijk Hephthalitische nieuwkomers uit Centraal-Azië; of het rijk van de hindoeïstische Shahi's rondom Kabul (tegenwoordig Afghanistan). Een ander voorbeeld was de vanuit de Kasjmirvallei regerende Karkotadynastie, die in de 7e eeuw een groot deel van de Punjab, het westelijke deel van de Gangesvlakte en het huidige oosten van Afghanistan onderwierp.

In 711 viel de Arabische veroveraar Muhammad ibn al-Qasim, die in dienst stond van de Omajjaden, het zuidwesten van India binnen. De Arabieren bezetten de Sindh (het gebied rond de monding van de Indus). Ibn al-Qasim wist ook verder naar het noorden door te dringen en de stad Multan te veroveren, maar werd door Lalitaditya Muktapida, de koning van Kasjmir, tot staan gebracht. De nieuwe islamitische heersers maakten geen haast met het bekeren van de bevolking en leefden grotendeels in vrede met andere lokale heersers. In de 9e eeuw raakten ze onafhankelijk van de kalief in Bagdad.

Ook in het zuiden van het Indisch Subcontinent was op geen enkel moment sprake van echte politieke eenheid. Zowel de Chalukya's als hun opvolgers, de Rashtrakuta's, slaagden er niet in de Pallava's te onderwerpen, die vanaf de 4e eeuw een gebied in het uiterste zuidoosten van India bestuurden, ongeveer het huidige Tamil Nadu. Maar ook de macht van de Pallava's zelf over andere dynastieën in dit gebied, zoals de Chola's en Pandya's, was niet vanzelfsprekend. In de 9e eeuw namen de Chola's deze dominante positie over. Op het toppunt van zijn macht besloeg het Cholarijk de hele oostkust van India tot de monding van de Ganges. De Cholakoning Rajendra Chola I onderwierp Sri Lanka en het overzeese Srivijaya in Zuidoost-Azië.

Ten noordwesten van de Indus-Gangesvlakte ontstond vanaf de 10e eeuw een nieuwe bedreiging in de vorm van de Turks-islamitische Ghaznaviden en hun opvolgers, de Ghuriden. Aanvankelijk was hun interesse in India vooral gericht op plunderen. Vanaf de 11e eeuw bleven ze het veroverde gebied echter ook vasthouden. In hun kielzog verspreidde de islam zich verder over het noorden van India. In 1026 versloeg Mahmud van Ghazni de laatste hindoeïstische Shahikoning. Hij veroverde een rijk dat naast de Punjab een groot deel van het tegenwoordige Afghanistan en Iran omvatte, maar zijn opvolgers wisten dit niet te behouden. Wel hielden ze het grootste deel van de Punjab in hun macht, waar vanuit ze plundertochten tot diep in het oosten van de Gangesvlakte organiseerden.

Sociaal-economische ontwikkelingen[bewerken]

De achtergrond van de opkomst van duidelijkere regionale culturele identiteiten lag deels in een belangrijke sociaal-economische verandering van de maatschappij. De periode tussen 500-1200 zag de verspreiding van sterker geordende (hiërarchische) agrarische gemeenschappen, die intensievere vormen van landbouw beoefenden.

Net als in Europa verschoof het zwaartepunt van de maatschappij van de stedelijke centra met hun elite van handelaren naar de agrarische gemeenschappen van het platteland. In India zijn er echter, in tegenstelling tot in Europa, geen duidelijke aanwijzingen voor een structurele leegloop van de steden of een afname van de handel. De productie van luxegoederen en de urbanisatie van de Indische maatschappij bereikten tijdens de middeleeuwen juist nieuwe hoogtepunten.[24]

In de nieuwe, beter geordende agrarische gemeenschappen was de maatschappelijke organisatie groter, waardoor het kastensysteem sterker tot uiting kwam.[25] Niet alleen omdat de religieuze rol van de brahmanen en de beschermende rol van de kshattriya's in zulke gemeenschappen belangrijk was. De opkomst van zulke meer georganiseerde gemeenschappen ging ook ten koste van de vaak semi-nomadische, tribale gemeenschappen die in het oerwoud of aan de periferie van de beschaving leefden van de jacht of extensieve landbouw. Leden van zulke gemeenschappen verloren geleidelijk hun leefgebied en stelden zich in toenemende mate in loondienst van landbouwers. Deze beschouwden hen als kastelozen, waardoor ze onderaan de sociaal-maatschappelijke ladder kwamen te staan en niet deel konden nemen aan religieuze riten of andere aspecten van het sociale leven.

Een andere ontwikkeling, met name in Rajasthan, die hier mogelijk verband mee hield was de opkomst van een nieuwe krijgerskaste: de Rajputs.[26] De oudste inscripties die over Rajputs handelen dateren uit de 7e eeuw. Rajputs waren in die tijd krijgers die lokale gemeenschappen behoedden voor diefstal, plundering of andere rampen. De afkomst van deze Rajputs is onduidelijk. Sommige historici denken dat ze afstammen van de oorspronkelijke kshattriyakaste uit de Vedische periode, maar andere hypotheses zijn dat het afstammelingen van nieuwkomers uit Centraal-Azië waren, of kastelozen die de wapens opgepakt hadden en zodoende de maatschappelijke uitsluiting van het kastensysteem overkwamen. Oorspronkelijk stelden de Rajputs zich in dienst van lokale heersers of koningen, maar geleidelijk verwierven ze ook zelf politieke macht. In de 9e eeuw ontstonden de eerste Rajputstaatjes in het huidige Rajasthan.

Middeleeuwse kunst en religie[bewerken]

Het Brihadisvaratempelcomplex in Tanjavur is een van de grootste shaivistische heiligdommen ter wereld en werd in de 11e eeuw gebouwd door de Chola's.

De opbloei van regionale culturele identiteiten werd ook bevorderd door de bloei van literatuur en wetenschap. De meeste filosofisch-religieuze teksten waren, in tegenstelling tot de klassieke periode, hindoeïstisch van aard, hoewel op sommige plekken het boeddhisme en jaïnisme dominant bleven, zoals onder de Paladynastie in Bengalen.

De opkomst van het "moderne" hindoeïsme, die na het uiteenvallen van het Mauryarijk begon, zette in de middeleeuwen door. Over het algemeen bleek de nieuwe, brahmanistische vorm van het hindoeïsme, die in de laatste eeuwen v.Chr. was ontstaan, aantrekkelijker voor de agrarisch-hiërarchische maatschappij van de Indiase middeleeuwen. Hoewel sprake was van een geleidelijk proces, is in enkele gevallen sprake geweest van een aantoonbare conflicten tussen de verschillende religies. Een belangrijke nieuwe cultus binnen het hindoeïsme was shaivisme, de verering van de god Shiva, die in de Veda's een zeer bescheiden rol inneemt, maar de populairste god van hedendaags India is. De verering van Krishna en Vishnu maakte een vergelijkbare opbloei mee.

Een belangrijk hindoeïstisch denker uit de 8e eeuw was Shankara, een shaivist die een terugkeer naar de sacrale teksten van de Veda's en upanishads bepleitte. Shankara nam echter enkele succesvolle concepten van de boeddhisten en jaïns over, zoals het stichten van kloosterordes en andere centra van kennis. Daarnaast maakten Shankara en andere hindoeïstische denkers gebruik van eenvoudige liedjes in de lokale volkstaal om hun devotie te bezingen (zogenaamde Bhakti). Hierdoor ontwikkelde het hindoeïsme zich tot een makkelijk begrijpbare volksreligie. Dat de hymnes voortaan niet in het Sanskriet waren, stimuleerde het ontstaan van lokale literaire tradities. De eerste taal waarin een eigen verzameling van religieuze liederen geschreven werd was het Tamil, vanaf de 6e eeuw. Vanaf de 10e eeuw volgden het Hindi, Bengali en Marathi. De schrijvers van deze verzamelingen religieuze liedteksten worden tegenwoordig als heiligen gezien.

De regionale identiteit werd door het volk vooral ontleend aan de lokale tempel en de lokale heerser. Op hun beurt stelden veel heersers zich op als patronen van kunst, religie en wetenschap. De Pandya's bijvoorbeeld bouwden in Madurai de Minakshitempel ter verering van Shiva; de Chola's bouwden in Tanjavur de Brihadisvaratempel. Beide dynastieën hadden hun eigen, karakteristieke bouwstijl. Rondom de tempels groeide een stad, die handelaren en pelgrims aantrok. Uiteindelijk vormden deze handelaren groepen, vergelijkbaar met de Europese gilden, die zelf ook als patroon voor tempels en priesters gingen fungeren.

Invloed op andere werelddelen[bewerken]

De Indiase handelaren deden zaken met collega's uit het onder de Tang-dynastie en later Song-dynastie staande China, uit Tibet, met de Sassanidische Perzen en met de (na de 6e eeuw islamitische) Arabieren. Via de Arabieren bereikten Indiase goederen het Middellandse Zeegebied. De koninkrijken van het zuiden van India handelden bovendien met Zuidoost-Azië.

Belangrijke luxegoederen uit India waren specerijen (vooral zwarte peper), wierook, textiel en sandelhout. In het Midden-Oosten werd dit met name verhandeld voor metaalwerk en paarden. Uit Zuidoost-Azië kwamen andere specerijen en oorspronkelijk uit China afkomstige zijde en porselein.

Samen met de handel kwam ook een culturele uitwisseling met Zuidoost-Azië tot stand. Zo arriveerden het hindoeïsme en boeddhisme (en, nog later, de islam) vanuit India in Zuidoost-Azië. Dit gebeurde niet alleen op initiatief uit India, maar vaak ook vanwege de vraag naar Indiase kennis in Zuidoost-Azië. De Indiase cultuur en religie raakte zodoende over Zuidoost-Azië verspreid. De inwoners van het gebied leerden Sanskriet en kregen zo toegang tot Indiase teksten over maatschappij- en staatsinrichting, en begonnen hun eigen gemeenschappen naar Indiaas voorbeeld in te richten. Desondanks ontwikkelden zich ook verschillen: terwijl de Indiase heersers zichzelf voor trouwe aanbidders van de goden lieten doorgaan, beschouwden bijvoorbeeld de koningen van de Khmer (in het huidige Cambodja) zichzelf als goden, die door hun onderdanen aanbeden dienden te worden.

Komst van de islam[bewerken]

Na de verovering van het Sassanidenrijk door het Arabische kalifaat in de 7e eeuw grensde het subcontinent in het westen aan gebieden onder islamitisch gezag. Dat de islam via deze route eeuwenlang niet verder oprukte, was vooral te danken aan de Shahi's, hindoevorsten die het tegenwoordige oosten van Afghanistan regeerden. In 711 landde een Arabische expeditie onder Muhammad bin Qasim in Sindh. Bin Qasim veroverde de Indusvallei tot Multan, maar werd daarna teruggeroepen naar Irak. In de daarop volgende eeuwen zou Sindh in handen van islamitische heersers blijven, hoewel ze vanaf de 9e eeuw het gezag van de kaliefen afwierpen. De Arabische sultans van het gebied vertoonden echter over het algemeen geen grote na-ijver om hun onderdanen te bekeren. Ze sloten verdragen en voerden oorlogen met hun buurstaatjes, of deze nu door hindoes of andere moslims bestuurd werden. De islam arriveerde ook met handelaren langs de kust van Kerala in het zuiden. Vanaf de 7e eeuw lagen hier Arabische handelsnederzettingen.

Het noorden had altijd een gestage instroom van stammen en avonturiers uit de steppes van Centraal-Azië gekend. In de 6e eeuw volgden de Huna's in de voetsporen van Parthen, Scythen, Grieken en anderen. Nadat de volkeren van Centraal-Azië in de 10e eeuw tot de islam waren bekeerd, werd de instroom echter een grotere bedreiging voor de heersers in de Indus-Gangesvlakte. Turks-Perzische krijgslieden uit Centraal-Azië gebruikten tactieken die in India onbekend waren, zoals snelle, dicht op elkaar rijdende cavalerie-eenheden. Veel van hun soldaten waren zogenaamde mammelukken, tot de islam bekeerde slaven die opgeleid werden tot militairen en bestuurders.

De eerste islamitisch-Turkse veroveraar die het noorden van India binnendrong was Mahmud van Ghazni. Nadat de Shahi's onderworpen waren lag de Punjab voor hem open. Mahmud van Ghazni leidde tussen 1001 en 1025 17 plundertochten door het noorden van India. Hij liet in Ghazni een schitterende hoofdstad bouwen, waar hij alle rijkdommen die hij kon vergaren naartoe sleepte.

Na de Ghazni's kwamen de Ghaznaviden en Ghowriden, ze heersten over een rijk dat ook de Punjab besloeg. Muhammad Ghori versloeg in 1192 de Rajputheerser van Delhi, Prithviraj Chauhan. Daarna veroverde hij een groot deel van de Gangesvlakte. Na zijn dood in 1206 stichtte zijn generaal, de mammeluk Qutb-ud-din Aybak, het sultanaat Delhi.

De Qutub Minar in Delhi, gebouwd door Qutb-ud-din Aybak de stichter van de slavendynastie en eerste sultan van Delhi.

Sultanaat Delhi[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Sultanaat Delhi voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De opvolgers van Qutb-ud-din-Aybak worden de slavendynastie (1206 - 1290) genoemd. Het sultanaat Delhi veroverde grote delen van de noordelijke vlakten, tot het ongeveer de omvang van het eerdere Guptarijk had. De slavendynastie werd opgevolgd door de Khilji- (1290 - 1320) en Tughlaq- (1320 - 1413) dynastieën, die een groot deel van Centraal-India aan het rijk toevoegden.

Hoewel de opmars en plundertochten van de moslims vaak met grote wreedheden tegen de hindoe-bevolking gepaard ging, zou in de tweede helft van de 14e eeuw de cultuur van de invallers (Afghanen, Arabieren en Turken) beginnen te vermengen met die van de oorspronkelijke bevolking. Nieuwe stijlen ontstonden in de kunst, filosofie, architectuur en literatuur. Door vermenging van de Sanskritische prakrits met de talen van de nieuwkomers (Perzisch, Turks en Arabisch) ontstond het Urdu, tegenwoordig de dominante taal in het noorden van het subcontinent.

Vijayanagar en de Deccan-sultanaten[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Vijayanagar en Deccan-sultanaten voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.

Door de veroveringen van met name Mohammed Tughlaq (sultan van 1325 - 1351) werden de hindoe-rijken in het zuiden in het nauw gedreven. Het laatste grote hindoe-rijk, Vijayanagar, werd in 1336 gesticht om de islamitische invallers te verdrijven, onder andere het koninkrijk Hoysala ging in het rijk op.

Mohammed Tughlaq was gedwongen zijn ambitie het hele subcontinent onder zijn heerschappij te brengen op te geven en trok zich terug naar het noorden. Mohammeds onderbevelhebber Aladdin Bahman Shah kwam in opstand en stichtte het Bahmanidenrijk in de Deccan. Dit sultanaat en Vijayanagar zouden gedurende de 14e en 15e eeuw een serie bloedige oorlogen uitvechten om de controle van Centraal-India.

Van 1482 tot 1518 viel het Bahmanidenrijk uiteen in de vijf onderling ruziënde Deccan-sultanaten. Vijayanagar profiteerde van deze verdeling door grote gebieden op de sultans te veroveren. Uiteindelijk sloten de islamitische staatjes in het noorden een verbond en versloegen Vijayanagar in de Slag bij Talikota, waarmee een einde kwam aan de macht van Vijayanagar. Het rijk zou nog tot 1646 bestaan maar nooit meer een belangrijke militaire macht vormen.

Vroegmoderne Tijd: van Mogolrijk naar de Britse Raj[bewerken]

Tekening van de 7e Portugese "India Armada" uit het Livro de Lisuarte de Abreu (rond 1565). Met dergelijke vloten veroverden de Portugese bevelhebbers Francisco de Almeida en Afonso de Albuquerque in het begin van de 16e eeuw het monopolie op de zeehandel in de Indische Oceaan op de Arabieren en Indische heersers.
Europese kolonies in India in de 17e en begin 18e eeuw.

Komst van Europeanen[bewerken]

India was al bekend bij de Europeanen sinds de oudheid. Vanuit het Romeinse rijk werd door met name Griekse handelaren intensieve handel met India gedreven. In de Middeleeuwen werd het contact een stuk minder intensief en verliep de handel tussen Europa en Indië voornamelijk via Arabische tussenhandelaren.

De Portugezen waren de eerste Europeanen die Indië bereikten, toen Vasco da Gama de zeeroute om Kaap de Goede Hoop ontdekte in 1498. Binnen een paar jaar hadden de Portugezen met toestemming van lokale heersers enkele handelsposten en forten gesticht langs de Malabarkust. In de slag bij Diu (1509) versloegen ze een gezamenlijk Arabisch-Indische vloot van het Mammelukkensultanaat Caïro, Gujarat en Calicut, waarmee ze het monopolie op de handelsroutes in de Indische Oceaan in handen kregen. In de 16e eeuw bezaten de Portugezen een keten van kolonies en forten langs de kust, die de basis voor hun handel en piraterij vormden. De hoofdstad van Portugees-Indië was Oud Goa, dat uitgroeide tot een bloeiende metropool.

Het Portugese monopolie verdween met de komst van andere Europese machten in de 17e eeuw. Deze werden verwelkomd door de inheemse heersers, omdat ze tegen de Portugezen en elkaar uitgespeeld konden worden. De Engelsen, Fransen, Nederlanders en Denen zetten compagnieën op om de handel met Indië te coördineren. Deze compagnieën vormden ook het bestuur van de kolonies. In het midden van de 17e eeuw hadden de Nederlanders langs de Malabar- en Coromandelkusten verschillende kolonies gesticht. De Britten arriveerde ongeveer in dezelfde periode. De Britse East India Company was iets anders opgezet dan de Nederlandse Vereenigde Oostindische Compagnie en oefende vanaf 1624 tevens staatkundige macht uit. De Franse Oost–Indische Compagnie had kolonies in Pondicherry, Chandernagore in Bengalen en tijdelijk ook in Madras. De Denen hadden handelsposten in Serampore (Bengalen) en Tranquebar (aan de Coromandelkust).

De Europeanen kochten vooral textiel, indigo en specerijen uit het Subcontinent en betaalden met goud en zilver. Verder fungeerden de koloniën als tussenstations in de handel met het Verre Oosten, met name de specerijenhandel met Malakka. In handelsposten werden warenhuizen en factorijen opgezet en militaire troepen gevestigd die de kolonie tegen aanvallen beschermden of gebruikt werden om invloed over de inheemse machthebbers te verwerven. De Europeanen werden gezien als geduchte krijgslieden, die over betere wapens en krijgsmethoden beschikten. Inheemse heersers boden beter soldij dan de handelscompagnieën, zodat veel Europese militairen overliepen naar een lokale radja of sultan. Indië was in de 16e tot 18e eeuw rijker dan Europa en mening Europees avonturier wist als huurling in dienst van een inheemse heerser een fortuin te vergaren.

In het kielzog van de Europese handelaren arriveerden ook christelijke missionarissen. Met name de Portugezen maakten ernst met de bekering van de lokale bevolking. In gebieden onder Portugese controle werden zowel hindoes, moslims als (Syrische) christenen gedwongen zich te bekeren tot de Rooms-Katholieke Kerk. Met name de Jezuïetenorde was actief in India en enkele missionarissen bereikten de hoven van lokale machthebbers. Hoewel ze weinig succes boekten, brachten ze de Indische heersers in aanraking met Europese kennis en cultuur.

Een soldaat in het Mogolleger met een lontslotgeweer. Dergelijke voordien in India onbekende wapens waren een belangrijke factor in Baburs verovering van het Sultanaat van Delhi. Lithografie, rond 1585, privécollectie.

Stichting van het Mogolrijk[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Mogolrijk voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In 1526 viel Babur met zijn leger vanuit Afghanistan de Punjab binnen. Babur was een Timoeride (Turks-Perzische) afstammeling van Timoer Lenk, en zag zich daarom als meerdere van de sultan van Delhi. Zijn troepen waren uitgerust met vuurwapens, tot dan toe onbekend op het subcontinent, waardoor zijn leger de veel grotere legers van de sultan van Delhi kon verslaan. Hij veroverde het grootste gedeelte van de Indus-Gangesvlakte, maar leefde niet lang genoeg om het rijk te consolideren. Zijn zoon Humayun (regeerde 1530 - 1556) bezat niet de daadkracht van zijn vader, en werd gedurende enkele decennia door de Afghaanse krijgsheer Sher Shah Suri aan de kant geschoven. Sher Shah was niet alleen een kundig veldheer maar ook een staatshervormer. Hij voerde de zilveren rupee in als munteenheid en stimuleerde de handel door de aanleg van wegen.

Humayuns zoon Akbar, die in 1556 op 13-jarige leeftijd aan de macht kwam, was een uitzonderlijk heerser. Zijn hervormingen en veroveringen vormden de basis van twee eeuwen stabiel bestuur onder de Mogols. Hij vestigde zijn macht over een groot deel van het Subcontinent, maar begreep dat hij als keizer alleen geaccepteerd zou worden als hij zich de gewoonten en cultuur van zijn onderdanen eigen maakte. De tolerantie en dynamiek die hij toepaste lijken echter niet alleen een sluwe diplomatieke keuze te zijn geweest, maar ook voort te zijn gekomen voor een oprechte interesse in zijn onderdanen en hun cultuur. Akbar wist de Rajputs, die de aartsvijanden waren geweest van eerdere islamitische heersers, aan zich te verbinden door huwelijken en militaire campagnes. Hij benoemde hindoes op belangrijke posten in het bestuur en schafte discriminerende belastingen voor niet-moslims af. Daarnaast hervormde hij het bestuur op een wijze waarbij lokale bestuurders een militaire rang toegekend kregen. De belasting die een bepaald gebied opgelegd kreeg werd afhankelijk gemaakt van de opbrengst van het land.

Akbar toonde grote interesse in de verschillende religies die in zijn rijk voorkwamen. Hij vierde de heilige dagen en feesten van hindoes, sikhs, boeddhisten, jaïns, christenen en parsi's (zoroastriërs). Hoewel hij nooit leerde schrijven, voerde hij in zijn hof in Fatehpur Sikri (nabij Agra) lange filosofische discussies met sufi's, christelijke missionarissen, hindoeïstische en sikkhistische guru's en parsi's. Akbar was uit op het vaststellen van overeenkomsten tussen de religies, maar debatten die hij liet voeren liepen vaak op niets uit. Dit frustreerde hem in toenemende mate, zodat hij op latere leeftijd ten slotte zijn eigen religie opstelde, deen ilahi, waar hij de enige beoefenaar van was en bleef. Akbar patroniseerde daarnaast de wetenschap en kunsten aan zijn hof, wat tot een voorheen ongekende samensmelting van de inheems hindoeïstische en Perzisch-islamitische culturen leidde. Er ontstond een unieke Mogolstijl die met name tot uiting kwam in de architectuur, schilderkunst en dichtkunst.

Akbars opvolgers[bewerken]

Keizer Aurangzeb ontvangt zijn zoon, prins Muazzam. Miniatuur, rond 1707-1712.

Akbars opvolgers, zijn zoon Jehangir (1605 - 1627) en kleinzoon Shah Jahan (1627 - 1658), bezaten niet dezelfde staatkundige en diplomatieke kunde, maar het fundament dat Akbar gelegd had garandeerde politieke stabiliteit, economische vooruitgang en opbloei van kunst, filosofie en wetenschap tijdens hun regeringen. De hervormingen van Akbar hadden ervoor gezorgd dat een groot deel van de belasting aan de keizerlijke schatkist toekwam. Dit gaf de keizers verregaande mogelijkheden de culturele opbloei te dirigeren en patroniseren. Onder Jehangir bereikte de miniatuurschilderkunst haar hoogtepunt. Ook liet hij de Shalimartuinen in Kasjmir aanleggen. Shah Jahan is bekend als bouwer van grote bouwwerken, waaronder de Taj Mahal, die tegenwoordig als het bekendste landmark van India geldt.

Hoewel ze niet dezelfde vrijdenkerij als Akbar aanhielden, continueerden Jehangir en Shah Jahan zijn integratiepolitiek met de cultuur van de bevolking. In tegenstelling tot de sultans van Delhi zagen deze Mogolkeizers in dat om het noorden van India te besturen, ze zich aan moesten passen aan de inheemse cultuur en gebruiken.

Omvang van het Mogolrijk in de 17e eeuw

De opvolger van Shah Jahan, Aurangzeb (1658 - 1707), kwam aan de macht na een ontwrichtende en bloedige oorlog tegen zijn vader en broers. Hij volgde een andere politiek dan zijn voorgangers, die voortkwam uit zijn religieuze fundamentalisme. Aurangzeb liet grote moskeeën bouwen, waarvoor hij vaak tempels liet slopen. Ook voerde hij de belasting voor niet-moslims weer in. Op militair gebied veroverde hij de onder zijn voorgangers overgebleven onafhankelijke sultanaten op de Dekan. Tegelijkertijd vond er een wederopbloei van orthodox-hindoeïstische ideeën plaats onder de Maratha's. Aurangzebs politiek leidde dan ook tot toenemend verzet en een opstand van de Maratha's onder Shivaji. De Dekanoorlog, die begon als poging van Aurangzeb het volledige zuiden van India te onderwerpen, zou enkele decennia voortduren, tot de keizer ten slotte op hoge leeftijd in zijn legerkamp overleed. Aurangzeb had in deze periode het centraal bestuur verwaarloosd. Zijn militaire campagnes hadden de schatkist uitgeput. Lokale heersers hadden de macht naar zich toe kunnen trekken met toenemende decentralisatie tot gevolg. Tijdens de dood van de keizer was het Mogolrijk al volop in verval, een proces dat gedurende de 18e eeuw verder duurde.

De Badshahi-moskee in Lahore, gebouwd door Aurangzeb.

India onder de Mogols[bewerken]

In veel opzichten onderging India in de 16e en 17e eeuw een bloeiperiode. De religieuze tolerantie en het efficiënte bestuur onder de Mogols zorgden voor een toename van de handel en welvaart en een opbloei van de kunst en wetenschap aan het hof van de keizer. De periode zag een sterke ontwikkeling van regionale talen als Urdu, Hindi, Bengali en Marathi, die elk een eigen literatuur ontwikkelden.

De economie bleef sterk gericht op de landbouw en het Mogolrijk was voor haar inkomsten afhankelijk van de landopbrengst. De kracht van het rijk kwam voort uit de effectieve administratie die door Akbar opgezet was, met name op het gebied van de belastingwinning en militaire organisatie. Voor het beheersen van de handel of nijverheid hadden de Mogols een opmerkelijke desinteresse.[27] Het rijk had geen noemenswaardige vloot, zoals de Ottomanen of Arabieren. In plaats daarvan lieten de Mogolkeizers de overzeese handel over aan de verschillende Europese machten. Op momenten dat de Europeanen de militaire macht van de Mogols uitdaagden, werden ze vernietigend verslagen. Toen de Engelsen het tijdens Childs oorlog (1686 - 1690) tegen de Mogols probeerden op te nemen werden ze uit hun handelspost in Bengalen verdreven naar enkele vissersdorpjes in de Gangesdelta, waar later de stad Calcutta zou verrijzen.

De vervaardiging van pashminasjaals in Kasjmir. Textiel was naast peper het belangrijkste exportproduct in de handel met Europa in de 17e-18e eeuw. Lithografie door William Simpson (1867).

In de eeuwen sinds de stichting van het sultanaat van Delhi was in India een aanzienlijke minderheid van moslims gegroeid, die het gebied als thuisland was gaan zien. De verspreiding van de islam was voornamelijk het werk van de sufi's, mystici wiens spirituele boodschap zowel moslims als hindoes aantrok. Het merendeel van de moslims op het Subcontinent was soennitisch, maar een kleine groep van voornamelijk Perzische of Arabische afkomst was sjiiet. Onder de Mogols bleef India nieuwe immigranten uit Perzië of Centraal-Azië trekken, die in het Mogolrijk als bestuurders en militairen carrière konden maken.

Het overgrote deel van de bevolking bleef echter hindoe. Het boeddhisme was uit India verdwenen maar bleef de dominante godsdienst van Ceylon en in Tibet. Jains bleven een kleine minderheid van de bevolking, met name in het westen van het Indisch Schiereiland. In het begin van de 16e eeuw werd door Guru Nanak een nieuwe religie, het sikhisme gesticht. Nanak probeerde in zijn religie de boodschap van de islam met aspecten van het hindoeïsme te verenigen. Hij werd opgevolgd door negen verdere goeroes, waarvan de Mogols er twee lieten terechtstellen. Aan het begin van de 18e eeuw besloot de laatste goeroe onder druk van vervolging de sikhgemeenschap te bewapenen. Dit stelde de sikhs in staat een politieke rol te gaan spelen na de ondergang van het Mogolrijk.

Politieke versnippering in de 18e eeuw[bewerken]

Het zwakke centrale gezag van de latere Mogolkeizers, die uit Delhi regeerden, leidde tot een periode van oorlogen en politieke instabiliteit.

Marathi gurabs en galbats vallen een schip van de Britse East India Company aan. In tegenstelling tot de Mogols, die geen interesse toonden in het uitbreiden van hun macht over de zee, bezaten de Maratha's een sterke vloot. Ze bedreven piraterij langs de Malabarkust. Tekening: Thomas Buttersworth (1907).[28]

Aanvankelijk profiteerden vooral de Maratha's van het afnemende gezag uit Delhi. In tegenstelling tot de Mogols waren de Maratha's slechts los georganiseerd en hing hun succes grotendeels af van charismatische aanvoerders zoals Shivaji. De laatste had zich in 1674 tot hindoeïstisch keizer laten kronen, een directe provocatie aan het adres van Aurangzeb. Shivaji en zijn opvolgers voerden een soort guerrillaoorlog tegen de numeriek veel sterkere Mogols, waarbij ze gebruikmaakten van de grillige kliffen en forten in het plateaulandschap van de westelijke Dekan. De latere Marathakeizers lieten het bestuur en de oorlogsvoering grotendeels over aan hun eerste minister, de peshwa. Deze titel werd in de 18e eeuw erfelijk en de latere peshwa's vormden de eigenlijke heersers van het Maratharijk. De peshwa's waren brahmanen, die een op strikt hindoeïstische waarden gebaseerde samenleving nastreefden. Ze wisten de verschillende facties van Maratha-edelen te verenigden en de Mogols terug te dringen uit de Dekan. De Maratha's organiseerden plundertochten in de overgebleven provincies van het Mogolrijk, of dwongen lokale bestuurders een deel van de belasting aan hen af te staan. In 1738 bedreigden ze Delhi zelf. In dezelfde periode voerden de Maratha's oorlog tegen de Portugezen, die ze uit het grootste deel van de Konkankust verdreven. Goa bleed tenauwernood in Portugese handen. Verschillende Maratha-edelen stichtten lokale dynastieën, die ondergeschikt waren aan de peshwa in Poona.

De afname van het gezag van de Mogolkeizer zorgde ook dat enkele vazallen een eigen dynastie stichtten. De belangrijkste waren de nawabs van Avadh in de centrale Gangesvlakte, de nizams van Haiderabad op de oostelijke Dekan, de nawabs van Bengalen in het oosten en verschillende Rajputstaatjes in het westen. De Rohilla's (oorspronkelijk Afghaanse huurlingen) stichtten een eigen rijk ten oosten van Delhi, aan de voet van de Himalaya. In de 18e eeuw vonden vrijwel continu militaire conflicten plaats tussen de Maratha's, binnenvallende Afghanen en nizams van Haiderabad. Hier werd handig op ingespeeld door de Britten en Fransen, die huurlingen aan de regionale hoven leverden. Deze huurlingen vormden op den duur een macht om rekening mee te houden en hoewel in naam gelieerd aan een nizam, nawab of peshwa, waren ze in de eerste plaats trouw aan de bestuurders van de Franse en Britse handelscompagnieën.

Het noorden van het subcontinent leed in dezelfde periode onder aanvallen uit Afghanistan. De Afghaanse vorst Nadir Shah nam grote delen van de Punjab en Sindh in en plunderde Delhi in 1739, waarbij de schatten van de Mogols in zijn handen vielen. Onder de buit bevonden zich Shah Jahans beroemde pauwentroon en de diamant Koh-i-Noor. De Afghanen vormden daarna de belangrijkste rivalen die de Maratha's de hegemonie betwisten. De Afghaanse vorst Ahmad Shah Durrani sloot een verbond met de nawab van Avadh en bracht de Maratha's een grote nederlaag toe in de derde slag bij Panipat (1761). Hierdoor werden de Maratha's weer teruggedrongen tot de Dekan.

Een Engelsman en een Indiër spelen een partijtje schaak terwijl ze de waterpijp roken. Illustratie door Charles Gold, rond 1804.
De Britse bevelhebber Robert Clive en zijn bondgenoot, Mir Jafar, begroeten elkaar na afloop van de slag bij Plassey (1757). Dankzij deze overwinning konden de Britten hun heerschappij over Bengalen vestigen.

Ontstaan van het Britse Rijk[bewerken]

In de 17e eeuw waren de Nederlanders de dominante koloniale macht in de Indische Oceaan. De Britse en Franse handelscompagnieën waren aanvankelijk veel kleiner. De Britten hadden echter enkele voordelen ten opzichte van de Nederlanders. Belangrijk was dat de Britse compagnie geen schepen in bezit had, maar ze huurde. Daardoor kon de compagnie beter dan haar Nederlandse tegenhanger inspelen op fluctuaties in de markt. Tegelijkertijd stelde het de kapiteins in dienst van de Britse compagnie in staat zich te specialiseren en meer te verdienen met slim entrepreneurschap. In de loop van de 18e eeuw nam het Britse aandeel in de handel daarom toe. De omzet van de Franse Compagnie des Indes Orientales kwam nooit in de buurt van die van de Nederlanders of Britten, maar de Fransen waren net als de Britten uit op het vestigen van politieke invloed. Gedurende de 18e eeuw raakten de Britten en Fransen in toenemende mate betrokken bij de conflicten tussen inheemse machthebbers, waardoor ze hun macht vergrootten. De militaire kracht van de Europeanen lag in inheemse huurlingen (sepoys), die werden uitgerust met vuurwapens en getraind om in formatie te vechten.

Als onderdeel van de Oostenrijkse Successieoorlog (1740 - 1748) voerden de Engelsen en Fransen een strijd om militaire en diplomatieke invloed in India. Geleid door capabele bevelhebbers leken de Fransen het pleit in hun voordeel te hebben beslecht toen de door hen gesteunde potentaat in 1748 de nizam van Haiderabad opvolgde. De bestuurders van de Franse compagnie waren echter geschrokken van tegenvallende winsten als gevolg van de oorlog en grepen in. Ze kwamen tot een vergelijk met de Britten, waarbij de vrede getekend werd in ruil voor de afstand van Franse kolonies aan de Indiase oostkust. Als onderdeel van de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) maakten de Britten definitief een einde aan de Franse ambities in het zuiden van India. Bij de Vrede van Parijs (1763) ontving weliswaar Frankrijk Pondicherry en Chandernagore terug, doch in 1770 werd de Franse handelscompagnie ontbonden.

In het noorden konden de Britten hun macht uitbreiden dankzij het machtsvacuüm dat ontstaan was nadat de Maratha's en Afghanen elkaar in de slag bij Panipat (1761) geneutraliseerd hadden. Door de oorlogen tussen de Mogols en Maratha's in Gujarat hadden de Britten hun handelsactiviteiten naar het veilige Bengalen verlegd. De nawab (gouverneur) van Bengalen, Murshid Quli Khan, was aan het begin van de 18e eeuw de facto onafhankelijk geworden van de Mogols. Quli Khan was een sterke heerser die de stabiliteit en vrede waarborgde die in Gujarat misten. Hij had zijn provincie hervormd en daarmee de belastingopbrengsten verhoogd, zodat Bengalen in deze periode een van de rijkste delen van India was. De Britten wisten in deze provincie een sleutelpositie in de handel te verwerven. De Bengaalse heersers zagen het groeiende aantal versterkte Britse factorijen, handelaren en militairen met argwaan aan.

Nawab Siraj ud Daulah droeg de Britten ten slotte op hun factorijen te ontmantelen, maar hij werd verslagen door de Britse bevelhebber Robert Clive in de slag bij Plassey (1757). De East India Company verkreeg zodoende de macht over Bengalen in handen. De Britten consolideerden deze overwinning door in de slag bij Buxar (1764) een gezamenlijke strijdmacht van de nawabs van Bengalen en Avadh en de Mogolkeizer te verslaan. Er werden Britse residenten aangesteld aan de hoven van de nawab van Avadh, de Mogolkeizer en de nizam van Haiderabad. Deze inheemse heersers waren pionnen geworden die het de Britten mogelijk maakten hun invloed verder uit te breiden.

Brits-Indië[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Brits-Indië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De East India Company als bestuurder[bewerken]

De Britse overwinningen bij Plassey en Buxar waren het gevolg van beslissingen van opportunistische officieren als Clive en Munro. Als private handelsonderneming, bestuurd door directeuren en aandeelhoudersvergaderingen in het verre Londen, was de East India Company echter slecht uitgerust om als soeverein heerser over miljoenen Indische onderdanen te heersen. Door het toenemende economische en politieke Britse belang in India, met name na het verlies van Britse koloniën in Noord-Amerika in de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783), kon de Britse regering India niet langer negeren. In Londen schrok men ervoor terug India direct te besturen, omdat dit wegens de continue oorlogen met inheemse heersers en de Fransen een groot financieel risico inhield. In plaats daarvan probeerden opeenvolgende Britse regeringen hun invloed op de Company uit te breiden. In 1773 werd besloten dat alle Britse bezittingen onder een enkele gouverneur-generaal in Calcutta kwamen te staan. In 1784 werd de macht van de Britse regering over de Company verder uitgebreid met de instelling van een Board of Control en het uitbreiden van de macht van de gouverneur-generaal.

De eerste gouverneur–generaal was Warren Hastings (1773–1785), die het bestuur organiseerde op grond van inheemse gewoonten en gebruiken. Hastings en zijn generatie bestuurders legden een grote interesse aan de dag voor de Indische cultuur, natuur en geschiedenis. Dit uitte zich onder andere in de oprichting van de Asiatic Society of Bengal door William Jones. Ook werden rechtbanken en scholen gesticht naar Brits voorbeeld, maar met de inheemse gebruiken en behoeften op het oog. In deze begintijd van de Britse heerschappij was het gewoon dat Britse officieren in de inheemse elite trouwden en zich aanpasten aan de lokale gewoonten. Sommige bekeerden zich zelfs tot een inheemse godsdienst, zoals het hindoeïsme of de islam.

De stichting van een imperium in India kon aanvankelijk niet op onverdeelde steun van het Britse thuispubliek rekenen. Hastings en enkele medewerkers werden bij thuiskomst in Londen zelfs door liberale politici aangeklaagd en vervolgd in een langdurig impeachmentproces. Hen werd corruptie, machtsmisbruik en de onrechtmatige vernietiging van Indische "naties" ten laste gelegd.

De Brits-imperialistische machtsuitbreiding over India ging echter voort. Als onderdeel van de Napoleontische oorlogen wisten de Britten en hun bondgenoten, waaronder de nizam van Haiderabad, Tipu Sultan, de vorst van Mysore, te verslaan en de Maratha's terug te dringen. Beiden waren bondgenoten van de Fransen. De Britten rekenden af met de Maratha's in een serie oorlogen tussen 1775 en 1818.

De opstand van 1857[bewerken]

Hastings opvolgers vergrootten de Britse macht, onder andere door de verovering van Sindh en het rijk van de Sikhs (1849). Deze veroveringen en de plotselinge hervormingen die Lord Dalhousie (1848–1856) wilde invoeren, wekten grote verbittering, die onder zijn opvolger, viscount Canning (1856–1862), tot de opstand van 1857 kwam. Te Mirat bij Delhi brak op 10 mei 1857 een oproer uit. Delhi werd door de Britten belegerd en na een bloedige bestorming ingenomen. Daarna werd Hindoestan langzamerhand onderworpen en aan de schijnbare heerschappij van de Mogols een einde gemaakt.

Brits keizerrijk[bewerken]

Het bestuur van Indië werd nu in 1858 aan de Britse Kroon overgedragen. De gouverneur–generaal kreeg de titel van Onderkoning. In 1876 kreeg koningin Victoria de titel van Keizerin van India. In binnenlandse aangelegenheden kreeg India een grote mate van zelfstandigheid.

Swarajbeweging[bewerken]

In de tweede helft van de 19e eeuw ontwaakte het politieke bewustzijn onder de ontwikkelde Indiërs. Onder de eerste figuren die naar grotere invloed op het bestuur streefden, waren Gokhale en Tilak, van wie de eerste de gematigde, de tweede de meer radicale richting vertegenwoordigde. In 1885 kwam op initiatief van de Engelsman A.O. Hume voor het eerst het All Indian National Congress (Congrespartij) bijeen. Aanvankelijk ging dit lichaam zeer gematigd te werk, doch onder invloed van de moslims ontwikkelde het zich op den duur in meer extremistische richting, vooral na 1892. Een scherp conflict tussen het Britse bestuur en de Indische bevolking brak uit toen de onderkoning Lord Curzon in 1905 Bengalen in twee provincies verdeelde. In 1909 bracht Lord Minto als onderkoning een bestuurshervorming tot stand, waarbij een soort Indisch parlement in het leven werd geroepen, de Morley–Mintohervormingen. Dit bracht de gemoederen evenwel slechts weinig tot rust. De verdeling van Bengalen werd ongedaan gemaakt; tevens werd de zetel van de regering van Calcutta overgebracht naar Delhi, de oude residentie van de grootmogols.

Streven naar onafhankelijkheid[bewerken]

Gedurende de Eerste Wereldoorlog ontving het Verenigd Koninkrijk van zijn Indisch rijk krachtige steun in geld en manschappen. De leiders van de Indische nationale beweging verwachtten namelijk dat Indië na het beëindigen van de oorlog de dominionstatus zou krijgen. Toen dit niet geschiedde, volgde een heftige opleving van de nationalistische oppositie. De regering trachtte deze te onderdrukken door speciale maatregelen (Rowlatt Act, 1919), die echter verontwaardiging ontketenden: zo kwam het volk in de Punjab op vele plaatsen in opstand, hetgeen leidde tot een heftig bloedbad in Amritsar (1919), aangericht door de troepen van generaal Dyer. Wel werden door de Montagu–Chelmsfordhervormingen Indische burgers bij het bestuur betrokken.

Als leider van de Indische nationale beweging trad in die jaren Mohandas Karamchand Gandhi naar voren. Deze streefde ernaar op geweldloze wijze, door 'burgerlijke ongehoorzaamheid', het Britse gezag te bestrijden. Zijn eerste campagne begon in 1920, met medewerking van de moslims. In 1930 organiseerde hij opnieuw een grote ongehoorzaamheidsbeweging, waarbij hij het zoutmonopolie van de regering poogde te breken. In hetzelfde jaar werd het rapport van het door de Simon–commission in 1928 gehouden onderzoek naar de toekomstige status van India gepubliceerd. Het beval de verlening van zelfbestuur aan. Nog in 1930 vond te Londen de eerste rondetafelconferentie plaats, die echter door de meer extreme Indiërs werd geboycot. Aan een volgende conferentie nam Gandhi echter deel als vertegenwoordiger van de Congrespartij (1932).

Het resultaat van deze conferenties was de Government of India Act van 1935, waarin een federatief India met een grote mate van zelfbestuur voor de provincies werd ingesteld. Sedertdien heerste er een relatieve rust, ofschoon noch de Congrespartij, onder Jawaharlal Nehru, noch de in 1906 opgerichte Moslim Liga, onder Mohammed Ali Jinnah, volledig tevredengesteld was. Beide wensten een volkomen onafhankelijk India, maar terwijl het Congres de eenheid van het land wilde behouden, met de moslims als minderheid, streefde de Moslem Liga een tweeledige staat na. De 512 vorsten waren bedacht op het behoud van hun rechten en in het algemeen vóór bestendiging van de bestaande toestand.

Tweede Wereldoorlog en onafhankelijkheid[bewerken]

De dag nadat het Verenigd Koninkrijk de oorlog had verklaard aan het Duitse Rijk (3 september 1939), verklaarde de onderkoning, Lord Linlithgow, ook India in staat van oorlog. Dit lokte veel kritiek uit. Gandhi bleef de geweldloosheid prediken; Nehru en anderen wensten het Verenigd Koninkrijk te helpen onder voorwaarde van een politiek akkoord. Het Britse antwoord op deze eis werd door het Congres niet aanvaard en Gandhi kreeg opnieuw de leiding in handen. De zware nederlagen die de geallieerden in het Verre Oosten leden, vooral de val van Singapore en de kritieke toestand in Birma, verwekten in India grote beroering. Gandhi bleef voorstander van geweldloosheid, terwijl Nehru de Britten wilde helpen in ruil voor onafhankelijkheid. Een andere leider, Subhas Chandra Bose, week uit naar Japan, vormde een 'voorlopige regering van India' en stichtte een vrij Indisch leger, dat aan de zijde van de vijand streed. In maart 1942 kwam Sir Stafford Cripps naar India met voorstellen, die onder andere de stichting van een onafhankelijke Indische Unie en het opstellen van een nieuwe grondwet behelsden. In juni 1943 begon Gandhi een heftige 'Verlaat Indië–actie', die tot zijn arrestatie en die van vele anderen leidde.

Na de onafhankelijkheid[bewerken]

Deling van Brits-Indië[bewerken]

De deling van Brits-Indië in India, Pakistan en Bangladesh
1rightarrow blue.svg Zie Deling van Brits-Indië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Na de Tweede Wereldoorlog kwam het Congres versterkt uit de verkiezingen tevoorschijn en op verzoek van de onderkoning Lord Wavell vormde Nehru in september 1946 een interim-regering. De verdeeldheid tussen het Congres en de Moslim Liga maakte echter de vorming van één onafhankelijke Indiase staat onmogelijk. Ten slotte wist Wavells opvolger, Lord Mountbatten, na talloze besprekingen de verdeling van Brits Indië in twee staten, India en Pakistan, te doen aanvaarden. Op 15 augustus 1947 werd de Indian Independence Act van kracht, waarmee een eind was gekomen aan het Brits–Indische Rijk.

Indo-Pakistaanse oorlogen[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Geschiedenis van de Republiek India voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
1rightarrow blue.svg Zie Geschiedenis van Pakistan voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

India en Pakistan hebben sindsdien nog verscheidene grensconflicten gehad. India greep ook in bij de burgeroorlog tussen West- en Oost-Pakistan in 1971 waarna het laatste gebied zichzelf afscheidde als het land Bangladesh.