Rechtvaardigheid

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Rechtvaardigheid, Een schilderij van Luca Giordano.

Rechtvaardigheid is een begrip uit de ethiek, het recht, de politieke filosofie en duurzaamheid. Bij de Grieken en in het Katholicisme is rechtvaardigheid vooral een ethische deugd. Bij de Romeinen werd het ook de grondslag van het recht. In latere politieke theorieën werd rechtvaardigheid niet meer als persoonlijke levenshouding, maar als abstract grondbeginsel voor het politieke stelsel gezien. In de 20e eeuw is rechtvaardigheid, als onderdeel van duurzame ontwikkeling, een belangrijk onderwerp in de strijd om het voortbestaan van de biosfeer en de menselijke beschaving.

Soorten rechtvaardigheid[bewerken]

Rechtvaardigheid wordt op verschillende manieren onderverdeeld. De huidige onderverdelingen gaan terug op de Ethica Nicomachea van Aristoteles:

  • Publieke, private en persoonlijke rechtvaardigheid: Publieke rechtvaardigheid heeft betrekking op het handelen in de publieke, openbare sfeer van de staat, maar werd later ook toegepast op andere sociale gemeenschappen. Dit is het terrein van de distributieve rechtvaardigheid en van de politieke theorieën. Private rechtvaardigheid heeft betrekking op het handelen in de privésfeer van huishouden, gezin en familie. Dit is het terrein van de vereffenende of ruilrechtvaardigheid en van de ethiek. Persoonlijke rechtvaardigheid ten slotte heeft betrekking op het handelen ten opzichte van jezelf (volgens Aristoteles kan echter niemand zichzelf onrechtvaardig willen behandelen).
  • Algemene en specifieke rechtvaardigheid: Algemene rechtvaardigheid heeft betrekking op het domein van wat Aristoteles de 'algehele voortreffelijkheid' noemt. Deze kan gezien worden als het in overeenstemming zijn met de voorwaarden van de deugd van rechtvaardigheid. Specifieke rechtvaardigheid heeft betrekking op concrete situaties, waarbij rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid een rol spelen. Hierbij wordt een verder onderscheid gemaakt tussen vereffenende of commutatieve en distributieve rechtvaardigheid.
    • Distributieve rechtvaardigheid heeft betrekking op het verdelen van "alles wat er te verdelen valt" over de leden van een bepaalde (politieke) gemeenschap. Hierbij dient volgens Aristoteles sprake te zijn van onpartijdigheid en dient het gelijke gelijk en het ongelijke ongelijk behandeld te worden. Voor een ongelijke verdeling dient een specifieke reden te zijn. Aristoteles noemt alleen de proportionele beloning naar verdienste, maar er zijn ook meerdere andere redenen mogelijk. Vereffenende (of ruil)rechtvaardigheid heeft betrekking op alles wat niet te verdelen valt, maar wat individuen die op min of meer gelijke voet staan, onderling ruilen of verhandelen.
    • Bij ruilrechtvaardigheid kan dan weer een onderscheid worden gemaakt tussen vrijwillige (commutatieve) en onvrijwillige (retributieve) ruil. Van een vrijwillige ruil is sprake wanneer beide partijen iets geven en er iets van gelijke waarde voor terugkrijgen, bijvoorbeeld wanneer men iets ruilt of koopt. Bij een onvrijwillige ruil ontbreekt deze wederkerigheid, hetgeen daarom ook vraagt om een vergelding of een bestraffing.

In de 21e eeuw gaat het om vormen van rechtvaardigheid die bij kunnen dragen aan het vertragen c.q. het stoppen van het afbraakproces van de biosfeer en het bieden van oplossingen voor problemen als gevolg van de voortdurend toenemende wereldbevolking. Deze vorm van rechtvaardigheid (verder genoemd ‘Duurzame Rechtvaardigheid’) vraagt om de hoogst denkbare prioriteit.

Politieke filosofie[bewerken]

In de politieke filosofie speelt rechtvaardigheid een meer of minder grote rol in diverse politieke theorieën. Deze theorieën hebben betrekking op de publieke rechtvaardigheid. In de middeleeuwen werd de publieke rechtvaardigheid beheerst door het natuurrecht. Na de reformatie werden in de protestants geworden landen nieuwe politieke theorieën opgesteld, die aanvankelijk nog bijbels geïnspireerd waren, maar vanaf de zeventiende eeuw volledig seculier werden. Daarin werden in plaats van rechtvaardigheid aanvankelijk andere doelstellingen nagestreefd:

In het Utilitarisme is het doel niet de rechtvaardigheid, maar de maximalisatie van nut en welzijn. Jeremy Bentham gaat daarbij uit van een maximalisatie voor alle betrokkenen c.q. de gehele gemeenschap, John Stuart Mill daarentegen van een maximalisatie voor het individu.

In het Marxisme wordt rechtvaardigheid hooguit gezien als een noodzakelijk kwaad dat nodig is, zolang de ideale samenleving nog niet bereikt is. Daartoe zouden mensen niet moeten komen op grond van andermans rechten, maar op grond van de liefde voor elkaar. Rechten zouden alleen maar leiden tot (verdere) ongelijkheid en uitbuiting. Het Marxisme wil daarentegen de private eigendom vervangen door collectieve eigendom omdat alleen op die manier een gelijke verdeling van (productie)middelen bereikt zou kunnen worden [1]

Het is John Rawls geweest die de rechtvaardigheid opnieuw een centrale plaats in de politieke filosofie heeft gegeven. Hij stelde dat rechtvaardigheid het criterium moet zijn waaraan alle andere doelen en waarden dienen te worden getoetst.

In zijn beroemde boek A Theory of Justice uit 1971 noemt hij twee grondbeginselen van rechtvaardigheid, te weten:

  • Ieder mens heeft een gelijke claim op een volwaardig basispakket aan rechten en vrijheden, voor zover deze te verenigen zijn met de rechten en vrijheden van anderen. De staat dient deze basisrechten en vrijheden te garanderen.
  • Sociale en economische ongelijkheid zijn alleen gerechtvaardigd als die zijn verbonden aan posities die openstaan voor iedereen en/of als ze ten goede komen aan de minst bevoordeelden in de samenleving.

De theorie van Rawls is de grondslag geworden van het politieke Liberalisme, waardoor veel sociaaldemocratische, christendemocratische en gematigd liberale politieke partijen zich laten inspireren.

In het Libertarisme van Robert Nozick wordt de liberale rechtvaardigheidsnorm van Rawls verworpen, omdat die tot een onaanvaardbaar grote overheidsbemoeienis zou leiden. Het Libertarisme is tegen elke publieke herverdeling van (belasting)middelen en stelt dat iedereen volledig vrije beschikking dient te hebben over alles wat men zelf op eerlijke wijze verworven, verdiend of vrijwillig geruild heeft [2]

In het Communitarisme zijn de traditionele waarden van de gemeenschap (het common good) de maatstaf voor het politieke handelen. De gemeenschappelijke normen en waarden zijn bepalend voor het individuele handelen. Dit in tegenstelling tot het Liberalisme, waarin het 'slechts' gaat om een rechtvaardige verdeling van middelen, opdat ieder zo veel mogelijk zijn of haar eigen doelen kan nastreven.[3]

Recht[bewerken]

De band van het recht met rechtvaardigheid is in de praktijk minder groot dan men op het eerste gezicht zou verwachten. De wetten en regels van het recht komen voor een groot deel voort uit vaak oude gewoonten en gebruiken, zijn gebaseerd op willekeurige grenzen en beslissingen, of zijn de uitkomst van (politieke) compromissen tussen verschillende belangen. In het recht speelt rechtvaardigheid met name een rol op twee gebieden, namelijk in de rechtsfilosofie en in de rechtspraak:

  • In de rechtsfilosofie is een belangrijke vraag die naar de relatie tussen recht en rechtvaardigheid, oftewel de vraag naar waarom men rechtsregels behoort na te leven. Volgens aanhangers van het natuurrecht dient het recht gebaseerd te zijn op de principes van het natuurrecht en dient het een redelijke mate van rechtvaardigheid te bezitten. Volgens de aanhangers van het rechtspositivisme dienen recht en moraal daarentegen gescheiden te zijn en mag het geldende recht niet op rechtvaardigheid getoetst worden. Tussenposities worden ingenomen door rechtsfilosofen als H.L.A. Hart en Ronald Dworkin.[4]
  • In de rechtspraak is rechtvaardigheid een leidraad voor de rechter, hoewel hij in eerste instantie de wet dient toe te passen en vervolgens de beginselen van redelijkheid en billijkheid in acht dient te nemen.

In de landen die het Engelse rechtsstelsel volgen, staat men niet in de Romeinsrechtelijke traditie, maar kent men het begrip equity, dat een vergelijkbare functie heeft als de continentale billijkheid.

Ethiek[bewerken]

Rechtvaardigheid wordt in de huidige opvattingen van moraal nauwelijks meer bepaald door wat de betreffende wetenschap, de ethiek, daarover te zeggen heeft. Intermenselijke handelingen worden tegenwoordig vaak gevoelsmatig beoordeeld, dit vanuit een individualistische traditie die teruggaat tot de Romantiek. Daarnaast worden zulke handelingen beoordeeld aan de hand van een rechtvaardigheidsbegrip dat sterk is gekleurd door begrippen uit de heersende politieke theorieën, zoals gelijkheid of het hebben van rechten (in de zin van aanspraken). Als een meer populair synoniem voor rechtvaardigheid wordt ook wel het begrip [eerlijkheid] (fairness) gebruikt.

Duurzame rechtvaardigheid[bewerken]

Duurzame Rechtvaardigheid is ook een onderdeel van de ontwerpfilosofie ‘Afval is voedsel’ beschreven door de auteurs Mc Donough en Braungart in hun boek Cradle to Cradle (C2C) 2002. (zie literatuurlijst). Daarin wordt gepleit voor een gezonde balans bij ontwerpen van producten en diensten tussen combinaties van drie E’s , Equity, Ecology en Economy. Ook de auteurs stellen in hun boek dat Equity, vertaald als rechtvaardigheid, in de praktijk niet of onvoldoende wordt ingevuld. Het lijkt veelal een blinde vlek, mede omdat de vocabulaire rond dit begrip beperkt is ontwikkeld en voorbeelden slecht worden gepresenteerd. Het niet goed invullen van Equity is vaak oorzaak van tegenvallende praktijkresultaten van ‘Duurzame Activiteiten’ en verminderde belangstelling voor deze ontwerpfilosofie. Gezien het belang voor het behoud van onze biosfeer en beschaving is gekozen voor het begrip ‘Duurzame Rechtvaardigheid’, meer volledig: ‘Rechtvaardigheid in het licht van Duurzame Ontwikkeling’.

Historische ontwikkeling[bewerken]

Grieken[bewerken]

De bij de Grieken gangbare opvatting was dat rechtvaardigheid (dikaiôsunê) gelijkwaardigheid (isotès), of beter: evenredigheid is. Iedereen krijgt waar hij recht op heeft. Onrechtvaardigheid is dan meer willen hebben (pleonexia), dan waar je recht op hebt, want dan krijgt een ander namelijk automatisch minder. Socrates zei daarom dat rechtvaardigheid het stellen van grenzen aan je eigenbelang is.

Volgens Plato moest iedere handeling niet op rijkdom, macht of overwinning gericht zijn, maar op rechtvaardigheid. Het uitgangspunt van die rechtvaardigheid is volgens hem dat de mens eerst zijn belofte jegens God inlost en vervolgens ieder het zijne geeft, aan anderen, maar vooral ook aan de staat (de politieke gemeenschap). De concrete invulling hiervan is afhankelijk van ieders individuele omstandigheden.

Volgens Aristoteles is rechtvaardigheid een deugd, dat wil zeggen een aangeleerde levenshouding die ons in staat stelt onze handelingen zo te plannen en uit te voeren, dat zij het midden houden tussen een teveel en een te weinig. Daartoe zijn vrijwilligheid (een bewuste eigen keuze) en voldoende kennis (een bewust weten wat je doet) vereist. In navolging van Plato beschrijft ook Aristoteles, in boek 5 van zijn Ethica Nicomachea, de rechtvaardigheid als de deugd waarbij men ieder het zijne geeft.

Romeinen[bewerken]

Bij de Romeinen vinden we het begrip rechtvaardigheid (iustitia) terug bij Cicero in De legibus 1, 6 19, waar hij eraan herinnert dat het Griekse woord nómos (wet) van het woord némo (toedelen) is afgeleid: Eamque rem (bedoeld is: legem) illi Graeco putant nomine a suum cuique tribuendo appellatam - "En deze zaak (de wet) is, zoals men meent, volgens haar Griekse benaming genoemd naar het "ieder het zijne geven".

In De officiis 1, 5, 15, zegt Cicero nog dat alles wat goed is, onder andere, te maken heeft met ...in hominum societate tuenda tribuendoque suum cuique et rerum contractarum fide - "...de menselijke samenleving in stand te houden en ieder het zijne toe te kennen, evenals in het nakomen van afspraken".

De meest bekende formulering vinden we ten slotte bij Ulpianus, die in de Digesten 1, 1, 10, van het Corpus Iuris Civilis zegt: Iustitia est constans et perpetua voluntas ius suum cuique tribuendi - "De gerechtigheid is de vaste en constante wil om ieder zijn recht toe te delen". Deze klassiek geworden formulering wordt ook vaak afgekort tot suum cuique of unicuique suum - "ieder het zijne".

Het in de praktijk gegroeide Romeinse recht werd rond 500 door keizer Justinianus I gecodificeerd in de Codex Justinianus, de Digesten en de Instituten, waarin hij onder meer, in navolging van Ulpianus, vaststelde dat de grondslagen van het recht zijn:

  • fatsoenlijk leven (honest vivere)
  • niemand benadelen (neminem laedere)
  • ieder het zijne geven (suum cuique tribuere)

Middeleeuwen[bewerken]

De Rechtvaardigheid afgebeeld op het plafond van de Stanza della Segnatura in het oude Apostolisch paleis in Vaticaanstad.

Nadat het Christendom staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk was geworden, erkende de Kerk het Romeinse recht (Ecclesia vivit lege Romana - "De kerk leeft volgens het Romeinse recht") en nam daarmee ook de klassieke rechtvaardigheidsnorm van Ulpianus over. De kerkleraren Ambrosius en Augustinus vermelden deze norm in De officiis ministrorum, 1, 24, H; resp. De civitate Dei, 19, 21. Het Romeinse recht werd sindsdien eeuwenlang gezien als de meest redelijke positivering (concrete uitwerking) van het natuurrecht.

In de 13e eeuw werden de werken van Aristoteles herontdekt. Zijn vier kardinale deugden werden samen met de christelijke drie goddelijke deugden samengevoegd tot de zeven deugden. Door Thomas van Aquino werd dit alles in de katholieke filosofie opgenomen, waarmee de leer van Aristoteles de belangrijkste filosofische basis van de katholieke moraalleer en de middeleeuwse politieke theorie werd. De "ieder het zijne"-norm bespreekt Thomas in zijn Summa Theologica 2, 2æ, 58, 11, waarna deze onderdeel is gebleven van de katholieke moraalleer en alszodanig ook is opgenomen in de nieuwste Katechismus van de Katholieke Kerk, onder nr. 1807.

De klassieke norm[bewerken]

Ieder het zijne geven wil zeggen dat je zodanig dient te handelen dat je daarmee de andere precies dat geeft of laat wat hem of haar toekomt. Dat vereist echter dat je eerst weet wat die ander toekomt. Daarvoor is de deugd van de wijsheid nodig. Om te zorgen dat je ook daadwerkelijk precies het goede geeft, moet je de deugden van moed en matigheid bezitten: de durf om het te doen en de beheersing om de juiste maat te houden. Op deze wijze is rechtvaardigheid het sluitstuk van de vier kardinale deugden: je handelt rechtvaardig als je dat doet op basis van wijsheid, moed en matigheid.[5]

Hoewel deze klassieke norm in eerste instantie bedoeld is voor het handelen in de sfeer van persoonlijke relaties (private rechtvaardigheid), is het ook de basis voor rechtvaardigheid in de publieke sfeer. Daarin gaat het immers vooral om het toedelen en om de vraag wat eenieder toekomt. Daarnaast is hierbij van belang dat de klassieke norm rechtvaardigheid als deugd formuleert. Wie zo'n goede levenshouding heeft, zal namelijk niet alleen in de persoonlijke, maar ook in de publieke sfeer rechtvaardig zijn.[6]

Ten slotte heeft de klassieke rechtvaardigheidsnorm een invloed gehad, die tot op de dag van vandaag doorwerkt als het gaat om de concrete toepassing van algemene wetten en regels op individuele gevallen. Dat geldt zowel voor degenen die wetten en regels moeten toepassen en uitvoeren (ambtenaren, burgers), als voor degenen die recht moeten spreken (rechters).

  • Voor de rechter ging in het Romeinse recht gelden dat hij ieder het zijne diende te geven door de wet goed en billijk (bonum et aequum) toe te passen. Dit omdat het suum cuique als de basisregel van het natuurrecht voorrang had op de regels uit het positieve recht. Vervolgens is deze billijke wetstoepassing een belangrijk onderdeel geworden van het kerkelijke, canoniek recht en kwam het bekend te staan als de canonieke billijkheid (aequitas canonica).[7]
  • Voor de burger vloeide uit de klassieke rechtvaardigheidsnorm de eis voort om te handelen op basis van goede trouw (bona fide), iets dat nog steeds een fundamenteel beginsel van het continentale privaatrecht is. In Nederland is de (objectieve) goede trouw in het nieuwe Burgerlijk Wetboek van 1992 vervangen door de term redelijkheid en billijkheid.

In bovengenoemde juridische beginselen leeft de klassieke rechtvaardigheidsnorm van "ieder het zijne geven" nog altijd voort, maar voor het overige is deze aloude regel nagenoeg in vergetelheid geraakt. In de publieke sfeer is zij verdrongen door nieuwe politieke theorieën met waarden als geluk, gelijkheid, vrijheid en zelfbeschikking. In de private sfeer wordt "ieder het zijne" hooguit nog gebruikt als een uitdrukking van gelatenheid en onverschilligheid. De nazi's hebben ten slotte nog een triest en pervers misbruik van deze spreuk gemaakt door hem in het Duits (Jedem das Seine) boven de poort van concentratiekamp Buchenwald aan te brengen.

Nieuwe tijd[bewerken]

Met de Reformatie werd de klassieke rechtvaardigheidsnorm, als onderdeel van het katholieke natuurrecht, aan de kant gezet. In navolging van Luther vonden de protestanten dat de mens te zondig, of in elk geval niet in staat was om met zijn verstand eigenmachtig goede regels te kunnen formuleren. De private rechtvaardigheid werd daarom volledig ondergeschikt gemaakt aan de regels uit de bijbel. In plaats van rechtvaardigheid als een persoonlijke deugd (deugdethiek), kwam de loutere plicht tot het naleven van wetten en regels (plichtethiek).

Filosofisch is deze plichtethiek met name uitgewerkt door Immanuel Kant in zijn Kritik der praktischen Vernunft uit 1788 en in Die Metaphysik der Sitten uit 1797. Daarin zegt hij dat de reden voor een bepaalde handeling louter de plicht moet zijn en niet bijvoorbeeld een goed gevoel of angst voor straf. Deze plicht vloeit voort uit de achting voor de wet, de zelfbinding, die volgens Kant het kenmerk is van de vrije mens.

Als gevolg van de secularisatie werd in de negentiende eeuw ook de laatste formele band tussen recht en rechtvaardigheid, tussen recht en (christelijke) moraal verbroken. Dit kwam in de rechtsfilosofie tot uitdrukking in de stroming van het rechtspositivisme. Zo vond Hans Kelsen dat recht en moraal strikt gescheiden dienden te zijn en dat het niet aangaat om de rechtvaardigheid van het geldende recht te beoordelen. Volgens de rechtsfilosoof W. Luijpen kan rechtvaardigheid in het rechtspositivisme gedefinieerd worden als "de vaardigheid of bereidheid om zonder meer uit te voeren wat het positieve recht voorschrijft"[8]

Deze visie lag mede ten grondslag aan de blinde volgzaamheid (Gesetz ist Gesetz) die onder het naziregime tot veel gruwelen heeft geleid. Na het einde van de Tweede Wereldoorlog is men dan ook teruggekomen van een al te strikt rechtspositivisme en zijn onder andere de universele mensenrechten geformuleerd. In het kielzog daarvan zijn in de Westerse wereld de vroegere plichten meer en meer vervangen door rechten van mensen en burgers.

De 21e eeuw met duurzame rechtvaardigheid[bewerken]

De samenhang met duurzame ontwikkeling en Cradle to Cradle (C2C) is eerder beschreven. Na het noemen van enkele belangrijke uitgangspunten en mogelijke oorzaken volgt een begripsomschrijving.

Uitgangspunten

1. Het betreft een zeer complex onderwerp van micro tot macro niveau; van individu tot wereldgemeenschap; van jongeren tot ouderen; van werkgevers en werknemers enz enz. Overal hebben mens-machine-verbanden meegewerkt aan het tot stand komen van de huidige precaire situatie in de biosfeer met vele voorbeelden van rechtvaardigheid en van onrechtvaardigheid. Het is een onderwerp van gigantische afmetingen waarbij de huidige mens soms machteloos lijkt. Toch gaat het uiteindelijk om een beperkt aantal principiële zaken zoals het erkennen van de positie van de mens in de biosfeer en daarnaar handelen.

2. Nooit eerder in het evolutieproces was de groei in aantal en kennis van een levende soort zo groot als die van de mens in de laatste paar eeuwen. Hierdoor wordt het draagvermogen van de planeet om de biosfeer in stand te houden steeds verder overschreden. De mensheid handelt, ondanks vele waarschuwingssignalen, niet duurzaam rechtvaardig ten opzichte van haar eigen soort en van de andere evolutieproducten.

Als oorzaken worden hier genoemd:

  • Gebrek aan feitenkennis onder andere door verouderde wereldbeelden met een overdreven betekenis van de mens, los van zijn evolutionaire afkomst. En gebrek aan kennis van de materiële groeigrenzen van onze planeet. Er is behoefte aan een actueel wereldbeeld, een nieuw bewustzijn.
  • Uitingen van, in het evolutieproces gevormde potentieel bedreigende ‘instincten’ zoals sterke geldingsdrang, onbegrensde hebzucht enz. met bijbehorend gedrag..
  • Onvoldoende belangstelling voor meer wetenschappelijke wereldbeelden omdat ze vaak niet sporen met de gevestigde opvattingen over ongebreidelde economische groei.

Begripsomschrijving Duurzame Rechtvaardigheid: Een streven, als onderdeel van de filosofie van Duurzame Ontwikkeling, naar een zo eerlijk mogelijke verdeling van goederen en diensten onder de lokale en mondiale bevolking, gericht op langdurig welzijn van die bevolking.

Referenties[bewerken]

  1. Will Kymlicka, Contemporary Political Philosophy, Oxford University Press 1990, p. 161 e.v.
  2. Als boven, p. 95 e.v.
  3. Als boven, p. 206 e.v.
  4. Zie hierover A. Soeteman, Machtig recht, Alphen aan den Rijn, 1990.
  5. A.A.M. Kinneging, Ex qua viri boni nominantur, in: Ars Aequi, jrg. 47 (1998), nr. 9, p. 753.
  6. Als boven, p. 752/756.
  7. J.H.A. Lokin en W.J. Zwalve, Hoofdstukken uit de Europese Codificatiegeschiedenis, Wolters-Noordhoff/Forsten, Groningen 1992, p. 25
  8. A. Soeteman, Machtig recht, Alphen aan den Rijn, 1990, p. 38.

Bronnen en Literatuur[bewerken]

Externe links[bewerken]

Wikiquote Wikiquote heeft een of meer citaten gerelateerd aan Rechtvaardigheid.
Icoontje WikiWoordenboek Zoek rechtvaardigheid op in het WikiWoordenboek.